Aard van het beestje

Het was een goed jaar voor de kleine boomworm

Caspar Janssen gaat wekelijks op zoek naar een dier in zijn habitat. Wat typeert het dier? En waarom doet het juist nu van zich spreken?

De boomworm. Beeld Margot Holtman
De boomworm.Beeld Margot Holtman

Loop twee uurtjes door het weiland van Epke Zonderland en Anke Zonderland-Bajema, melkveehouders in Ferwoude in Friesland, en je kijkt heel anders naar het fenomeen reliëf. Er liggen greppels in het oude, kruidenrijke grasland, er is een nog iets lager gelegen drassig gedeelte, het grasland zelf heeft een dikke strooisellaag en flinke graspollen. Er staan nog boterbloemen in bloei, en rode klaver.

Het was hier al zo in de tijd van haar opa, zegt Anke. Het weiland is nooit intensief bewerkt, met mest geïnjecteerd, gescheurd en opnieuw ingezaaid. Het grasland wordt soms beweid, en slechts één keer per jaar gemaaid, na het weidevogelseizoen.

Dit is het domein van de kleine boomworm. Bioloog Jeroen Onrust doet hier onderzoek naar regenwormen, ‘sleutelspelers in het ecosysteem’. Gewapend met een schop, een zeiltje en een paar buisjes loopt hij door het weiland. Hij graaft pollen uit en inventariseert de verschillende wormen, met hulp van Anke Zonderland. Dat doet hij ook in een nabijgelegen grasland met een monocultuur van Engels raaigras, dat wel flink wordt bemest, zeker vier keer per jaar wordt gemaaid en waar geen koeien lopen. En bij een maisveld even verderop. Een van zijn bevindingen: de kleine boomworm komt alleen hier voor.

Dat zegt iets, maar wat? Er is nog veel onbekend over regenwormen. Wat wil de worm? was niet voor niets de titel van het afstudeeronderzoek van Jeroen Onrust uit 2010. Voor goede grond heb je wormen nodig, zoveel is zeker. En ook: verschillende soorten regenwormen. Onrust onderscheidt twee groepen. ‘De rode regenwormen zijn de humusvormers, zij komen ’s nachts aan de oppervlakte, ze trekken grassprietjes de bodem in, ze staan aan het begin van de afbraakcyclus. De grijze regenwormen zijn de humuseters, ze eten bodemdeeltjes op.’

De interesse van Onrust voor regenwormen kwam voort uit onderzoek naar weidevogels, voor wie regenwormen het belangrijkste voedsel zijn. Onrust zag dat rode regenwormen veel minder voorkwamen in de gladgestreken raaigraslanden. ‘En dat zijn juist de regenwormen waar weidevogels bij kunnen.’ Verstoring speelt een grote rol. Onrust: ‘Regenwormen creëren hun eigen ecosysteem in die bodem, ze leven met schimmels en andere micro-organismen. Door zes keer per jaar te maaien, door mestinjectie, door het scheuren, doorzaaien en doodspuiten, verstoor je dat. En de boer moet dan steeds meer die rol van de worm overnemen, door toevoeging van chemie. Een vicieuze cirkel.’

Dit jaar was een goed wormenjaar, en een relatief goed weidevogeljaar. ‘De waterstand is vaak te laag in boerenland, maar dit jaar regende het flink in voorjaar en zomer. Daar hebben zowel regenwormen als weidevogels van geprofiteerd.’

Uit een eerste grote pol halen Onrust en Zonderland tientallen verschillende regenwormen. En ook meerdere kleine boomwormen. ‘Een mooi wormpje’, vindt Onrust. ‘Behoort tot de rode wormen.’ Onrust vermoedt dat de wormpjes hier profiteren van de dichte strooisellaag, ze zitten nog meer aan de oppervlakte dan de grote rode regenwormen. Hij pakt een opgerolde grote regenworm op, met vier kleine boomwormpjes erin gekruld. ‘Regenwormen rollen zich op als het droog wordt. Zo houden ze beter vocht vast. De kleine boomworm kan dat niet, maar hij laat zich mee opvouwen.’ Dat zou je een vorm van samenwerking kunnen noemen. Diversiteit is belangrijk, wil Onrust maar zeggen.

De oogst is best. En het percentage rode regenwormen blijkt op 70 procent te liggen, veel hoger dan in het raaigrasveld verderop en de maïsakker. Ik zie eigenlijk aan het grasland al waarom. Dit voorjaar barstte het hier van de grutto’s, kieviten, scholeksters en tureluurs. Nu zien we putters, witte kwikstaarten, een veldleeuwerik, een vluchtje wulpen. In een greppel schrikken we een watersnip op.

Meer over