beeldende kunst

Hoe de ‘bijbel van de kunstgeschiedenis’ symbool staat voor het westerse perspectief

null Beeld Annabel Miedema
Beeld Annabel Miedema

Het monumentale naslagwerk History of Art van Horst Woldemar Janson (1913-1982) bestaat zestig jaar. Hoe kon dit gebrekkige boek zo lang toonaangevend zijn?

Rutger Pontzen

Alleen al de omvang dwingt respect af: 1.184 bladzijden dik en bijna 4,5 kilo zwaar. Dit moet wel een gezaghebbend boek zijn. De ‘Janson’ – voluit: History of Art. A Survey of the Major Visual Arts from the Dawn of History to the Present Day – werd voor het eerst gepubliceerd in 1962 en is inmiddels toe aan zijn achtste editie. Het monumentale naslagwerk van Horst Woldemar Janson (1913-1982) was lange tijd een begrip in de kunstwereld, een must voor zowel professionals als geïnteresseerde liefhebbers – de bijbel van de kunstgeschiedenis.

Niet alleen dat. Het gigantische overzichtswerk staat symbool voor hoe we in het Westen lange tijd de kunsthistorie hebben gezien: als een proces dat zich even rechtlijnig als noodzakelijk ontrolde. Van de oude Grieken, via de duistere Middeleeuwen en de sublieme Renaissance, naar de chaotische moderne tijd. Van Phidias, Giotto en Michelangelo tot Cézanne, Picasso en Duchamp. Een canon van artistieke topprestaties, chronologisch geordend op periode en stijl, precies zoals je dat in vele musea nog tegenkomt. Want de Janson was niet alleen een leidraad voor aankomende kunsthistorici en academiestudenten, maar ook voor menig museummedewerker.

De mannelijke, westerse, witte blik

Dit jaar is het boek zestig jaar oud en de schrijver veertig jaar dood, decennia waarin Jansons magnum opus werd bejubeld en stukgelezen, maar ook verguisd; waarin de inhoud werd gereviseerd en het belang gerelativeerd, zo niet verworpen. Want ja, het boek was toch ook een product van de mannelijke, westerse, witte blik, een dominante kijk die velen had gevormd en waartegen anderen hadden geageerd.

null Beeld Annabel Miedema
Beeld Annabel Miedema

Waar waren de vrouwelijke kunstenaars? Waarom besteedde Janson, hoewel de ondertitel ‘Wereldgeschiedenis van de kunst’ luidde, geen aandacht aan Afrikaanse kunst, kunst uit Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië, kunst van Aboriginals of oorspronkelijke en Afro-Amerikanen? Was het overzicht niet te veel een ‘grande parade’ van excellente kunstwerken en geniale kunstenaars, met weinig aandacht voor de maatschappelijke en politieke context waarin al deze artistieke hoogstandjes waren gemaakt?

Hoe is dit standaardwerk tot stand gekomen? Wat beoogde Janson? Wat zegt zijn boek over de hardnekkigheid van de eurocentrische benadering? En waarom is zijn theorie zo lang dominant gebleven in de manier waarop sommigen naar kunst keken en anderen nog steeds naar kunst kijken?

Naar Amerika gevlucht in 1935

Janson werd geboren uit Duits-Zweedse ouders in St.-Petersburg, verhuisde via Finland naar Duitsland en vluchtte vanuit daar tijdens de opkomst van het nazisme naar de Verenigde Staten. Hij was als 22-jarige een nog jonge, gedreven, maar weinig bekende kunsthistoricus die banden had met historici die wél beroemd waren, zoals de eminente iconograaf Erwin Panofsky en Alfred Barr, directeur van het Museum of Modern Art in New York.

Het idee voor een alomvattend kunsthistorisch overzicht ontstond toen Janson in 1936, een jaar na zijn aankomst in de Verenigde Staten, in de Worcester Art Museum School een 26-delige lezingenreeks gaf over kunst van ‘het begin van artistieke expressie’ (de prehistorie) tot ‘moderne architectuur’. Het bleek een vingeroefening voor het latere, grotere werk, zijn History of Art.

Belangrijk te weten is dat Janson zijn boek in de eerste plaats schreef voor een Amerikaans publiek. Hij schatte in dat jaarlijks zeker vijftigduizend studenten behoefte hadden aan ‘basale kunsthistorische teksten’ – een potentieel aan lezers én kopers dat bovendien, volgens hem, te weinig besefte dat de oorsprong van de kunst buiten Amerika lag en dat de kunstgeschiedenis eeuwen eerder was begonnen dan de Verenigde Staten oud waren. Jansons uitspraak ‘Amerika heeft geen ruïnes’ sprak boekdelen. Hij moet het als zijn opdracht en heilige plicht hebben gezien om die ruïneloze en cultuurarme Amerikanen enige beschaving en een notie van geschiedenis bij te brengen.

null Beeld Annabel Miedema
Beeld Annabel Miedema

Europa als bakermat van de goede smaak

Voor Janson, van kinds af aan opgevoed en opgeleid met het Duitse idee dat kunst cultuur is en cultuur Bildung, kon de oorsprong van die Bildung alleen in Europa liggen, de bakermat van artistieke smaak en kwaliteit. Vooruit, om zijn historisch overzicht een introductie te geven, liet hij de westerse geschiedenis beginnen in de grotten van Lascaux, Mesopotamië en Egypte, maar enkel als aanzet tot wat hij als de eerste hoogtepunten van de hele geschiedenis zag: de klassieke tempels en marmeren beelden in het oude Griekenland.

De holistische hang van Janson om een Big History van de kunst te schetsen, met een uitgebreide tijdlijn en honderden plaatjes (grotendeels in zwart-wit), staat niet op zichzelf. Denk aan zijn oudere, Oostenrijks-Britse collega Ernst Gombrich, die al in 1950 zijn The Story of Art schreef. Of aan de dertiendelige BBC-serie Civilisation uit 1969, waarin Sir Kenneth Clark de Europese beschaving behandelt met de ‘Grote Mannen-benadering’ van geniale kunstenaars en architecten, zoals de kritiek later luidde. Of aan Jacob Bronowski’s, eveneens dertiendelige tv-programma The Ascent of Man uit 1973, over wat de mens van het dier onderscheidt en hoe ‘we’ ons van aangespoelde zilvervisjes hebben weten te ontwikkelen tot mensen, ‘nature’s unique experiment’ zoals hij het noemt.

Ook Jansons History of Art is in opzet een darwinistische evolutiegeschiedenis van hoe het de mens is gelukt om zich van beginnende grottenkrabbelaar op te werken naar de ‘geniale’ hoogte van Da Vinci, Rembrandt, Picasso en Warhol. Voor Janson waren bepaalde kunstwerken in die evolutie ‘onmisbare’ artefacten van een sublieme inspiratie en creativiteit, vergelijkbaar met ‘het scheppingsverhaal zoals verteld in de Bijbel’.

Een boek met vele tekortkomingen

Janson wilde ‘een geschiedenis van stijlen en van stilistische veranderingen’ bieden, zoals hij in die eerste editie uitlegde, met een formalistische benadering op grond van kleur, vorm, materiaal en techniek. Het verhaal liep van de Oude Grieken tot aan de moderne tijd. De mondialisering van de kunst, de dekolonisatie van Afrika en Azië, aandacht voor andere culturen, de opkomst van het feminisme, de groeiende linkse visie die werd vertolkt door de Duitse Frankfurter Schule en Franse Rive Gauche-filosofen, ontwikkelingen die in al de jaren zestig actueel waren – tot aan de zevende editie in 2006 kreeg dat alles weinig tot geen aandacht in het boek.

Oké, in de ondertitel werd het woord ‘wereldgeschiedenis’ vervangen door ‘westerse geschiedenis’. En ja, in de achtste en laatste ‘geheel gereviseerde’ editie is werk van zo’n twintig vrouwen te zien, plus acht pagina’s multiculturele kunst, twee bladzijden over sociale fotografie en mondiale kunst, één over feminisme, één over Afrikaans-Amerikaanse kunst, amateurkunst en textiel – een minimaal aantal op een omvang van meer dan duizend pagina’s.

De Mona Lisa van Leonardo da Vinci. Beeld Getty
De Mona Lisa van Leonardo da Vinci.Beeld Getty

Ondanks alle kritiek is de opzet van het boek in zijn 60-jarige bestaan nooit echt veranderd. De geijkte indeling in perioden en stijlen – van rondboog naar spitsboog – bleef behouden. Zo blijft het belang van geld en opdrachten tijdens de Renaissance onderbelicht, net als de invloed van het Concilie van Trente voor het ontstaan van de Barok. Het kubisme heeft niets te maken met fragmentatie van het 20ste-eeuwse wereldbeeld, het impressionisme niets met de opkomst van de burgerij in Frankrijk en het instorten van het Napoleontische Frankrijk.

Feminisme en marxisme waaien wel over

Janson en de latere auteurs zagen de kunstgeschiedenis als een autonome ontwikkeling, waarin latere kunstenaars op hun eerdere vakbroeders reageerden, waarin de opkomst van nieuwe materialen en technieken (beton, skeletbouw, fotografie, olieverf in tubes, et cetera) of het belang van de kunsthandel een bescheiden rol speelden.

Janson zelf wilde er ook niet aan. Net zo min als zijn zoon, die gaandeweg de regie overnam. Zo legt Janson jr. in de zesde editie uit dat het feminisme een tijdelijk fenomeen was dat zo maar weer kon overwaaien, en het dus niet de moeite waard was om daarvoor je hele boek aan te passen. Hetzelfde gold volgens hem voor de marxistische visie. Plaats voor andere benaderingen, laat staan andere ideologische zienswijzen: het duo Janson & Janson moest er niets van hebben.

Dat wantrouwen zat diep. Want waren het juist niet de ideologieën zoals het Duitse nazisme en het Russische communisme die de wereld naar de verdoemenis hadden gebracht, toen ‘de wetenschap in dienst stond van politieke, dictatoriale doelen’, zoals Janson jr. verzuchtte?

null Beeld Annabel Miedema
Beeld Annabel Miedema

Dogmatisch, paternalistisch, megalomaan, arrogant

Kenneth Clark had het in zijn BBC-serie Civilisation al geconcludeerd: ‘de morele en intellectuele mislukking van het marxisme’ en ‘het heroïsche materialisme’ (van de 20ste eeuw) stonden de beschaving in de weg. En daarmee de ontwikkeling van ‘creatieve kracht en het vergroten van het menselijk vermogen’. Ergo: geestelijke en individuele vrijheid waren de enige voorwaarden voor artistieke ontwikkeling en vooruitgang.

Voor Janson zal het niet anders zijn geweest. In de jaren dertig vluchtte hij voor het nazigeweld naar de Verenigde Staten, het land dat na de oorlog op zijn beurt weer vijandig stond tegenover het communisme. Tegen die achtergrond kun je Jansons overzichtswerk ook bekijken: als kritiek op het totalitarisme en de Koude Oorlog-retoriek, als een pleidooi voor artistieke vrijheid en als een hulde aan het vrije Amerika, het land dat hij wilde opvoeden met zijn liefde voor de Europese cultuur en geschiedenis en waar hij zich liever Peter liet noemen dan Horst, want dat klonk te nazistisch.

Toch hebben de ‘open geest’ en het ‘veranderende perspectief’ die vader en zoon Janson in de verschillende edities meenden na te streven in hun overzichtswerk niet mogen beklijven. In wezen is de ‘Janson’ een dogmatisch boek. Paternalistisch, megalomaan, arrogant. Janson zag de kunstgeschiedenis als een estafetteloop waarin het stokje van de beste kunstenaars uit de ene tijd aan de volgende artistieke grootheid wordt doorgegeven – een aaneenrijging van het ene geniale kunstobject aan het volgende meesterwerk. Wie en wat in die canon niet paste, werd eenvoudig uitgesloten. Hoe kon het boek desondanks zo lang toonaangevend en leidend zijn?

null Beeld Annabel Miedema
Beeld Annabel Miedema

Een ander naslagwerk was er niet

Wellicht omdat het in zijn grondigheid en omvang het enige overzicht was dat ertoe deed. Hele generaties kunsthistorici, museummedewerkers en liefhebbers zijn ermee opgevoed. Zeker in Amerika, waar het boek dankzij uitgeverij Harry N. Abrams een enorm bereik en succes kreeg en een bestseller werd, vooral op universiteiten en academies, zo ook in Europa. Tijdens Jansons leven werden er maar liefst twee miljoen exemplaren van verkocht.

Komt bij dat wat er in musea aan de muren hing zo uit Janson afkomstig leek, als uitgescheurde pagina’s van zijn boek. Dat je gewend was om van de Renaissance-zaal naar die van de Barok te wandelen, en verder door naar de Rococo en het neoclassicisme, de moderne tijd tegemoet. Op zoek naar Da Vinci’s Mona Lisa, Rembrandts Nachtwacht en Warhols Marilyn Monroe, als het summum van het artistieke vernuft.

Die herkenning maakte elk museumbezoek plezierig en overzichtelijk, en Jansons kunsthistorische ordening onuitroeibaar. Het gemak en belang van zijn canon heeft er lange tijd toe geleid dat de indeling van de kunstgeschiedenis in perioden, stromingen en een trits bekende namen onwrikbaar bleef. Net als de witte, westerse, mannelijke kijk op de ‘wereldgeschiedenis’ van de kunst.

Hoe kun je anders verklaren dat de stem van de Guerrilla Girls, die al in 1984 voor de deuren van het Museum of Modern Art en tien jaar later bij het Stedelijk Museum in Amsterdam demonstreerden voor meer aandacht voor vrouwelijke kunstenaars, pas onlangs echt werd gehoord? Of dat er pas zo laat ruim baan werd gegeven aan kunstenaars met een andere dan westerse achtergrond? Aan outsider-kunstenaars? De aandacht voor textiel, keramiek, handwerk?

Zestig jaar Janson is niet ongezien voorbijgegaan.

Vrouwen in de kunst, H. W. Janson had er geen oog voor. Net zo weinig als voor zijn eigen vrouw, Dora Jane Janson, geboren Heineberg (1916-2002). Vijftien jaar schreef ze mee aan het kunsthistorische overzicht van haar man, Janson’s History of Art, maar verder dan een summiere naamsvermelding kwam het niet. Meneer Janson kreeg de honneurs, mevrouw Janson bekende dat ze haar carrière had ‘opgeofferd om kinderen op te voeden’. Een van hun zonen, Anthony, schreef ook mee aan Jansons boek. Hij werd wel bekend.

 Beyoncé en Jay-Z in de videoclip Apeshit. Beeld
Beyoncé en Jay-Z in de videoclip Apeshit.

Sanne Frequin, docent oude kunst, Universiteit Utrecht

Frequin begint haar collegereeks altijd met de videoclip Apeshit, waarin Beyoncé en Jay-Z optreden in hét bolwerk van de oude, westerse, witte kunstgeschiedenis: het Louvre in Parijs. ‘Een godsgeschenk. Het laat zien hoe problematisch de kunstcanon is, welke kunstenaars er wel en niet in zitten. Toch kun je ook weer niet zonder een kunsthistorisch canon. Wie waren Giotto en Rembrandt? Het is net zo belangrijk als de anatomie voor de geneeskunde. Basiskennis die wel moet worden aangevuld met andere visies.

‘Het boek van Janson zegt iets over de jaren zestig, de tijd van de ‘klassieke kunstgeschiedenis’ en de grote meesters. Toen was het nog relatief makkelijk om een overzicht te geven. Nu zijn er veel nieuwe vragen, over gender, over culturele achtergrond. Dat is te ingewikkeld voor een groot overzicht. Wij gebruiken hier Gardner’s Art Through the Ages, oorspronkelijk geschreven door een vrouw, Helen Gardner. Toch denken de meeste studenten dat deze Gardner een man is, omdat kunstgeschiedenis nu eenmaal iets is van oude, witte mannen.’

Peter de Ruiter, universitair docent moderne en hedendaagse kunst, Rijksuniversiteit Groningen

‘Janson heeft in Groningen een speciale status. In oktober 1981 gaf hij de allereerste Horst Gerson-lezing. Zijn overzicht werd hier vanaf omstreeks 1966 tot in de jaren zeventig intensief gebruikt. Een heilig boek. Zo’n groot encyclopedisch en gedetailleerd overzicht was er nog niet. Ongeëvenaard. Wel academisch. Te dik voor gewone liefhebbers. Janson had overduidelijk een westerse kijk. Daarna kwam de New Art History op, een fundamenteel andere benadering, mede door de opkomst van het feminisme en de semiotiek. Alles schudde op zijn grondvesten.

‘Generaties zestigers en zeventigers zijn met Janson groot geworden. Of daarmee het huidige museumbeleid in Nederland te verklaren is? Nee hoor. Rein Wolfs in het Stedelijk Museum is een haast links activistische inhaalrace aan het maken. Ann Demeester van het Frans Hals Museum toonde vrouwelijke, zwarte kunstenaars. Het Van Abbemuseum vaart al zo’n vijftien jaar onder Charles Esche een andere koers dan male, white chauvinist. Heel divers. Er gebeurt van alles waar Janson erg van op zou hebben gekeken.’

Anna Tummers, docent vroegmoderne kunst en theorie, Universiteit Leiden

‘Het woord ‘handboek’, zoals dat van Janson, suggereert neutraliteit. Dat is niet zo. In Leiden bestuderen we kunstwerken met veel aandacht voor een mondiaal perspectief, dwarsverbanden en diversiteit. Van kunst van uit slavernij bevrijde mensen in het Romeinse Rijk tot inheems-Amerikaanse esthetica. Leiden heeft specialisten op vele terreinen: vroeg-islamitische kunst, China, Japan, precolumbiaanse kunst. Vergeet niet dat de term ‘kunst’ een westers concept is. In India, Afrika, Japan gebruiken ze unieke eigen woorden om schoonheid en erfgoed te beschrijven.

‘Musea hobbelen soms wat achter de ontwikkelingen aan, omdat het personeel grotendeels is opgeleid met Janson. Het kost tijd voordat een jongere generatie het voor het zeggen krijgt. Die kijkt heel anders tegen de kunst aan. Overigens blijft de visuele analyse wel belangrijk. Het kijken en herkennen. Onderzoek naar het object, de stijl, conditie, kwaliteit. Dat moet je niet te snel terzijde schuiven.’