Hoe de mens de zee liet komen en gaan

De Zuiderzee en het Waddengebied hebben een geheel eigen geschiedenis. Ook in kaarten...

Wat zou er met Nederland zijn gebeurd als het nooit bewoond was geweest? Een belangrijk deel zou ongetwijfeld in zee zijn verdronken. Maar hadden we dan een Zuiderzee gehad?

Misschien niet.

Omstreeks het begin van onze jaartelling bestond het land achter de Noord-Hollandse duinen uit veen en zoetwaterplassen, en werden de hoger gelegen delen bewoond. Het veen werd ontgonnen, het water afgevoerd. Het maaiveld klonk in en daalde. Veenplassen namen bezit van het land en veranderden in meren.

Halverwege de 9de eeuw rukte de zee op en ontstonden er eilanden en zeegaten bij Texel. Bij stormvloed bereikte het wassende water via de zeegaten de veengebieden, waar de bewoners dijken en terpen begonnen op te werpen tegen de zee. In 838 leidde een stormvloed tot een enorm verlies aan land in het gebied van het zogeheten Flevo Lacus, het Aelmere, zoals het later in vroegmiddeleeuwse kronieken zou worden genoemd: het grote meer.

‘Het landverlies’, schrijft de cartograaf Erik Walsmit in Spiegel van de Zuiderzee, ‘had voornamelijk te maken met de menselijke occupatie. Door ontginning van het veen daalden deze gebieden met enkele meters.’ In de 12de eeuw volgt de ene stormvloedramp in Noord-Holland na de andere. En verandert het Aelmere, een verzameling grote meren, in de Zuiderzee.

Spiegel van de Zuiderzee omvat de complete geschiedenis en cartobibliografie van de Zuiderzee en het Hollands Waddengebied. In het kloeke boekwerk – een kilo of 4 zwaar – worden voor het eerst alle gedrukte nautische kaarten van deze gebieden beschreven, van 1583 tot de voltooiing van de Afsluitdijk in 1932. Het is dus een echt pioniersproject. Vier auteurs hebben het prachtboek samengesteld in nauwe samenwerking met medewerkers van het onderzoeksprogramma URU-Explokart aan de faculteit geowetenschappen van de Universiteit Utrecht. Het bevat ruim 130 gekleurde kaarten en andere afbeeldingen die met zeevaart, kustbeveiliging en overstromingen te maken hebben.

Veel watersnoodrampen vind je erin terug. Zoals: de Allerheiligenvloed van 1570, de Sint-Pietersvloed van 1651 en de verwoestende watervloed van 1825, die drie dagen lang door een noordwesterstorm met springtij in de Zuiderzee werd geperst, waardoor heel Waterland tot aan Purmerend werd overstroomd, de Zuiderzeedijk in Overijssel brak, en de schadelijke gevolgen tot in Friesland voelbaar waren. De mondiale klimaatverandering van 1750, met een zeespiegelstijging van 5 tot 10 cm per eeuw, was toen al ingezet, maar die wordt niet als voornaamste oorzaak gezien van alle waterellende.

De maatregelen die in de 19de eeuw na de stormvloed van 1825 werden genomen voor de kustbeveiliging, waren enorm, schrijft Walsmit. Ze zijn te vergelijken met de Deltawerken na de ramp van 1953: in Noord-Holland en Friesland ontstond een ware hausse aan indijkingen voor landwinning en bescherming tegen de zee.

Indijkingen en drooglegging waren trouwens al eeuwenlang een vertrouwd verschijnsel in het Zuiderzeegebied. Op Texel werden al in de 15de eeuw kleine gebieden ingedijkt. Op oude kaarten kun je dat zien. Op andere kaarten is te zien hoe er in de loop der eeuwen zeegaten ontstonden, vloedgeulen tussen Aelmere en de Noordzee, en hoe eilanden als Schokland en Urk onder invloed van de ontginnende mensenhand en de zee krompen tot benepen stukjes grond met water eromheen.

De Zuiderzee bracht niet alleen stormvloeden naar het land, maar zorgde ook voor grote economische bedrijvigheid. De visserij en de handel bloeiden op. De zee werd in de Middeleeuwen ‘een kruispunt van waterwegen’ met internationaal belangrijke zeehavens als Zutphen, Kampen, Deventer en Zwolle. Een vaarwegenkaart van Christiaan ’s Grooten uit 1573 laat zien hoe de schepen van de Noordzee naar de Zuiderzeehavens voeren: ‘de binnenkomende scheepvaart hield vanaf het Marsdiep stuurboordswal langs de zandplaten van de Vogelrand en de Nes tot aan het Wieringer Vlak, waar de stroom naar het zuiden begon af te buigen.’ Gaandeweg raakten de havens in verval en werd Amsterdam in 1500 de belangrijkste Zuiderzeehaven.

‘De verovering eener nieuwe provincie’ was het belangrijkste oogmerk om de Zuiderzee af te sluiten en gedeeltelijk droog te leggen. Maar het zou lang duren voordat het laatste gat in de Afsluitdijk werd dichtgemaakt. ‘Grote infrastructurele projecten’, schrijft de sociaal-geograaf Ben de Pater, ‘lijken per definitie in Nederland tot onenigheid te leiden.’ Zo ging het met de hsl en de Betuwelijn, zo ging het ook met de afdamming en inpoldering van de Zuiderzee. Het eerste serieuze ontwerp verscheen in 1848. Vele plannen en 84 jaar later was de Afsluitdijk – dankzij minister Cornelis Lely – een feit en kon er met de inpolderingen worden begonnen. Heel herkenbaar is trouwens ook wat er met de kostenramingen gebeurde: in 1918 bedroegen die nog 222 miljoen gulden, in 1930 waren ze gestegen naar 1 miljard.

Meer over