Historiezucht

Hang naar het verleden

Aleid Truijens

Adam en Eva spraken Nederlands met elkaar. Of nou ja, Nederduits, de chique variant. Dat zat zo: de naam Adam komt van Adem; God had hem, de eerste mens, adem ingeblazen. Logisch toch? Nederduits was dus een oeroude, zuivere taal. Aldus, in 1821, de Antwerpse priester Isfridus Thys. Die had het weer gelezen bij de filosoof Goropius Becanus uit 1572 en nam het op in een verhandeling waarmee hij een prijs won.

Marita Mathijsen noemt dit voorbeeld in haar boek Historiezucht. Ze laat zien dat in de 19de eeuw een onstuitbare belangstelling voor het verleden opkwam. Een verleden vol aanlokkelijke mythes en heroïsche verhalen, een gedeelde achtergrond waarop de burger trots kon zijn. Rond 1800 kwam ook de behoefte op om uit te zoeken hoe de zaken nu precies geworden zijn tot wat ze waren. Goed, die Antwerpse priester zal later wel van zijn taalkundige dwaling zijn teruggekomen, maar het was heel bijzonder dat iemand zomaar belangstelling had voor de eigen taal. Tot dan toe werd eigenlijk alleen het Latijn de moeite waard geacht om te bestuderen.

Historiezucht - prachtig woord. Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde en groot kenner van de 19de eeuw, beschrijft die plotselinge honger naar het verleden als een besmettelijke ziekte, die in heel Europa snel om zich heen greep. Een blijvende, prettige ziekte. Mathijsen schreef eerder twee mooie boeken over 'haar' eeuw: De gemaskerde eeuw (2002) en Nederlandse literatuur in de romantiek (2004). Net als die boeken is Historiezucht een aangename mengeling van wetenschappelijke inzichten, eigen waarneming en eigenwijze gissingen. Mathijsen schrijft losjes en onderhoudend; ze is niet bang om academisch of populair te zijn, wil iets vertellen.

In de 19de eeuw, schrijft Mathijsen, werd de geschiedenis uitgevonden. Of liever: geconstrueerd. Vóór 1800 was het verleden nog geen geschiedenis, nog geen verhaal. Er bestond nog geen 'infrasctructuur' voor het verleden. Dat wat we nu 'historisch besef' noemen, het idee dat we allemaal een product zijn van wat de generaties voor ons hebben bedacht en gedaan, was vrijwel afwezig. Adel en rijkelui hielden zich wel bezig met hun historie, om het familiebezit te beheren en door te geven. Kloosters en kerken koesterden hun kunstschatten. Geleerden hadden bibliotheken en de toneelstukken van Vondel werden wel-eens opgevoerd. Maar de gewone bevolking leefde in het hier en nu.

Pas in 1863, met de oprichting van de hbs door Thorbecke, werd geschiedenis officieel een schoolvak. Daar werd de 'hogere burger', geen warrig studeerkamertype maar een handige koopman in de dop, beschaving en vaderlandsliefde bijgebracht. Onderwijs in de eigen taal en vaderlandse geschiedenis werden ineens belangrijk.

Pas rond 1800 werd neerlandistiek een echt vak. Matthijs Siegenbeek was in 1797 de eerste hoogleraar in de Nederlandse taal. Koning Willem I zorgde ervoor dat er zes leerstoelen in het land kwamen. Was het onderwijs in de eeuwen ervoor er vooral op gebrand het christelijke geloof stevig erin te rammen, nu was het aankweken van een nationaal gevoel het hoofddoel.

Maar het was ook gewoon fijn in het verleden. Het werd een plek waarnaar velen graag op vakantie gingen. Romantische schrijvers, dolende zielen en maatschappelijke outcasts, verwijlden graag in geïdealiseerde vroeger tijden. het verleden was een schuilplaats en een bron voor kant-en-klare dramatische vertellingen. De historische roman werd een populair genre en overal hingen reproducties van kunstwerken. Aan het eind van de 19de eeuw, schrijft Mathijsen, 'kon vrijwel iedereen uit zijn geheugen een weergave van de Nachtwacht van Rembrandt oproepen'.

Dat is een enorme sprong voorwaarts, dankzij de inspanningen van de burger, en een overheid die zich bewust werd van zijn opvoedende en conserverende taak. Een gezamenlijk verleden om van te houden, om mee te dwepen en trots op te zijn, dat smeedde de mensen tot een s

amenleving, en burgers tot een natie. Zelfbewuste burgers, zoals de schrijver en weldoener Jacob van Lennep (wiens biografie Marita Mathijsen zal gaan schrijven) deden graag wat voor die bloeiende samenleving.

Ongelooflijk wat er in korte tijd uit de grond werd gestampt. Veel in onze omgeving dat wij nu volkomen vanzelfsprekend vinden, is toen op poten gezet. Prachtuitvindingen als de stroomtrein, het gaslicht en waterleidingen, maar ook wat we nu openbaar kunstbezit noemen en musea. Al die kunsttempels in Europese steden bijvoorbeeld, die pompeuze neoklassieke gebouwen die Nationaal Museum of Gallery heten. De vele instellingen en genootschappen met 'Rijks' in de naam, of 'Koninklijk' of 'Nut'. Nationale vieringen en herdenkingen, een volkslied. Standbeelden, monumenten, bibliotheken. Edities van middeleeuwse teksten, woordenboeken, encyclopedieën, een standaardspelling. Handboeken voor kunst- en literatuurgeschiedenis - al die lijvige geleerdheid die jongere generaties nu een beetje suf en gaapverwekkend vinden - zijn het product van de ijver en het vooruitgangsgeloof van de 19de-eeuwse burger.

Hoe zit het met de toekomst van de geschiedenis? Marita Mathijsen heeft daar niet alle vertrouwen in. Veel mensen zijn dól op geschiedenis, maar Mathijsen ziet in onze 21ste-eeuwse historiezucht kitscherige trekjes. Er worden wel gezellige 'themafeesten' georganiseerd, zoals het Dickens-feest in Deventer, terwijl musea en bibliotheken moeten sluiten en serieuze historische projecten geen subsidie krijgen.

Weet ieder kind in Nederland nu wie Rembrandt was? Waarschijnlijk niet, al heeft bijna ieder kind ooit een pannekoek gegeten op een Nachtwacht-placemat. Kunstonderwijs heeft geen prioriteit meer, laat staan kunstgeschiedenis. 'In de eenentwintigste eeuw zien we de afbraak van wat de negentiende eeuw voor elkaar kreeg. Historiebesef maakt niet altijd gelukkig', verzucht de schrijfster. Het zijn de slotzinnen van een overigens totaal niet deprimerende, bevlogen geschiedenis van de geschiedenis.

Meer over