Hitlers invasie van Rusland

EEN ZEKERE parmantigheid kan de Nederlandse publicist Perry Pierik niet ontzegd worden...

Al op de eerste bladzij van zijn boek over Hitler stelt hij vast dat de geschiedschrijving van het Derde Rijk 'niet in balans' is, en een paar alinea's verderop klinkt het vonnis nog dramatischer en onherroepelijker: 'Er is een gat in de historiografie.'

Geen gering verwijt aan het adres van hele volksstammen historici die - van Bullock en Shirer tot aan Goldhagen en Kershaw - in de afgelopen halve eeuw geprobeerd hebben opkomst en ondergang van het Duitse nationaal-socialisme zo goed mgelijk in kaart te brengen.

Wat hebben ze al die tijd over het hoofd gezien?

Pierik weet het. Hitlers politiek rustte op twee pijlers: rassenwaan aan de ene kant, verovering van Lebensraum aan de andere. Maar: 'zo overvloedig als de belangstelling was voor de holocaust en de rassenpolitiek van nazi's, zo leeg en onontgonnen bleef het terrein van de Lebensraum. Wie zich eens de moeite zou nemen de Letterenbibliotheek te Utrecht binnen te lopen, een van de grootste van Europa, om daar in het computersysteem de term Lebensraum in te tikken, zal tot zijn verbijstering moeten concluderen dat dit niet één titel oplevert die werkelijke dit thema behandelt.'

Dus werk aan de winkel.

'Er zijn in de geschiedenis', lezen we later, 'nauwelijks boeken geschreven die met één werk een historiografisch gat opvullen. Ik heb geprobeerd voor het Nederlandse taalgebied een eerste begin te maken om die tweede pijler van het Derde Rijk bloot te leggen. (. . .) Ik zou deze studie dan ook voornamelijk willen zien als een eerste Grundlage Arbeit.'

Parmantig.

Interessant is de vraag waarom al die te goeder naam en faam bekend staande historici dat gat hebben laten liggen.

Ook dat weet Pierik.

'Er bestaat een zekere angst', schrijft hij, 'om de grote destructieve ideologieën van deze eeuw daadwerkelijk tot in essentie te bestuderen. De drijfveren van Hitler en de nazi's willen onderzoeken, het kwaad werkelijk willen begrijpen, maakt de historicus kwetsbaar. In zijn analyses zou hij de Weltanschauung van de nazi's serieus moeten nemen, hun geschriften moeten lezen en herlezen, analyseren en uitleggen, waarbij hij het gevaar loopt door de buitenwacht geïdentificeerd te worden met datgene wat hij aan het licht wil brengen.'

Het is dus nog erger dan we al moesten vrezen: al die historici hebben het gat wel gezien, maar ze hebben er uit angst voor de buitenwacht niet naar durven kijken.

Een mens hoeft maar te bladeren in een half plankje Hitler-biografieën - Fest, Maser, Haffner, Toland, Stone - om te kunnen concluderen dat Pieriks observatie naar baarlijke nonsens zweemt. Al die biografen zijn plichtsgetrouw, en geenszins bangelijk, afgedaald in de Münchener onderwereld van de vroege jaren twintig, waar Hitler uit een hutspot van driestuiversideeën zijn Weltanschauung gaar stoomde. En ze hebben er, met wisselende accenten, verslag van gedaan: summier in het ene, zeer omstandig in het andere geval. Het door Eberhard Jäckel in 1980 uitgegeven bronnenboek van brieven, redevoeringen, notities en interviews uit Hitlers jongere jaren (Sämtliche Aufzeichnungen 1905-1924 - de titel ontbreekt merkwaardig genoeg in Pieriks lange literatuurlijst) laat over de perverse ideeënwarboel waaruit het nationaal-socialisme als het ware opborrelde, niets te raden over.

Probeert Pierik een gat te dichten dat er helemaal niet is?

Het lijkt erop.

Dat geldt voor z'n beschuldiging dat historici 'in het onvermogen en in de afkeer het kwaad te begrijpen' collectief zouden zijn gevlucht 'in taboeïsering' ervan. Geïnterviewd door de VPRO Gids noemt hij Ian Kershaws recente biografie 'dat hele dikke boek' waar eigenlijk niet veel nieuws in staat, en vervolgt:

'Wat in mijn boek volgens mij internationaal ook nieuw is, is dat ik Gottfried Feder, de nazi-econoom, opwerp als de grote sleutelfiguur, die iedereen bij elkaar heeft gebracht.' Weer heel parmantig, maar al bij Fest (1973) wordt Feder als sleutelfiguur 'opgeworpen', en Kershaw noemt hem vijf keer zo vaak als Pierik zelf.

'Maar het meest opzienbarende dat ik ben tegengekomen', zegt Pierik in datzelfde interview, 'zijn de gesprekken tussen Hitler en Dietrich Eckart, die zijn genoteerd in het boek Der Bolschewismus von Moses bis Lenin uit 1924. Dat kom je nauwelijks tegen in de literatuur. Over die Eckart zou eens een biografie moeten worden geschreven. Niemand kent die man.'

Maar én Fest, én Maser, én Jäckel hadden Eckart al lang 'ontdekt', en om ook hier de vergelijking te maken met het 'hele dikke boek' van Kershaw: daarin worden invloed en betekenis van de man breder en helderder geschetst dan bij Pierik zelf.

Is het jokken? Is het opschepperij?

Met betrekking tot het eigenlijke 'gat' is het niet anders gesteld dan met de hypothese van de vreesachtige historici.

Ik neem onmiddellijk aan dat de computer van de Letterenbibliotheek te Utrecht niet erg thuis geeft op het steekwoord Lebensraum. Maar daar staat tegenover dat ik nog nooit een boek over Hitler, het nationaal-socialisme of het Derde Rijk heb opengeslagen, of de theorieën over de relatie tussen de Duitse militaire expedities in de Tweede Wereldoorlog, en Hitlers dromen over Lebensraum vlogen me om de oren. In de meeste van die boeken werd de droom vanzelfsprekend vooral in verband gebracht met de ultieme veroveringstocht: operatie Barbarossa.

Maar wat daarbij nooit werd overgeslagen, is wat Pierik nou juist wel onvermeld laat: de 'opbouw' naar dat deel van de oorlog, dat wil zeggen Hitlers ontwikkeling van obscure bruine schreeuwlelijk in Beieren tot staatsman, tot Führer, tot machtspoliticus in een wereld waar nog een aantal andere machtsfactoren speelden.

Het is tamelijk eigenaardig om een boek te schrijven over de 'veroveringsveldtocht naar het oosten', zonder het op z'n minst ook even te hebben over zo'n niet onbelangrijke tussenstap als het Molotov-Ribbentrop (of zo men wil Stalin-Hitler) pact van 1939. Pierik heeft het er in zegge en schrijve één bijzin over.

Hitlers Lebensraum is in veel opzichten het boek van een belezen amateur, die halve bibliotheken heeft afgelezen om iets te postuleren dat we eigenlijk al wisten. Van alles en nog wat komt langs - Luther, Reich, het Thule-genootschap, Blavatsky, Wagner, Houston Chamberlain, Jezus, de 'arioso fen' tot aan Goldhagen toe. Zelfs negentiende-eeuwse begrippen als 'die deutsche Seele', het Eeuwige Rusland en de mythe van Barbarossa blijven niet onvermeld.

Driekwart van Pieriks bronnen wordt gevonden in wat je de historische triviaalliteratuur zou kunnen noemen - de honderden boeken, romans en pamfletten die in het kielzog van de 'officiële' historiografie hun eigen theorietjes en hypothesetjes hebben uitgedragen, en waarvan de auteurs allemaal op hun tijd hebben gedacht dat ze over Hitler en het Derde Rijk het wetenschappelijke ei van Columbus hadden uitgevonden. Ze hebben allemaal één ding gemeen: een schroeierige fascinatie voor het Kwaad dat in die ene Duitser van de twintigste eeuw belichaamd was.

Misschien is het hoogtij voor deze vorm van zelfkazende geschiedbeoefening.

H ET (veel bescheidener) boekje van de Twentse beleidsmedewerker Oscar van Heffen over de ware motieven achter Hitlers aanval op de Sovjet-Unie lijkt in zoverre op de studie van Pierik dat ook Van Heffen tussen de regels door een appeltje wil schillen met de 'officiële' historiografie. 'Wat betreft Hitlers aanval op de Sovjet-Unie', verduidelijkt een begeleidende brief van de uitgever, 'ondervond Van Heffen dat veel literatuur sterk wordt gekenmerkt door aannames en vooroordelen, waardoor het bronnenmateriaal op een wel heel gekleurde manier wordt geïnterpreteerd.'

Echt bronnenonderzoek heeft hij daar niet aan besteed, en net als Pierik blijkt hij in z'n literatuurkeuze niet al te kieskeurig; een serieuze student beroept zich niet op een dubieuze grasduiner als de Vlaming Lauryssens, om maar één voorbeeld te noemen. Ook Van Heffen moet het hebben van een eigen interpretatie, of rangschikking, van wat hij zo her en der heeft opgestoken, en de uitkomst van zijn bevindingen is in feite simpel: de oorlog tegen de Sovjet-Unie is in nazi-Duitsland achteraf weliswaar ideologisch gelegitimeerd als een kruistocht tegen het 'empire of evil', waarbij de vermeende joodse invloeden binnen het bolsjewisme ook nog aardig te pas kwamen - maar de feitelijke reden van de operatie was van puur militair-strategische aard.

Doordat Hitler Engeland niet had verslagen, op termijn een interventie van Amerika verwachtte, en al die tijd Stalin wantrouwde, had hij eigenlijk geen keus: de vlucht naar voren was z'n enige alternatief.

Het kan.

Sterker: in veel literatuur (ik noem maar weer: Fest, Maser, tot op zekere hoogte ook Haffner) wordt de mogelijkheid serieus aangereikt, zoals ook de tegenovergestelde variant telkens aan de orde is: een viermogendhedenpact van Duitsland, Italië, Japan en de Sovjet-Unie als een des te krachtiger 'as' tegen de westelijke geallieerden; het Molotov-Ribbentrop-verdrag had daar als een gepaste voorbereiding toe kunnen dienen.

Maar dat is het verschil tussen de geschiedwetenschap en de vrijetijdsliefhebberij: de historicus houdt de opties open tot het definitieve bewijs voor het een of het ander zou zijn geleverd, de liefhebber denkt meteen dat hij gelijk heeft, en bouwt een theorie die hij zich ook nooit meer wil laten afnemen.

Van Heffen lijkt me een gematigde liefhebber. Hij wordt pas een beetje parmantig als hij in z'n laatste, nogal warrige hoofdstukje een soort discussie aangaat met Nolte, Goldhagen en Burrin, en nog eens herhaalt wat de diverse professoren ook mekaar al eens aan kritiek en verwijt hebben aangesmeerd.

Voor Van Heffen en Pierik is het jammer dat ze niet nog net een blik hebben kunnen slaan in Grand Delusion van de Israëlische historicus Gabriel Gorodetsky over de oorlog tussen Duitsland en de Sovjet-Unie. 'Als gevolg van het wonderjaar 1989', schreef Pierik in de inleiding van z'n boek, 'hebben de archieven in Midden- en Oost-Europa zich geopend en kunnen waardevolle aanvullingen op de westerse geschiedschrijving worden verkregen.'

Uit Hitlers Lebensraum blijkt nergens dat hij daar ook al gebruik van heeft gemaakt, maar Gorodetsky's onderzoek is exclusief gebaseerd op recente vondsten in de archieven van Buitenlandse Zaken, de generale staf en de diverse veiligheidsdiensten in Moskou, over de maanden vóór Hitlers invasie van Rusland.

Gorodetsky is een professional, dus omzichtig. Maar z'n conclusie is tamelijk eenduidig: Stalin heeft - anders dan veel van zijn tegenstanders, vooral in Berlijn, altijd hebben aangenomen - nooit een aanval op Duitsland overwogen, maar hij heeft zich evenmin in slaap laten sussen door het (voor tien jaar geldende) verdrag dat hij Molotov met de nazi's had laten sluiten. Tussen augustus 1939, toen dat pact werd gesloten, en 21 juni 1941, toen operatie Barbarossa begon, heeft hij zorgvuldig gegokt op een Duitse nederlaag (zonder Russische inmenging!) tegen Engelsen en Amerikanen, dus al die tijd rekening gehouden met een situatie waarin de Sovjet-Unie een doorslaggevende invloed zou kunnen verwerven in een naoorlogs Europa.

Dus al die tijd geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat Hitler zo stom zou zijn Rusland aan te vallen. Zelfs op het moment dat de vijandelijkheden al waren begonnen, was hij er nog van overtuigd dat het om een mineur grensconflict ging, dat diplomatiek geregeld kon worden. Zijn argwaan jegens Churchill is tot het laatste moment groter geweest dan z'n achterdocht jegens Hitler.

Het is een boeiend boek, heel sterk 'van binnenuit' geschreven: vanuit de twee grote schaakspelende boeven, die elk tien zetten vooruit dachten te kunnen denken, en zich om beurten moesten zien te redden uit een wanhopige stelling.

Of Gorodetsky het laatste woord heeft gesproken, is natuurlijk nog maar de vraag. De Russische bronnen zijn vast nog niet 'uitgebruikt', en de interpreten zullen zich al opmaken om in het materiaal andere accenten te zoeken of andere arrangementen aan te brengen. Ook deze discussie is nog pas begonnen - en dan hebben we het nog niet eens over de goedwillende amateurs die zich vanuit de achterste rijen met nieuwe moed op de nieuwe gegevens zullen willen storten.

GORODETSKY'S BOEK eindigt op die o mineuze zondag in juni 1941. Drie jaar later had Hitler zijn verloren partij eigenlijk moeten opgeven, en probeerde de halve elite van zijn Wehrmacht de nationale eer te redden door de speler aan hun eerste bord uit de weg te ruimen: 20 juli 1944.

Wat de in Polen geboren, nu in Amerika werkzame bejaarde professional Theodore S. Hamerow over de historische aanslag van Stauffenberg schrijft, is niet zozeer een nieuw, of ander feitenrelaas, maar eerder een correctie in de beeldvorming.

De overwegend Pruisische 'jonkers' die de coup voorbereidden, zijn in de loop der jaren vooral in eigen land - maar daar niet alleen - min of meer bewierookt als de martelaren van het nazisme: iconen van de goede Duitse geest die, ondanks al bijna twaalf jaar Hitleriaanse terreur, levend was gebleven.

'Ere wie ere toekomt', schreef Haffner in een opstel over Duitslands 'militaire adel' die, beter laat dan nooit, z'n rehabilitatie zocht. Want: 'Ze voelden zich geen coup-plegende officieren en hoogverraders, maar de eigenlijk nog steeds verantwoordelijke heersende klasse, die zich op het laatste moment bewust werd van haar plicht, ook van haar plicht jegens zichzelf.'

Maar kwamen ze daar niet erg laat mee?

Ja, gaf ook Haffner toe. Maar Hamerow gaat een stap verder - en ontmaskert alle Attentäter stuk voor stuk als mannen die zich in 1933 zonder de minste aarzeling achter Hitler schaarden als achter een bevrijder. Stuk voor stuk felle of zelfs fanatieke tegenstanders van het experiment van de Weimar-republiek; stuk voor stuk militairen die na de Eerste Wereldoorlog van revanche droomden; stuk voor stuk bevlogen anti-democraten die graag hun heil bij een sterke man zochten; en stuk voor stuk bereid hun Führer te volgen, al zouden ze op een enkele uitzondering na nooit nationaal-socialist worden. Zo werden ze vooral de martelaren van hun klasse - en wat er ook was gebeurd als Stauffenberg z'n bom op de goede plek had kunnen laten ontploffen, de schandvlek van het Derde Rijk zou er al niet meer uit te branden zijn geweest.

Die blijft - al was het maar omdat de geschiedschrijving nog altijd niet van ophouden wil weten.

Meer over