Hoe een naar binnen gekeerd talent veranderde in een groot schrijver

August Willemsen schreef als student zijn eerste briefje aan Marian Plug, die van onbereikbare liefde allengs veranderde in dierbare vriendin. De correspondentie duurde bijna 50 jaar, en laat zien hoe een naar binnen gekeerd talent veranderde in een groot schrijver en eminent vertaler.

Op 28 april 1957 schrijft de 20-jarige Amsterdamse student August Willemsen een dronken briefje aan Marian Plug, een leeftijdgenote die de opleiding voor tekenleraren volgt. Een brief in een brief is het, want Willemsen fungeert als postiljon voor zijn vriend Jaap Hillenius en krabbelt zijn eigen regels onder diens 'lieve epistel' aan Plug.

Dat curieuze post scriptum vormt het begin van een correspondentie die bijna vijftig jaar zal standhouden. Aanvankelijk getuigt de briefwisseling vooral van Willemsens wanhopige onbeantwoorde verliefdheid (en van zijn manmoedige pogingen die te verhelen), maar gaandeweg betijt de hartstocht en laat de correspondentie zien hoe twee gevoelige zielen hun weg vinden en uitgroeien tot respectievelijk een eminente literaire vertaler en een succesvolle beeldend kunstenares.

Beeld Peter Monkcom

Vooraankondiging

Het aanminnige krabbeltje uit 1957 opent ook Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen, de door Marian Plug en bezorger Joost Meuwissen bijeengebrachte briefwisseling die nu, zeven jaar na Willemsens dood, in de reeks Privé-domein van de Arbeiderspers is verschenen.

Hoe beknopt dat kattebelletje ook mag zijn (Willemsen noteerde het in de regen, in het portiek naast de voordeur van de aanbedene), het valt haast niet anders te lezen dan als de vooraankondiging van een groot schrijverschap. Motieven en eigenschappen die later zullen opduiken in zijn brieven, essays en vertalingen, lijken hier al in rudimentaire vorm aanwezig. De drank als gesel en brandstof, waarvan hij in 1991 zou getuigen in de kroniek van zijn verslaving De val ('Je moet maandag meegaan, al ben ik nu dronken'); het spel met alter ego's in zijn grote Pessoa-vertalingen (hij noemt Jaap 'Jaime' en ondertekent met 'Agosto - zo heet ik') en de poëtische kracht van zijn beelden, zoals in de verwijzing naar het stenen portiek waarin hij zijn briefje schrijft. 'De herinneringen bij dit marmer zijn de herinneringen aan een voorhoofd van schuim en wolken.'

De ontwikkeling van een naar binnen gekeerd talent, dat plotseling zijn vorm vindt en zich dan met een explosieve kracht ontplooit - dat hier op de voet te volgen proces is het waardevolste dat Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen bijdraagt aan de autobiografische teksten en brievenboeken die eerder van Willemsen verschenen (waaronder Braziliaanse brieven uit 1985 en Vrienden, vreemden, vrouwen uit 1998, waarin fragmenten uit deze correspondentie staan).

Aanbidding

In zijn eerste brieven wringt de verliefde adolescent zich in bochten om de woorden te vinden die uitdrukking geven aan zijn verliefdheid, zonder zichzelf werkelijk bloot te geven. Want dat het voorwerp van zijn aanbidding wel zijn vriendschap maar niet zijn liefde wil, maakt ze hem afdoende duidelijk. Alleen al de gedachte aan 'een vluchtige niets inhoudende zoen op de mond' doet haar gruwen. 'Ik kan het níét'.

Dat ze desondanks samen op vakantie gaan naar het Zuiden - waar Willemsens fascinatie voor de Spaanse en Portugese cultuur en literatuur zijn beslag krijgt - lijkt in dit licht niet meteen begrijpelijk, zeker als we lezen dat ze behalve een hotelkamer soms zelfs een kuis bed delen.

Geen wonder dus, dat de magere, stotterende, met zijn 1 meter 95 verlegen Guus het uiteindelijk niet meer uithoudt. Op 5 mei 1960 gooit hij er al zijn kwellingen uit in een brief aan Marian, die eindigt met '[ik] leg een hand op je lieve kleine borst, en kus je op de mond. Zo ben ik ineens van alles af. Je minnaar o.a., Guus.' Droef detail: een voetnoot meldt dat de brief nooit is verzonden.

Bloei

Hoe de verhouding tussen beiden verandert, valt uit de brieven niet precies op te maken, maar onmiskenbaar wordt Willemsens toon allengs opgeruimder en verdwijnen de verkapte smeekbeden. Naarmate hij zich verder losmaakt van zijn obsessieve liefde, vindt hij een grotere vrijheid in het schrijven en kan zijn grote epistolaire talent opbloeien.

Alles wat hortte en stootte, begint te stromen en vloeien. Hij permitteert zich stijl-experimenten (een brief in de hij-vorm) en rare probeersels (een uitputtende beschrijving van een doodgewoon Spaans barretje) en als hij zijn sleutelbeen breekt, loopt zijn verslag van het bezoek aan de lokale Spaanse kliniek uit op een virtuoos uitgewerkte slapstick.

Uitweiding

In 1965 ondertekent hij een zomerse groet uit Lissabon met 'Guus en Mieke' en heeft hij het ongeremd over 'onze gebronsde lichamen'. Als hij en zijn nieuwe liefde twee jaar later verhuizen naar São Paulo (waar de periode begint die uitvoeriger is vastgelegd in zijn Braziliaanse brieven) is er geen twijfel meer over wat hij wil en kan: 'Alle schrijfenergie gaat in de brieven. De laatste mode is dat ik niet op kan houden. Ze worden steeds langer.'

Willemsen wordt een grootmeester van de uitweiding. Een terugblik op zijn eerste verjaardag in São Paulo dijt uit tot een duizelingwekkend relaas van zestien pagina's, een als brief vermomde literaire tour de force die bijna geheel uit zijpaden bestaat en waarvan je toch geen woord wilt missen. 'Ik zit weer eens in de details', merkt hij zelf op, 'ten koste van de voortgang van het verhaal.'

'Ik drink veel. Is gezond', valt ook ergens te lezen. Al vroeg in Spanje ontdekte Willemsen dat alcohol hem minder deed stotteren en leuker gezelschap maakte. 'De drank helpt me aan het soort reactievermogen dat de Spanjaarden vanzelf hebben, ik schaam me niet meer tegenover mijzelf voor mijn gezwets, en het contact komt tot stand.'

De veronderstelling dat die ontdekking niet losstaat van zijn over de pagina's vloeiende geschreven zinnen lijkt niet vergezocht. De destructieve verslaving waarin het grote innemen uiteindelijk uitmondt, blijft in deze correspondentie grotendeels buiten beeld. In 1993 besluit Marian met een hartekreet: 'Dierbare vriend, glij niet weg, vecht, vecht, het leven is zo kostbaar.'

Meer over