reportage

Hoe een ijsbeer de Nederlandse Job doodde, en ook zelf sneuvelde

Schrijver Frank Westerman gaat met zijn dochter naar Spitsbergen en slaapt op de camping waar een jaar eerder de Nederlander Job Kootte werd gedood door een ijsbeer. Zijn missie: de dood van de mens Job en de ijsbeer Snow reconstrueren. Een voorpublicatie uit Westermans nieuwste boek.

Frank Westerman
null Beeld Tzenko Stoyanov
Beeld Tzenko Stoyanov

Op de Facebookpagina van de camping van Spitsbergen, de meest noordelijke ter wereld, verschijnt op 28 augustus 2021 een verstild portret van een man met een poolhond. Samen kijken ze uit over een wijds fjord. De hond richt zijn pluizige oren op zijn baasje, maar die is met zijn gedachten elders. De klep van zijn pet werpt een weemoedige schaduw over zijn gezicht. Op zijn rug draagt hij een zwaar kaliber jachtgeweer.

JOB KOOTTE (1981-2020)

In memoriam. Vandaag een jaar geleden.

‘droevig’

Bezoeker Björn, die onder dit bericht een huilende emoji heeft geplaatst, vraagt zich geschrokken af: Wat is hem overkomen?

Björn (of: Bjørn) is een Scandinavisch-Germaanse jongensnaam die beer betekent. Björn krijgt in het Frans antwoord van iemand die zich op zijn profielfoto voordoet als een ijsbeer met ontblote hoektanden: Un campeur est mort accidentellement par un ours polaire…

‘Ours’, leerde je op school, is Frans voor beer. Maar wacht even. Hoort hier niet te staan: ‘intentionnellement’ in plaats van ‘accidentellement’? Het bijten, uit zijn tent sleuren en aanvreten van de kampeerder Job ging niet ‘per ongeluk’. Vanuit de ijsbeer bezien was dit een opzettelijke, bewuste daad. Natuurlijk had hij zich evenzogoed op een van de andere zes campinggasten kunnen storten, maar aan zijn bedoeling hoefde je niet te twijfelen. Hij wilde Job opeten. Als een ringelrob.

Waarom eigenlijk, vraag ik me af, staat er nergens op Facebook een in memoriam voor de hongerige ijsbeer die, afkomend op de geur van mensenvlees, van dichtbij onder vuur was genomen met .30-06-munitie? Het dier was aangeschoten, omgevallen en vervolgens hinkend weggerend langs de scheerlijnen van twee oranje tipi’s. Hij verdween over de mossige toendra in de richting van het vliegveld, waar hij in een leeg parkeervak in elkaar was gezakt tussen een fourwheeldrive en een bestelbusje.

Ook dit slachtoffer heeft een naam en een geboorte- en sterftejaar:

SNOW (2016-2020)

In memoriam. Vandaag een jaar geleden.

‘droevig’

IJsbeer ‘Snow’ genoot de nodige faam sinds hij samen met zijn broer ‘Ice’ al stoeiend was vastgelegd door een documentairemaker uit Oslo. Hun moeder – ‘Frost’ – duwde haar kleintjes ruw van zich af, hardhandig. In de zomer van 2020 had Snow nog maar weinig jachtervaring: hij was amper een jaar tevoren aan zijn solitaire leven in de arctische wildernis begonnen.

Stel nu dat Björn onder dit beren-in-memoriam de vraag zou hebben gesteld ‘Wat is hem overkomen?’ – dan zou de Franse bezoeker die zich voordoet als een ijsbeer hebben kunnen antwoorden dat un campeur (een andere dan Job Kootte) een jeugdig ijsbeermannetje dodelijk heeft verwond met een salvo geweerschoten – in doodsnood ongetwijfeld, maar toch zeker intentionnellement.

* * *

Aan de heropening van de camping op Spitsbergen, een jaar na de dood van Job en Snow, zijn strikte voorwaarden verbonden. ‘Het kan zijn dat we berenwacht moeten lopen’, mailt Michelle van Dijk, de eigenaresse, in antwoord op mijn reservering. Ik kan een tweepersoonstent bij haar huren (een oranje tipi) en luxe isolatiematjes die zichzelf volzuigen met lucht.

Berenwacht lopen, dat is: per toerbeurt samen met een andere campinggast waken bij een kampvuurtje, de boomloze omgeving afturen en zo nu en dan patrouilleren. Ten minste een van beiden draagt een geladen geweer bij zich, dat hij of zij ook echt weet te hanteren. Volgens de richtlijnen dient dit wapen altijd ontgrendeld te zijn: je mag de trekker níét blokkeren met de veiligheidspal. Maar wat nu als je ineens een ijsbeer van 500 kilo op je ziet afrennen? Ik kan me er nauwelijks een voorstelling van maken, ook al omdat het op 78 graden noorderbreedte in augustus wel nacht wordt, maar niet donker.

‘Leuk dat je dochter meekomt’, voegt Michelle aan haar bericht toe.

Volgens Facebook ligt Longyearbyen Camping aan een keienstrand waar je groepen walrussen kunt aantreffen, of baard- en zadelrobben. Je deelt de kustlijn met brandganzen, sneeuwgorzen en papegaaiduikers – soms ook poolvossen. Het meer dan 100 kilometer lange ‘IJsfjord’ (ooit door Willem Barentsz ‘Den Grooten Inwijck’ genoemd) strekt zich lui voor de tentbolletjes uit. Walvisruggen die boven de waterspiegel opduiken horen bij het uitzicht. Ginds aan de overkant kalven gletsjerfronten in zee af; het gestage afbrokkelen en neerstorten van deze ijsmuren schijn je te kunnen horen als een ver onweer.

In de eenzame ligging schuilt ook het gevaar. De naam Longyearbyen Camping mag dan verwijzen naar de nederzetting Longyearbyen (nog geen 1.500 zielen), het kampeerveld ligt 4 kilometer buiten de veilig geachte bebouwde kom. Met de aanduiding ‘veilig geachte’ wordt op Spitsbergen bedoeld: ‘ijsbeervrije’.

* * *

Mijn missie: ik wil de dood van de mens Job en de ijsbeer Snow zo goed als ik kan reconstrueren. Hun ongelijke gevecht om 3 uur 50 in de nacht.

Ik weet dat het muisstil moet zijn geweest, 4 graden boven nul, waterkoud. IJsberen hebben niet alleen een schutkleur, ze kunnen hun prooi geruisloos besluipen. De waakhonden van Longyearbyen Camping, Bosun en Fenris, hebben niet aan hun kettingen gerukt. Ze lagen te slapen, ieder in hun eigen hok aan de waterkant. Boven het fjord moet een oranjeroze of in ieder geval lichte gloed hebben gehangen. Op het uur van de confrontatie liepen avondschemering en ochtendgloren in elkaar over; eind augustus duikt de zon nét weer even achter de horizon.

Frank Westerman en zijn dochter Vera. Beeld Frank Westerman
Frank Westerman en zijn dochter Vera.Beeld Frank Westerman

Over het menselijke slachtoffer hebben de kranten in binnen- en buitenland uitgebreid bericht: Job Kootte (38) was een actieve en geliefde gast in de homo- en wijdere regenboogscene van Amsterdam. Om niet mismoedig te worden had hij zijn levenskoers nog tijdens de eerste coronagolf radicaal verlegd – noordwaarts. Job verruilde de darkroom van de Spijkerbar voor een dubbeldakstentje op Spitsbergen. Van dragqueen Belinda Methol (die in nachtclubs uit een kliko klom) veranderde hij in een campingbeheerder op 1.308 kilometer van de Noordpool. Het was misschien wel de grootste verkleedpartij van zijn leven – met bijbehorend fleecejack, zwartleren pet en een geschouderd geweer.

Maar van Snow weet ik bijna niets. Ik weiger hem op voorhand te beschouwen als de insluiper, aanvaller, agressor. Welke misdaad zou hij hebben begaan?

* * *

Toen ik mijn dochter Vera (19) vroeg of ze mee wilde, antwoordde ze: ‘Cool.’ Haar enthousiasme sloeg niet op het kamperen op zich. Los van de eerste drie nachten in de oranje tipi hebben we er vier geboekt in een stevige cabin in Longyearbyen.

Om onze zenuwen te bedwingen maken we grappen. Dat we straks in onze slaapzakken een soort worstenbroodjes liggen te zijn. Dat mensen een grotere voetafdruk hebben dan ijsberen, helemaal als ze naar Spitsbergen vlíégen. Dat het een evolutionaire uitglijder is dat we ijsberen schattig zijn gaan vinden. Welk ander dier stopt zijn jong een berenknuffel toe voor het slapen gaan?

‘Ze zijn wel fluffy’, zegt Vera.

Ik lees dat walrussen een ijsbeeraanval doorgaans met succes afslaan. Ze schurken dicht tegen elkaar aan, hun slagtanden zijn formidabel. Zeehonden daarentegen zijn weerloos. Ze mogen ‘bobberen’ zo hard ze kunnen, meestal is dat vergeefs. ‘Wist je dat een ijsbeer gemiddeld 48 robben per jaar eet?’

We vliegen op zo’n 10 kilometer boven de Barentszzee, lijnrecht naar het noorden.

‘Dus als ze een mens eten’, merkt mijn dochter op, ‘hoeven ze er nog maar 47.’

Al voor vertrek heeft Vera mijn documentatiemap doorgebladerd. Ik weet dat ze de foto’s heeft gezien van Jobs opengescheurde, in tweeën gedeukte tentje. De ravage van skibroeken, laarzen en zijn slaapzak waar het dons als ingewanden uitstulpte. The Daily Mail heeft een selfie gepubliceerd waarop Job bij het bord Longyearbyen poseerde – naast een crèmekleurige omafiets.

Scroll een halve pagina omlaag en er verschijnt nog een beeld. Je kunt het aanklikken en uitvergroten en wat je dan te zien krijgt, is een zwaarlijvige beer plat op zijn snuit, voorovergevallen in een onnatuurlijke houding, half op het asfalt, de vacht vies van de modder. Een gevloerd dier. De klauw van zijn rechtervoorpoot lijkt zich schrap te zetten tegen de rand van de parkeerplaats, maar aan zijn geloken oog en platliggende oor kun je zien dat Snow geen verzet meer biedt.

* * *

Het is 18 augustus 2021. We zijn vanuit Oslo met een tussenstop in Tromsø op de noordelijkste aller luchthavens geland. Longyearbyen Airport verwelkomt lijnvluchten uit Rusland en Noorwegen sinds 1975. Tien jaar na de ingebruikname is er op loopafstand van de aankomst- en vertrekhal een bijgebouwtje verrezen: een houten badhuis met kleedhokjes, warme douches en wc’s. Te veel poolonderzoekers stapten zonder zich te wassen na weken of soms maanden veldwerk in het vliegtuig terug naar huis. Toen de sanitaire voorziening er eenmaal stond, op de vlakte aan het fjord, kon het mooi ook het kampeerveldje bedienen. Nadat het waslokaal was uitgebreid met een kantoortje, een keuken en een veranda, had Longyearbyen Camping in 2007 een nieuwe eigenaar gevonden in Michelle van Dijk, een leliekweker uit het Westland die verslingerd is geraakt aan Spitsbergen.

Het laatste nieuws: de driemaster Antigua, die ligt afgemeerd in de beschutting van de baai, heeft een draagbare accu, een partij piketten en een haspel ijzerdraad aan wal gebracht. Tien dagen voor onze komst is daarmee een perkje toendra, grenzend aan het campinggebouw, met schrikdraad afgezet. Samen met haar honden staat Michelle ontspannen op de cover van Svalbard Posten:

jaar na tragedie: hek moet veiligheid bieden.

‘Zebrapad oversteken, afdalen en je bent er’, staat er in haar instructiemail. Alle passagiers van vlucht DY396 verdwijnen in bussen en taxi’s naar Longyearbyen. Heel even hebben we de indruk de enigen te zijn die hun weg te voet vervolgen, maar dan ontmoeten we Justyna, een Poolse uit Gdańsk. De eerste stappen die we op Spitsbergen zetten, bepakt met onze reistassen, voeren over de parkeerplaats.

* * *

Ik ben geboren achter een dierentuin, het Noorder Dierenpark in Emmen. Er bestaat een foto van mij als peuter bij een gekooide ijsbeer. Ik zit rechtop in een kinderwagen en kijk vanonder de rand van een gebreide muts in de camera. Tussen de beer en mij zit traliewerk.

Op de achterkant van deze foto staat in het handschrift van mijn vader dat het ijsbeertje Gudrun heet en net als ik op 13 november is geboren.

Nu ben ik zelf vader en laat ik mij samen met mijn dochter opsluiten in een kooi van 50 bij 50 meter. Een mensentuin. Tussen ons en de vrij levende ijsberen van Spitsbergen zitten vijf dunne, boven elkaar gespannen draden. Op elk daarvan staat stroom (7 kilovolt).

* * *

‘Linksom’, roept Michelle ons vanaf de veranda toe, dan komen we bij de ingang in haar afrastering. Via holle handvatten van kunststof kun je elke draad ‘beetpakken’ en loskoppelen. Justyna weet niet waarom we als schapen binnen een omheining moeten slapen. Thuis in Gdańsk heeft ze op ‘kamperen’ + ‘fjord’ zitten googelen. ‘Ik zocht steeds iets hoger op de kaart’, zegt Justyna, ‘en aan het eind van de avond kwam ik uit op Spitsbergen.’

Al is het 7 graden, Michelle van Dijk draagt geen handschoenen, muts of sjaal. In het echt ziet ze er net zo joviaal uit als op het omslag van Svalbard Posten. Pezig, diepliggende ogen in een spits gezicht. Haar haren, vervlochten met groene linten, heeft ze opgestoken in een paardenstaart. Buiten, bij een uitstalling van geweien, vogelschedels en afgekloven botten, staan onze huurfietsen klaar. Ze zijn crèmekleurig, model omafiets.

Fietsen op een Nederlandse omafiets op Spitsbergen. Beeld Frank Westerman
Fietsen op een Nederlandse omafiets op Spitsbergen.Beeld Frank Westerman

Op verzoek van onze gastvrouw hebben Vera en ik een regenboogvlag meegebracht uit Amsterdam. Net op tijd voor de eerste Longyearbyen Pride, aanstaand weekend, en om Job te herdenken, het weekend daarna.

‘Ik kende hem van Het Paard in Den Haag’, zegt Michelle. ‘Ik was daar stagemanager en Job stagehand. Dat was nog voordat hij uit de kast kwam.’

* * *

Onze eerste afspraak is met een marinier. Rafal (zijn achternaam heb ik niet verstaan) zal ons schietles geven. Zonder brevet kun je geen jachtgeweer huren bij de buitensportzaken in Longyearbyen.

Rafal werkt voor Pole Position, een logistiek bedrijf (‘Your contact in the Arctic’) dat je desgewenst op de Noordpool kan afzetten.

‘Ik ben niet in het leger geweest’, heb ik hem vanuit Nederland over een krakende lijn toegeroepen.

Rafal riep terug dat ik bij zijn collega Marit moest zijn. Zij zou de schietbaan reserveren en hem inroosteren als trainer. ‘You bring ammo. Gun?’

Het klonk als een opdracht, maar hij stelde een vraag.

‘No, no’, zei ik mede namens Vera.

Ik voelde me verplicht te zeggen dat ik over de schiettraining (en hem erbij) wilde schrijven. Rafal zat in een auto die over een kuilenweg omhoogklom. Boven het geronk uit hoorde ik hem zeggen: ‘What’s your project?’

Ik zei wat ik tegen iedereen zei: dat ik schrijf over de verhouding tussen ijsberen en mensen in het licht van de klimaatverandering. Klonk dit mistig of academisch en oogstte ik een frons, dan noemde ik de kampeerder uit Amsterdam die door een ijsbeer was doodgebeten. Wat ik er niet bij zei, ook nu niet over de telefoon met Rafal: dat ik op zoek ben naar het perspectief van de ijsbeer. Hoe ervaart dit dier het smelten van zijn wereld, nu wij de temperatuur op aarde opvoeren?

Schietlessen. Beeld Frank Westerman
Schietlessen.Beeld Frank Westerman

Het leek me geen goed moment om uit te wijden over het treffen van Job en Snow als spiegel voor het tweegevecht tussen de soorten. ‘Het gaat me om de ijsbeer versus de mens’, zei ik. ‘Hun confrontatie.’

Rafal instrueerde me om bij Marit ook twee Rügers te bestellen. Plus vier doosjes .30-06-munitie.

* * *

Op Spitsbergen laat een groep van naar schatting driehonderdvijfti ijsberen zich niet langer meevoeren met het slinkende drijfijs dat in sommige winters niet eens meer de kust bereikt (iets wat vaker en vaker gebeurt). Terwijl hun soortgenoten met het resterende poolijs naar het noorden afdrijven, blijven zij aan land. Homebodies heten ze. Lijden ze honger? Zijn ze zielig? Wat opvalt is hun inventiviteit. Komen ze niet aan hun robbenquotum, dan verschalken ze een rendier, een poolvos. Of ze eten vogelnesten leeg (waarvoor je geen schutkleur nodig hebt en niet sterk hoeft te zijn). Een vette, vrouwelijke homebody, door de onderzoekers ‘Lady Gaga’ genoemd, is gefilmd terwijl ze – tot groot misbaar van een brandganzenkolonie – in iets meer dan een uur tijd honderdtachtig keer vier eieren opslobbert. De jongste wending is dat de beren de laatste jaren onbeschroomd afkomen op het voedsel (zowel de voorraden als de resten) waarmee homo sapiens zich omringt. In mensentaal: ze worden steeds brutaler.

* * *

Vanaf Longyearbyen Camping kun je de nederzetting Longyearbyen niet zien liggen. Achter de gletsjers ligt nog het Russische mijnbouwdorp Barentszburg waar 350 mensen wonen. Vera en ik fietsen er naartoe over de desolate Vej 400. Michelle heeft aangegeven waar we ons veilig (lees: ongewapend) kunnen begeven: van de vuurtoren aan het fjord tot aan een hondenkennel van Longyearbyen.

Onze fietsen hebben geen versnellingen. Ze trappen zwaar. Een jagende ijsbeer kan 30 kilometer per uur halen. We zijn alert, op elkaar, op het klotsende water, op de bergen met hun plakken sneeuw. Er is één uitspraak van Michelle die maar door mijn hoofd blijft rondtollen: ‘Voor een ijsbeer zijn wij verticale robben.’

Zou het zo simpel zijn – die omklapping van het perspectief?

* * *

In de haven van Longyearbyen treffen we Marit Skjei. Vanuit een glazen kantoortje op de laad- en loskade voert zij het secretariaat van Pole Position. We komen onze schietles betalen (dat moet vooraf). Terwijl we formulieren invullen voor de huur van twee Rüger-M77-geweren en een alarmpistool, informeert Marit of we op de camping staan.

‘Ik herken de fietsen’, zegt ze.

De rekening voor de munitie komt achteraf. Rafal Svietonovski uit Polen zal inderdaad onze instructeur zijn, maar tot onze verrassing zal onze training pas over twee dagen plaatsvinden. Het is niet anders. We zullen onze planning wijzigen en eerst een boottocht over het IJsfjord maken, waarop je (vrijwel zeker) walvissen zult spotten en (als je enorm veel geluk hebt) ook ijsberen.

Juist als we willen vertrekken, begint Marit over haar cabin in Bjørndalen, waar zij en haar man de weekenden doorbrengen. ‘Het ligt een kilometer voorbij de camping… Wij gaan daar altijd met de auto naartoe...’

We luisteren. Maar er komt niets achteraan.

Of bedoelt ze: ‘... en niet op de fiets?’

‘Of te voet’, zegt Marit. ‘Wij gaan daar niet wandelen zonder geweer.’

* * *

Als beeldmerk is de ijsbeer alomtegenwoordig in Longyearbyen – op koffiebekers, mutsen en ijskastmagneten in de souvenirshops, en ook op de boodschappentassen van de plaatselijke Coop. Isbjørn-bier is gebotteld in blauw-witte flesjes versierd met ijskristallen.

Nieuw in Longyearbyen zijn de raambiljetten met het signalement van een ijsbeer: zie je mij, bel 112. Ze hangen bij het postkantoor, de apotheek, de VVV en ook op een reclamezuil pal tegenover de pui van Skinnboden, de huidenwinkel die zijn opgezette ijsbeer in de etalage een regenboogsjaaltje heeft omgehangen.

De 112-campagne blijkt een reactie te zijn op de dood van Job. Na iedere fatale ontmoeting tussen een mens en een ijsbeer scherpt het eilandbestuur de regels aan. De nieuwe verordening: buiten de bebouwde kom van Longyearbyen waag je je alleen met een geladen én ontgrendeld geweer, schietklaar.

Voor ‘Wat te doen met een uit noodweer gedode ijsbeer?’ bestaat een protocol. In de regel wordt de vacht (met de geprepareerde kop eraan vast) tijdens café-avonden in Longyearbyen geveild. De opbrengst gaat naar een goed doel. Vroeger werd het vlees in diepgevroren hompen verdeeld onder ouders met kinderen, maar tegenwoordig gaat het naar de restaurants. Gemiddeld gebeurt dit tweemaal per jaar, met uitschieters naar negen (in 1987) en vier (in zowel 2016 als 2020).

Op de standaardprocedure voor de afhandeling geldt één belangrijke uitzondering. Indien de uit zelfverdediging gedode beer mensenvlees tot zich heeft genomen (zoals Snow), al is het maar één hap, dan belandt het kadaver niet bij de slager, maar in de verbrandingsoven.

De reden? Wij zijn geen kannibalen. Mensen eten geen soortgenoten, ook niet indirect – zover heeft de beschaving ons gebracht.

* * *

Op Spitsbergen, zo wil het gezegde, slaap je niet met een geweer onder je kussen. Je slaapt met een kussen onder je geweer.

* * *

Justyna uit Gdańsk is handig met vuur. Van stukken drijfhout breekt ze splinters af die ze aansteekt met brandende repen wc-papier. Michelle is al gaan slapen, Vera en ik zijn van plan zo lang mogelijk op te blijven.

Ik heb thee gezet in het keukentje. De overige twee campinggasten – de Duitse geoloog en een Finse kajakgids – nodig ik ook uit bij het vuur. Ze bedanken beleefd, al houd ik niet alleen een thermoskan omhoog, maar ook een fles limoncello van de taxfree.

De Duitser groet en glimlacht. Zwijgt.

De Fin heet Tuomas. Uren aaneen brengt hij op het water door, peddelend zonder handschoenen. Zijn stem is zacht kabbelend van toon, maar wat hij zegt klinkt stoer. Bijvoorbeeld dat hij sneller kan roeien dan een ijsbeer kan zwemmen. ‘Maar niet bij tegenwind, en ook niet als ik de getijdenstroom tegen heb.’

Tuomas heeft een vergunning aangevraagd voor het dragen van een revolver. Nu hij klaar is met het ophangen van zijn wetsuit aan een waslijn, beeldt hij uit hoe lastig het is om een wapen met een lange loop te hanteren als er achter je rug een ijsbeer zwemt. Met een revolver ben je wendbaarder.

Ineens schiet het door mijn hoofd: drie Duitsers, een Fin, een Noor en een Italiaan... Was Tuomas een van de zes overlevenden van vorig jaar – de Fin?

Een hoofdknik. ‘Dat is waarom ik hier terug ben.’

We zien hem wegkijken, de zon staat laag boven de besneeuwde bergen, zijn haren kleuren oranje. Hij begint over een dobbelsteen. Het lot van Job had hem evengoed kunnen treffen.

Ze waren wakker geschrokken van een schreeuw. Het was ieder voor zich. Wat je doet als een ijsbeer iemand uit zijn tent trekt? Je wurmt je uit je slaapzak, je rent, je kijkt om, halfnaakt, je schreeuwt. Alle zes schuilden bij het campinggebouw. De een pakte een geweer uit de wapenkluis, de ander belde het noodnummer van de eerste hulp. Wie van hen de schutter was, wil Tuomas niet zeggen. Onderling hebben ze afgesproken om dat in het midden te laten, als een gedeelde verantwoordelijkheid.

Zodra de aangeschoten beer zich al kreupelend uit de voeten had gemaakt, waren ze op Job af gerend. Hij was al buiten bewustzijn. Met z’n tweeën probeerden ze hem nog te reanimeren. Na een kwartier arriveerde de ambulance, op de voet gevolgd door de gouverneur.

Later die dag zaten ze in een kring in de kerk. Gejankt hadden ze, maar ook gelachen. Het absurde was: drie dagen tevoren waren Tuomas en Job nog getuige geweest van het verjagen van een ijsberin met twee welpen. Ze liepen van Longyearbyen naar de camping toen er een helikopter boven de haven verscheen. Aan de overkant van de baai zagen ze de berenfamilie lopen, vanuit de lucht werden die een voor een aangeschoten met een verdovingspijl. De helikopter landde, de witte dieren werden op oranje, kuipvormige brancards gerold en meegenomen, om ergens ver weg bij een van de gletsjers te worden gedropt.

‘Maar niemand had in de gaten dat er víér beren in de baai waren.’

Dat Tuomas als overlevende is teruggekeerd naar Longyearbyen Camping is een vorm van traumaverwerking. Van zichzelf móét hij hier in hetzelfde blauwe tentje slapen dat hij vorig jaar ook had.

We vragen wat hij ziet als hij zijn ogen sluit.

‘Dan komt alles terug.’

Omdat hij de vorige nacht bijna niet heeft geslapen, wil hij nu vroeg naar bed. ‘It’s brainstuff’, zegt hij.

* * *

Bosun en Fersin liggen languit op de keien bij ons kampvuur. Geef je ze een aai, dan tillen ze een ooglid op. We kijken naar de zon die rakelings boven de horizon is opgehouden met zakken, en nu zijwaarts glijdt.

Kort na middernacht heeft Justyna haar grijs-witte camouflagetentje opgezocht.

Dat het donker uitblijft, wil niet zeggen dat ook de vermoeidheid uitblijft. Om half 3 in de nacht doven we het vuur. Controleren de accu van het schrikdraad. Poetsen onze tanden.

We lachen om onze gloednieuwe zaklamp – een nutteloze aanschaf. Ook in de tipi is het licht. Toch willen we onze ogen niet bedekken met de in plastic verpakte blinddoekjes (‘slaapmaskers’) die we van Norwegian Air hebben gekregen. In plaats van elkaar welterusten te wensen, praten we over een tweedelig filmpje waarop ijsberen terugdeinzen voor schrikdraad. Jouke Prop en Eva Wolters, een poolkoppel uit Groningen dat de eieretende Lady Gaga heeft gefilmd, beschermen hun bivak al jaren zo. Op YouTube laten ze zien dat het werkt: een ijsbeer loopt op hun tentenkamp af, snuffelt aan een van de draden, stuikt van schrik door zijn achterpoten (!) – en druipt af.

De stem van Eva blijft rustig wanneer op een ander moment een ijsberin met twee welpen op het kampement afkomt. Het moment van de waarheid vangt aan op seconde 45, wanneer de moeder in beeld verschijnt.

‘One of the poles is tested. Oof, a shock.’ (55’’)

‘She is hesitating what to do next and waits for her cubs to come.’ (59’’)

‘Now there are three curious bears, attempting to approach the tent.’ (1’04’’)

‘But this is not an easy enterprise.’ (1’12’’)

‘Maybe underneath the strings? No! Another shock.’ (1’20’’)

‘Mother is ready to leave the spot, but one of the cubs wants to try as well. Bad luck! And now, all of them know, this is not the place to be.’ (1’30’’)

Alles wat Eva in het filmpje benoemt, sluit aan bij wat je ziet. Al spreekt ze Engels met een Nederlands accent, dit moet in de buurt komen van wat deze ijsberen ervaren.

En toch. Stellen ijsberen zich vragen? Schatten ze iets in als makkelijk of moeilijk? Kennen ze de categorieën pech en geluk?

Wat ook niet helpt om de slaap te vatten: je hardop afvragen of Job misschien nog een bewegende schaduw op zijn tentdoek heeft gezien.

* * *

We worden wakker geroepen door Michelle. ‘Walvissen in de baai!’ Het is 5 over 7. Heb ik geslapen? Ja, twee uur. Heeft mijn dochter geslapen? Amper. Steeds als ze dacht geritsel te horen, schoot ze recht overeind.

Als ik mijn hoofd naar buiten steek, zie ik Tuomas naar zijn kajak rennen. Even later, staande aan de vloedlijn, zien we hem meepeddelen met een school vinvissen. Aan het grijze zeewater ontspringen fonteinen. Op elke spuit volgt het ritmische opduiken van een gladde zwarte rug, gevolgd door een vin. Van kop tot staart meten vinvissen 20 meter, ze eten plankton en zijn zo zen als wat.

* * *

Ik maak een afspraak-op-afstand met de ijsberenman van het Norsk Polarinstitutt. Als raadgever in ijsbeerzaken was Jon Aars op 28 augustus 2020 meteen naar de plaats delict geroepen. Aan hem de taak het denkbeeldige laken weg te slaan en het slachtoffer op de parkeerplaats te identificeren.

Nog diezelfde dag berichtte Svalbard Posten over de lijkschouw. De dode beer die met schotwonden bij de luchthaven was aangetroffen, kwam voor in de databank van het poolinstituut. Het ging om een jongvolwassen zoon van ijsberin #22392 (Frost uit de Noorse documentaire Queen without land). Aars kon uit de familiestamboom aflezen dat een oudere halfbroer van Snow in 2015 een vergelijkbaar lot had getroffen. Deze naamloze beer was met een pistool beschoten door een Tsjechische wildkampeerder aan het Tempelfjord, waarna de politie het dier had moeten afmaken.

null Beeld Tzenko Stoyanov
Beeld Tzenko Stoyanov

Bij de verklaring publiceerde Svalbard Posten een foto van Snow in een beekje van smeltwater, tegenover de haven van Longyearbyen. Hij was daar op 26 augustus: minder dan twee etmalen voor zijn dood. Beer nummer vier, een eenzaam mannetje dat wél was gespot maar niet verdoofd en verplaatst.

Jon en ik ontmoeten elkaar noodgedwongen via Skype. De ijsbeerexpert mag dan in Longyearbyen zijn, hij is in thuisquarantaine voor een aanstaande expeditie met de ijsbreker Kroonprins Haakon. Aars en zijn collega’s tellen ijsberen, hun census is een belangrijke graadmeter voor hoe het met ze gaat.

‘Sterke toename ijsbeerpopulatie’, was eind 2015 de uitkomst van de jongste inventarisatie. Die zomer telde het Noorse Poolinstituut 975 ijsberen op en rond Spitsbergen, tegen 685 in 2004. Hoewel de zee-ijsbedekking in de tussenliggende periode als ‘matig’ werd geclassificeerd, bevonden de beren zich ‘in een goede conditie’.

Nog zijn de menselijke bewoners in de meerderheid, maar de ijsberen zitten hen getalsmatig op de hielen.

Homebodies die te dicht bij de nederzettingen Longyearbyen of Barentszburg komen, krijgen niet alleen een helikopterlift in verdoofde toestand, er wordt ook dna bij ze afgenomen. Jon of een van zijn collega’s tatoeëert een nummer aan de binnenkant van hun bovenlip. IJsberinnen (she-bears) krijgen een elektronische halsband omgehangen die elke twee uur een gps-signaal doorstuurt.

Jon Aars draagt een roodbruin houthakkershemd. We zitten allebei ongeschoren achter ons scherm op vijf minuten loopafstand van elkaar.

Ik vraag hem waarom hij alleen de she-bears volgt. Blijkbaar heb ik onbedoeld een bepaalde suggestie gewekt, want Jon schiet meteen in de lach.

‘De nek van een mannetje is dikker dan zijn kop, waardoor zo’n halsband niet blijft zitten.’

Ter zake. ‘Gaat het nou goed of slecht met de ijsbeer?’

‘We zien wereldwijd geen afname van de aantallen, eerder een lichte toename.’

Op Spitsbergen neemt de populatie onmiskenbaar toe. Jon Aars spreekt van ‘een invasie’. De dieren banjeren de nederzettingen binnen. Rond de kerstdagen van 2018 en op Nieuwjaarsdag 2019 liep er tot tweemaal toe een ijsbeer door de vrolijk verlichte straten van Longyearbyen. Omdat de gouverneur dacht dat het om twee visites van dezelfde beer ging, liet hij het dier doodschieten.

‘Dat is de regel bij wat wij een ‘probleembeer’ noemen.’ Jon krabt met zijn handen aanhalingstekens in de lucht.

‘Maar het was geen recidive?’

‘Nee, we kregen binnen een week bezoek van twee verschillende beren.’

Ik zie Jon aan de mouwpunten van zijn overhemd trekken, eerst links, dan rechts. Hij vraagt me of hij er even een kop koffie bij kan pakken.

Ik zit in de eetzaal van Mary Ann’s Polar Rigg in Longyearbyen, en doe hetzelfde. Eerder dan gepland (direct na onze eerste kampeernacht) hebben we onze intrek genomen in een verwarmde kamer in dit barakkenhotel. Vera had zich onveilig gevoeld onder het tentdoek, en ik eigenlijk ook.

Wanneer John weer in beeld schuift, vraag ik of de ijsbeer hem nog wel eens verbaast.

Twee ijsbeerwelpen. Beeld Frank Westerman
Twee ijsbeerwelpen.Beeld Frank Westerman

‘Ja’, zegt hij. ‘Laatst nog.’ Zijn digitale kaart gaf aan dat een van zijn berinnen een nieuw record langeafstandszwemmen had gevestigd. Ik moet weten dat hun halsbanden behalve de locatie ook iedere twee uur de temperatuur doorseinen, waaruit hij kan afleiden of een ijsbeer buiten rondloopt óf -zwemt. Het besef dat ursus maritimus óók een zeedier is, drong nog eens extra tot hem door toen hij zag hoe ver ze kunnen zwemmen. ‘Tot 300 kilometer aan één stuk.’

Zulke zwemafstanden staan haaks op het idee dat de homebodies door het smelten van het poolijs zijn gedrost, als matrozen op een schrale, vijandige kust. Maar nu blijkt dat de langeafstandszwemmers de oversteek gewoon blijven maken; de splitsing in twee groepen is minder absoluut dan werd aangenomen.

Ik vraag Jon hoe klimaatverandering eruitziet vanuit het perspectief van de ijsbeer.

‘Ik weet niet of ik de vraag begrijp’, zegt hij.

Ik geef hem bedenktijd.

Jons hand strijkt over zijn dunne baard. ‘IJsberen proberen graag nieuwe dingen uit. Ze leren snel. Sneller dan honden.’

Hij geeft een voorbeeld van een berin die haar welpen voorging bij het inbreken in een cabin – gedrag dat haar nakomelingen sindsdien feilloos kopiëren, zodat niemand nog eten in zijn buitenhuisje kan achterlaten. Geregeld krijgt de politie inbraakmeldingen, die dan blijken te zijn gepleegd door beren.

‘Zijn ijsberen intelligent?’

‘Mwah. Ik heb met ratten gewerkt. Die zijn veel intelligenter. IJsberen zijn opportunisten.’ Hun grote aanpassingsvermogen helpt ze bij de intredende dooi. Nu er steeds minder ijsranden overblijven waar zeehonden zich laten vangen, tonen de beren zich niet kieskeurig. Zeewier? Kwal? Eieren?

‘Het hele arctische ecosysteem is op zoek naar een nieuw evenwicht’, zegt Jon.

Zodra ik Snow ter sprake breng, onderbreekt hij me. ‘Ik maak geen gebruik van zulke mediagenieke namen.’

Jazeker, hij was het die ‘the individual that you call Snow’ had geïdentificeerd. Maar Jon voelt zich te zeer een wetenschapper om zich te wagen aan uitspraken over de belevingswereld van dit specifieke dier.

Na enig aandringen wil hij één observatie kwijt over ‘the individual that you call Frost’ – en dat is dat ze elke drie jaar twee jongen grootbrengt die zonder vrees op de mens afkomen. Dat een van haar zonen een Tsjechische kampeerder aanviel en een andere een Nederlander doodbeet, heeft Jon niet verbaasd. Het menu van de ijsbeer wordt almaar gevarieerder.

‘Ik heb collega’s die tijdens het veldwerk gerust in een tent slapen’, zegt hij. ‘Ze zetten er schrikdraad omheen of ze spannen een struikeldraad die vuurwerk doet afgaan zodra er een beer tegenaan loopt. Maar zelf overnacht ik dus niet in een tent.’

* * *

Mijn zus appt: ‘Ga je achter ijsberen aan? Niks doodschieten hè. Doe maar alsof.’

Zojuist heb ik op Instagram bericht dat we een ijsbeerverdedigingscursus krijgen van een Poolse ex-marinier. Op een schietbaan in de bergen.

‘Klopt het dat de ijsbeer altijd in z’n recht staat’, vraagt een vriend van me, ‘en dat de schutter zich moet verantwoorden?’

‘Zo is dat’, tik ik terug. ‘Hier op Spitsbergen geldt het recht van de sterkste.’

Terwijl ik een achteloze ;-) aan mijn antwoord toevoeg, dringt het tot me door hoezeer dit deugt. Een mens die een ijsbeer doodt gaat niet vrijuit. Je zult de sysselmestre (of als die twijfelt: de rechter) moeten overtuigen dat je geen andere keus had. Tot het tegendeel is bewezen ben je verdachte van een misdrijf. Kom daar maar eens om in Canada, waar ‘hobbyjagers’ gehurkt in de sneeuw poseren bij hun levenloze prooi, glimmend van trots.

* * *

De schietbaan ligt verscholen in de bergen. Als we uit de bedrijfswagen van Pole Position stappen, hijst Rafal eerst een rode vlag. Er hebben zich drie werknemers van een ingenieursbureau bij ons gevoegd, twee Italianen en een Noor, ieder met een wapen-van-de-zaak. We volgen onze instructeur naar een keet met brede deuren aan de achterzijde, die hij een voor een openklapt. Vanaf de plankenvloer heb je vrij uitzicht op een rij schietschijven bij de bergwand, 60 meter verderop.

Rafal begint bij een lesplaat aan de wand met daarop ijsberen in verschillende houdingen. We moeten hun lichaamstaal leren lezen. ‘If a bear is eating, don’t even think of shooting.’

Dat we geen biologiecollege krijgen, merken we bij afbeelding twee.

‘Als hij zijn tánden laat zien...’ Rafal maakt zijn zin niet af, hij klapt in zijn handen, schreeuwt, duwt ons opzij, zet drie, vier stappen naar voren en maakt zich groot.

‘You make him scary!’

Onze instructeur heeft zijn gewatteerde jas met Pole Position-logo aangehouden, hij draagt een zwarte muts en komt ook zonder stemverheffing imposant over.

Ik leg hem de stelling voor van de Nederlandse poolonderzoeker Maarten Loonen: ‘Als een ijsbeer je ziet, word je bejaagd.’

‘Bullshit’, zegt Rafal. Hij heeft beren gezien die zich domweg stonden te vervelen, en andere die hem nieuwsgierig aankeken. Een ijsbeer die je aanvalt, zegt hij tikkend op foto nummer drie, ziet er zó uit.

‘It’s running towards you. You don’t think. You take weapon.’

Het hart en de longen van de sprintende beer zijn omcirkeld. Maar Rafal is van mening dat we niet op die vitale organen moeten mikken. Daar heb je de tijd niet voor! Je schiet, herlaadt, je schiet, er gaan vier patronen in een Rüger, het is hij of jij, je hebt vier kansen.

Wat volgt is de veiligheidsinstructie. Die is belangrijk, omdat je een grotere kans loopt door je eigen wapen om te komen dan door een ijsbeer.

We oefenen met laden, ontgrendelen, richten. Er liggen oordoppen klaar van de firma Smith & Wesson. Dan mogen we, beurtelings, de trekker overhalen. Het is niet alleen de doffe, nagalmende knal die je de dodelijke kracht van je wapen doet ervaren, maar ook de terugslag van de kolf tegen je schouder. Al na de eerste vier schoten voelen Vera en ik dat we blauwe plekken oplopen.

Camping Longyearbyen. Beeld Frank Westerman
Camping Longyearbyen.Beeld Frank Westerman

Rafal verbetert onze houding, laat ons zitten (met het geweer op de knie) of staan (met de loop rustend op een onderarm). Na elk oefensalvo leggen we de geweren neer. Dan lopen we achter de oud-marinier aan naar buiten om van dichtbij te zien hoe ver we naast de roos hebben geschoten. Het valt hem, en ons, mee.

Nadat we ook rookbommetjes hebben afgeschoten met een alarmpistool (die in geen geval áchter de beer mogen neerkomen), zijn we toe aan de finale.

Een voor een moeten we klaarstaan met het geweer op de schouder. Zodra Rafal ‘Polar bear, 35 meters!’ roept, vuur je vier kogels achterelkaar af.

De Italiaanse Chiara mag als eerste.

‘Polar bear, 35 meters!’

We zien haar worstelen met haar wapen, aanleggen.

‘Schieten onder stress’, heeft Rafal de oefening genoemd. Maar wat hij er niet bij heeft verteld: dat hij de druk zal blijven opvoeren. ‘Polar bear, 25 meters!’

Er valt een schot.

‘Polar bear, 15 meters!’

Het herladen gaat minder soepel dan gehoopt.

‘Polar bear, 5 meters!’

Juist als Rafal ‘En stop maar!’ roept, vuurt Chiara nog een tweede kogel af.

Ik prent mezelf in dat ik géén rennende ijsbeer op mijn netvlies moet laten verschijnen. Dat ik alle handelingen rustig zal uitvoeren, onbewogen. Maar dan, eenmaal aan de beurt, pak ik mijn Rüger onhandig beet. De vloeiende beweging die ik in gedachten had lukt niet. Ik los mijn eerste schot pas bij ‘Polar bear, 15 meters!’

Herladen lukt niet. Het ligt niet aan mij, maar aan mijn geweer. ‘My gun is jamming!’, hoor ik mezelf zeggen.

‘It’s not!’, roept Rafal. ‘Polar bear, 5 meters!’ Hij grist het wapen uit mijn handen, ratsj-klak-beng!

‘It’s not jammed. You see.’

Hoewel niemand van ons erin slaagt zijn geweer leeg te schieten voordat de imaginaire beer ons te pakken heeft, krijgen we alle vijf ons brevet.

Even later, terwijl Rafal ons in zijn terreinwagen terugrijdt naar Longyearbyen, geeft hij zijn visie op de verhouding mensen/ijsberen. ‘Eens in de tien jaar doodt een ijsbeer een mens. Wij doden twee ijsberen per jaar. We are still winning.’

* * *

Buiten bij de houten gevel van de Svalbard Kirke staan twee crèmekleurige fietsen. De noordelijkste kerk ter wereld is een van de weinige bouwwerken in Longyearbyen die je mooi kunt noemen. Ossenbloedrode planken, een puntdak dat zo steil is dat er geen sneeuw op blijft liggen en een torenspits met een muts van leisteen.

Het kerkhof ontbreekt. Doden mogen op Spitsbergen niet worden begraven: de permafrost zou de lichamen te goed conserveren, om ze later, tijdens een periode van dooi, op een akelige manier prijs te geven.

Vera en ik trekken onze schoenen uit in de vestibule, bij een rek voor jachtgeweren. Over een krakende trap lopen we op leenpantoffels naar het schip van de kerk. De koster drukt ons een liedboek in handen. ‘Ook als jullie geen Noors spreken,’ zegt ze, ‘zing maar gewoon mee.’

Søndag 22 August 2021’ staat er op de liturgie. ‘Regenboogmis.’

Er is een organist, de trage tonen van zijn bladmuziek vullen de ruimte. Michelle en Tuomas de Fin zitten naast elkaar op de derde rij, we groeten elkaar met een hoofdknik.

De dominee draagt boven haar toga van rendierhuid een regenboogsjaaltje. Ze slaat de Bijbel open en leest uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs: ‘Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog.’

Tijdens de gebeden denk ik aan onze arctic wildlife-excursie eerder deze week, met de ms Bard. Diep in het IJsfjord, daar waar de Nordenskjøld-gletsjer zich gestaag in zee stort, had de kapitein ons via de luidspreker naar het panoramadek geroepen. We verdrongen ons aan de reling, dertig verticale robben gehuld in jassen met opgestoken kragen, die elkaar wezen op drie vlekjes halverwege een rotshelling. Het was Frost die daar lag te luieren, met haar twee welpen. We waren in stilte haar wereld binnengevaren. Door onze verrekijkers zagen we hoe ze loom haar kop optilde. Ze had ons allang geroken, maar nu keek ze ons aan. Wat hield haar op dat moment bezig? Dat we onbereikbaar waren, als snack?

‘Kunnen we dichterbij komen?’, vroegen we aan de gidsen. Dat ging niet: één afkalvend brok gletsjerijs kon zoveel deining veroorzaken dat we over de reling zouden slaan. In dat geval konden we ervan op aan dat Frost en haar welpen zich direct tussen de drenkelingen in de ijskoude zee zouden werpen.

Een geprepareerde ijsbeer. Beeld Frank Westerman
Een geprepareerde ijsbeer.Beeld Frank Westerman

Vera voelde ontzag. Ik keek mee in de zoeker van een Oostenrijkse natuurfotograaf die een telelens van een halve meter op zijn camera had geschroefd.

Je inleven in een ijsbeer was niet onmogelijk, maar had zijn beperkingen. De beperking lag bij ons, als soort. Projectie, zien wat je wilt zien, schoof hinderlijk als een lens voor ons vermogen tot zuivere empathie. De ijsbeer veranderde dan in een knuffeldier, een monster, een jachttrofee, een slachtoffer van de CO2-uitstoot, ofwel een dier dat we ieder voor ons eigen karretje spanden – net als de honden.

’s Avonds in Mary Ann’s Polar Rigg bekeken we de stipjes op onze foto’s. Bij de maximale uitvergroting kon je de contouren van een ijsberenfamilie herkennen. ‘Kijk!’

Nu herdenken we Job en Snow. Een voor een lopen we naar voren. We steken een kaarsje aan dat we in een grote, ronde kandelaar plaatsen. Er schiet me een tweet te binnen van een vriendin van Job:

Job is dood. En ik huil en ik lach tegelijk omdat er geen Job-iger dood is dan vermoord worden door een fucking ijsbeer.

Maar waarom, in hemelsnaam, moest ook Snow dood? Ik pak er een tweede kaarsje bij en probeer me Job voor te stellen als mensenoffer. Er vallen druppels kaarsvet op de tegelvloer. Als wij het afsmelten van de poolkappen niet kunnen stoppen, past ons dan niet op z’n minst een verontschuldiging? Een ritueel van ootmoed, een gebaar van ons als soort aan de ijsbeer: een offer?

Wanneer iedereen weer zit, volgt de slotbede en het collectief gemompelde Onze vader.

We zijn in een tijdperk beland, het veelbesproken antropoceen, waarin de menselijke voetafdruk het (overige) leven op aarde vertrapt. Ooit zijn we heengegaan en hebben ons vermenigvuldigd, maar dat is uit de hand gelopen, ónze populatie is te talrijk geworden. Zeven-komma-zeven miljard zielen, en elke dag komen er meer dan tweehonderdduizend bij. Waar is het evenwicht?

‘Amen’, zegt de dominee.

De liturgie besluit met ‘3 x 3 klokkeslag’ – ver dragende klanken die boven het fjord verwaaien op het moment dat de kerk uitgaat.

Frank Westerman: Te waar om mooi te zijn, verschijnt bij Querido Fosfor op 5 april 2022.