boekrecensie

Historicus Wouter Linmans beschrijft fraai hoe Nederland zich vorige eeuw opmaakte voor een nieuwe oorlog ★★★★☆

Een oorlog verloopt doorgaans anders dan mensen van tevoren dachten. Over dit fenomeen schreef historicus Wouter Linmans een opmerkelijk boek, dat ineens erg actueel aandoet.

Sander van Walsum

Hoe moet je je instellen op een mogelijke oorlog? Hoe maak je het onvoorstelbare voorstelbaar? Door de beelden van vorige oorlogen op te roepen en daar de huiveringwekkende toepassingen van nieuwe of toekomstige krijgstechnieken aan toe te voegen. Maar de werkelijke oorlog verloopt doorgaans anders dan strategen en burgers zich hadden voorgesteld. En die werkelijkheid valt zelden mee, zoals de Oekraïners momenteel ondervinden. De oorlog is weliswaar mensenwerk, maar loopt toch vaak op het menselijk voorstellingsvermogen vooruit.

Over de ‘Nederlandse beeldvorming van een volgende oorlog’ schreef de historicus Wouter Linmans een opmerkelijk boek dat weliswaar vorig jaar al verscheen, maar actueel aandoet nu elders in Europa een oorlog woedt. Linmans rekent af met de gangbare – en enigszins gemakzuchtige – opvatting dat Nederland zich na de Eerste Wereldoorlog (waarvoor het zelf gespaard bleef) behaaglijk neervlijde op ‘het kussen van de neutraliteit’. Aan de snelle overrompeling van Nederland door de Duitse Wehrmacht in mei 1940 móést wel een lange periode van argeloosheid en onoplettendheid zijn voorafgegaan.

Op die voorstelling van zaken is wel wat af te dingen, schrijft Linmans in De oorlog van morgen. Nederland was weliswaar niet rechtstreeks betrokken geweest bij de Grote Oorlog van 1914-1918, het was allerminst onwetend van wat zich buiten de landsgrenzen had afgespeeld en het hield wel degelijk rekening met de mogelijkheid dat het bij een volgende oorlog betrokken zou raken. Dat diverse kabinetten sterk op de nationale defensie bezuinigden, getuigde niet zozeer van een heilig vertrouwen in de neutraliteit of van een onwankelbaar geloof in de eeuwigdurende vrede, maar van het streven naar een sluitende begroting – het hoogste politieke gebod van die jaren.

De enige Nederlandse tank

Journalisten en militairen toonden veel belangstelling voor de nieuwste technologische ontwikkelingen en de mogelijke gevolgen daarvan voor de oorlogvoering in de toekomst. Tijdens de Eerste Wereldoorlog wachtte de vaderlandse pers gespannen op de komst van ‘de loopgraven-auto’, zoals de tank destijds ook wel werd genoemd. En toen dit ‘stalen fort’ eenmaal op de slagvelden was verschenen, werd druk over zijn strategische betekenis gespeculeerd.

Hoewel de Britse defensiespecialist J.F.C. Fuller, met enig chauvinisme en ietwat voorbarig, de tank aanprees als ‘de grootste militaire uitvinding’ van de Eerste Wereldoorlog, schafte Nederland in 1927 slechts één lichte tank (van Renault) aan. Niet zozeer om potentiële vijanden af te schrikken, maar om aan te tonen dat het voertuig zich geen weg zou kunnen banen door de Hollandse Waterlinie. De enige Nederlandse tank – ‘een gekooid circusdier’, volgens De Telegraaf – werd vooral van stal gehaald om ten overstaan van publiek op drassig terrein ten onder te gaan.

Tezelfdertijd – en enigszins in strijd met de onmacht die met de Renault-tank werd gesuggereerd – werden de Nederlanders beroofd van eventuele illusies over de onaantastbaarheid van de Waterlinie. Mogelijk zouden tanks zich in de toekomst wel op drassig terrein kunnen verplaatsen. Anders zou Nederland wel bestookt kunnen worden door enorme luchtvloten, met gifgas of ‘dodende stralen’ – een procedé in ontwikkeling waarover in de jaren twintig veelvuldig werd bericht. Geregeld verschenen woorden in de krant die naar de oorlog van morgen verwezen: totale oorlog, Blitzkrieg of (reeds in het voorjaar van 1914) ‘atoom-bom’.

Cirkelgang van werkelijkheid en verbeelding

De angst voor de dingen die zouden kunnen gebeuren, werd bezworen met verhalen van verschillende oorlogsfronten waaruit kon worden opgemaakt dat de moderne oorlog minder ‘totaal’ was dan gevreesd. Tijdens de veldtocht van fascistisch Italië in Abessinië (het huidige Ethiopië) had de tank niet het strategisch gewicht dat er eerder nog aan werd toegedicht. In Spanje werd tijdens de burgeroorlog geen gifgas ingezet. In Polen had de Duitse luchtmacht zich nog ingehouden. En zelfs het bombardement op Rotterdam, op 14 mei 1940, had niet de complete vernietiging van de stad tot gevolg – al konden de slachtoffers daar geen geruststelling aan ontlenen.

En zo heeft Wouter Linmans de cirkelgang van werkelijkheid en verbeelding fraai beschreven: de reële oorlog leidt tot bespiegelingen over de oorlog van morgen. En als de oorlog van morgen eenmaal is uitgebroken, wordt hij getoetst aan de verbeelding van gisteren. En zo zal het vermoedelijk gaan totdat de allerlaatste oorlog wordt uitgevochten.

Wouter Linmans: De oorlog van morgen – Nederlandse beeldvorming van een volgende oorlog, 1918-1940. Prometheus; 395 pagina’s; € 27,50.

null Beeld Prometheus
Beeld Prometheus
Meer over