InterviewOeke Hoogendijk

‘Het was mijn moeders oorlog, maar dit is míjn film’

Bor Beekman

Documentairemaker Oeke Hoogendijk volgde voor Housewitz vijftien jaar lang haar eigen moeder, die door oorlogstrauma’s nooit het huis verliet. Het werd een confronterend werk, maar ook een eerbetoon aan een grappige en kleurrijke vrouw. ‘

 Filmmaker Oeke Hoogendijk.
 Beeld Daniel Cohen
Filmmaker Oeke Hoogendijk.Beeld Daniel Cohen

Er staat een hele rits cameramensen op de aftiteling van Housewitz, de documentaire die Oeke Hoogendijk (60) maakte over haar moeder. ‘Mijn moeder flikkerde al die cameramensen steeds haar huis uit’, zegt de filmmaker, thuis in haar Amsterdamse appartement. ‘Dan vond ze iemand te intimiderend, of had de volgende weer iets gevraagd wat ze niet wilde. Die moesten dan verdwijnen. Ik ben a-technisch en absoluut geen cameravrouw, maar uiteindelijk ben ik zelf gaan draaien, ieder ander stuurde ze weg. Tot ze mij er ook uit zette.’

Dat huis, van moeder Lous Hoogendijk-De Jong (geboren in 1926), is een soort verschansing. Tot de nok toe gevuld met spullen; alleen in de woonkamer en keuken wordt nog geleefd door de bewoonster, die al zeker dertig jaar geen stap meer buiten de deur heeft gezet. Een straatfobie, geworteld in niet te helen oorlogswonden: buiten is het onveilig. Lous’ vader en broer werden vergast in Auschwitz, zelf zat ze als Joods meisje in Westerbork en Theresienstadt. Housewitz, Nederlandse titel Thuiswitz, maakt zichtbaar hoe die oorlog ook zoveel jaar later doorwerkt, iedere dag weer. En hoe het is om een kind te zijn van zo’n getraumatiseerde moeder. Een tragikomische film, waarin Lous haar zo beperkte dagelijkse leven snedig en vol humor becommentarieert, hardop mopperend tegen zichzelf: ‘Ándere mensen hebben een prettige zaterdag, ik moet godverdomme het kamp weer in.’

Hoogendijks moeder overleed vorig jaar, op haar 93ste. De filmmaker werkte vijftien jaar lang af en aan aan het portret. Langer nog dan de tien jaar die ze stak in haar veelgeprezen documentaire Het Nieuwe Rijksmuseum, waarvoor ze de perikelen rondom de verbouwing van het museum volgde. Moeder Lous wilde gefilmd worden, op momenten althans. ‘Ze vond het een leuk idee, tot mijn verbazing. Mam, zei ik op een dag, ik wil eigenlijk een film over je maken. Ze keek me zo aan van: dat niemand daar ooit eerder op is gekomen. Maar toen ik het echt ging doen, werd het wel gecompliceerd. Het huis van mijn moeder had drie verdiepingen, maar daar kwam ze nooit. Ze heeft altijd in de huiskamer geslapen. Ook wisselde ze dag en nacht om: ’s nachts wakker, overdag niet. En dan kom ik daar met een crew om haar in bed te filmen, wat best ingrijpend is voor een kluizenaar. Ze saboteerde de film soms ook.’

Halverwege de documentaire zien we Lous ingrijpen: ze duldt die menselijke activiteit om zich heen niet meer, ook niet van een filmende dochter. Hang maar een webcam op, instrueert ze. ‘Dat vond ik best wel een grote stap, maar mijn vaste cameraman Sander Snoep was enthousiast en heeft het doorgedrukt, daar ben ik hem dankbaar voor. We hebben twee webcams opgehangen, eentje in de keuken en eentje bij haar bed. ‘Het is een beetje een natuurfilm geworden zo: je weet niet wat er gaat gebeuren. Ik had ook overal microfoontjes opgehangen, omdat mijn moeder veel tegen zichzelf praatte.’

Hoe is het om je moeder zo te observeren?

Hoogendijk lacht. ‘Confronterend. Ze zei soms ook dingen over mij die niet zo leuk waren. En ik zag haar strijd om elke dag door te komen. Ze kon heel boos wakker worden, ruziën met de kat. Het is een kleine film, tussen die vier muren. Er gebeurt niks, en tegelijk ook weer heel veel. Ze praat zichzelf ook in slaap, dat trof me wel, toen ik dat zo zag via de webcam.’

Een van de lievelingsprogramma’s van haar moeder, die vaak voor een van haar twee televisietoestellen zit of ligt, is Die schönsten Bahnstrecken, ’s nachts uitgezonden op de Duitse zender ARD. Treinen die door verre en minder verre landen zoeven, het landschap gefilmd vanuit machinistenperspectief. ‘‘Ik was vannacht in Duitsland’, zei ze eens toen ik belde. Als je dan bedenkt dat ze daar ooit met een dichte treinwagon doorheen is gegaan... Ze vond het heel mooi, Duitsland.’

De oorlog was een ‘huisgenoot’ voor de opgroeiende Oeke en haar twee broers, die ook in de documentaire figureren. ‘In ons gezin – eigenlijk een te groot woord: mijn vader vertrok toen ik 3 was – leefden we met onze moeder én de zwaarte die ze meedroeg. Als kind snap je dat niet, je vindt alles normaal. Je bent eerder verbaasd als het bij vriendjes anders gaat: dat de moeder daar niet in bed lig met de gordijnen dicht als je uit school komt. Met mijn moeder was er eigenlijk een voortdurende panieksituatie: er waren altijd problemen. Als je binnenkwam was het nooit: hé ga zitten, hoe gaat het? Altijd: je moet dit en straks dat. Oké, dag mam. Je probeerde het op te lossen, en dan was er weer een nieuw probleem. Ik voelde me vaak probleemoplosser. Ze was ook echt een Jiddische moeder: heel dominant aanwezig, er was weinig tegenin te brengen.’

 Moeder Lous Hoogendijk de Jong in haar huis in de documentaire ‘Housewitz’.  Beeld
Moeder Lous Hoogendijk de Jong in haar huis in de documentaire ‘Housewitz’.

Het is mijn oorlog, niet jullie oorlog, zegt ze in Housewitz, als jij vraagt of ze niet eens samen naar de Dodenherdenking wil kijken.

‘Er zat wel een muur tussen, in die zin. Ze belde wel op, als het niet ging. Ik zit al de hele dag in Westerbork, hoorde je dan.

‘Ik had het altijd over de vader en broer van mijn moeder, die dan in de oorlog waren vermoord. Een vriendin van me zei: ja, dat waren dus jóúw opa en oom. Ik dacht: zo heb ik het nooit bekeken. Mijn moeder zou het ook raar hebben gevonden, als ik had gezegd: mijn opa. Ik heb hem nooit gekend.’

Hoogendijk maakte al vaker documentaires over de oorlog. Ook was ze ooit een van de interviewers van Steven Spielbergs Holocaust-project, waarin tienduizenden getuigenissen van overlevenden van de Shoah werden vastgelegd. ‘Toen ik studeerde, ik deed een theateropleiding, ben ik bij het Joods Historisch Museum gaan werken als rondleider. Ik had ook gewoon geld nodig, op die leeftijd. En ik dacht: als ik daar ga werken, dan leer ik een beetje over het Jodendom. Ik wist eigenlijk niks: wij waren heel geassimileerd. Ik dacht: ik ben Joods, maar ik weet er geen bal van af.

‘Via het museum kwam ik bij dat project van Spielberg terecht. Ik denk dat ik zo’n honderd interviews met overlevenden heb gedaan. Door die verhalen ging ik mijn moeder ook weer anders zien. De oorlog van mijn moeder had me verpletterd, als kind. Die was zó groot. En nu sprak ik mensen die in Auschwitz hadden gezeten en die geen straatfobie hadden. Dat kon dus ook. Mijn moeder zat in het ‘elitekamp’, Theresienstadt. Ik geloof dat Ischa Meijer het zo zei: het Hilton vergeleken bij Auschwitz. Die hiërarchie van het leed, dat is ook iets... Theresienstadt was wél een kamp, er gingen mensen dood. En mijn moeder was stapelgek op haar vader en broer, die in Auschwitz werden vermoord. Zij zijn altijd goden voor haar gebleven.’

Op een zeker moment in Housewitz bel je je moeder op, om te vragen of ze wel de deur van haar huis uitging toen jij als pasgeboren baby wekenlang in het ziekenhuis lag, met een ernstige bacteriële infectie. Daar kantelt het perspectief ook even naar jou, de dochter. Waarom wilde je dat er zo in hebben?

‘Daarom is die scène er ook een poosje uit geweest, omdat ik me afvroeg óf ik dat perspectief wel wilde kantelen. Maar ik denk dat het belangrijk stukje is, omdat je als kijker toch gaat denken: ja, maar ging ze dan écht helemaal niet naar buiten? Je moet de ernst van de zaak voelen. Nee, zélfs dan niet. En dat is een raar idee. Ik lag op sterven, ik schijn als een soort skeletje thuisgekomen te zijn. Is ook best gek: de eerste acht weken van je leven geen relatie kunnen opbouwen met je moeder. Nou ja, gelukkig is alles goed gekomen. Ook met mijn broers, geen van ons drieën is aan de heroïne, we liggen niet in de goot. Mijn moeder heeft óók dingen goed gedaan.’

Hoogendijk: ‘Op haar als moeder kun je van alles aanmerken, maar als personage... zo lopen er niet veel rond.’ Beeld
Hoogendijk: ‘Op haar als moeder kun je van alles aanmerken, maar als personage... zo lopen er niet veel rond.’

Kun je het haar verwijten, dat ze je niet opzocht?

‘Het gekke is… Ik heb altijd gedacht: wat erg voor mijn moeder, dat ik daar lag. Zo vertelde mijn moeder er later ook over: ik heb mijn vader en broer verloren in Auschwitz en dan zou ik óók nog een kind verliezen. Het was eigenlijk háár tragiek, dat ik als baby in het ziekenhuis lag. Goed, je gaat natuurlijk een keertje in therapie, met zo’n jeugd. Toen realiseerde ik me: misschien toch ook voor die baby niet heel lollig geweest.’

Wat vinden je broers van je film?

‘Die snapten eerst niet zo dat ik hier een film over heb gemaakt. Ja, dit is gewoon mama, zeiden ze. Maar waar gaat het over? Heb ik zelf ook wel beetje hoor: goh, hoe kijken mensen straks nou naar deze film? Het is geen gêne, ik ben best trots op mijn moeder. Zeker als personage: zo ben ik haar gaan zien tijdens het filmen. Op haar als moeder kun je van alles aanmerken, maar als personage... zo lopen er niet veel rond. Ontzettend uitgesproken, kleurrijk. En ze heeft humor. Goddank, anders zou het echt niet te verteren zijn, zo’n film. Ik hoop dat het toch ook een monumentje is voor haar.’

Heb je gewacht tot je moeder...

‘Ja, op een gegeven moment zei ze zelf ook: wacht maar met de film tot ik er niet meer ben. Ze heeft eens drie minuten gezien, toen de Ikon een kort stukje wilden uitzenden op 4 mei. Ze bemoeide zich meteen met de montage: die zin moest weg, dat moest anders. Ze wist alles beter. En ze hád er ook oog voor. Maar ja, ik dacht: als ik dat zo de hele 70 minuten krijg... Mijn moeder regisseerde ons leven. Buiten niet, maar wel binnen in haar huis. Als persoon kon ik nooit een stempel drukken op wat er daar in de huiskamer gebeurde. Als filmmaker wel: het was haar oorlog, maar dit is mijn film.

‘Mijn moeder is nooit bij premières van mijn films geweest, nooit in mijn huizen, nooit op mijn verjaardag. En nu heb ik het gevoel dat ze er tóch bij is, straks bij de première van Housewitz. Dat vind ik echt te gek, dat ik mijn moeder het huis uit heb gekregen. Nu gaat ze eindelijk met me mee.’

Krimschatten

Naast haar documentaire Housewitz (Thuiswitz), die is opgenomen in de Envision-competitie, vertoont Idfa ook Oeke Hoogendijks tweede nieuwe film, The Treasures of Crimea (De schatten van de Krim), in het programma Frontlight. Daarin volgt de filmmaker het juridische getouwtrek om de aan het Amsterdamse Allard Pierson Museum uitgeleende kunstschatten uit de Krim, die nu door zowel Rusland als Oekraïne worden opgeëist. Hoogendijk: ‘Over de rug van de kunst wordt een politiek conflict uitgevochten.’