Columnsylvia witteman

Het vervullen van bijbelse plichten kost veel tijd, merkte A.J. Jacobs. Maar je hoeft je in elk geval niet meer te scheren

null Beeld

Tijdens het kijken naar de serie Shtisel (over een zwaar orthodox-joodse familie in oud-Jeruzalem) moest ik vaak denken aan een heel leuk boek dat ik alweer jaren geleden gelezen heb: The Year of Living Biblically, het verslag van een ongelovige New Yorkse man, A.J. Jacobs, die uit nieuwsgierigheid probeert een jaar volgens de (vaak zeer raadselachtige) regels van de Bijbel te leven.

‘Ik ben opgegroeid in een uiterst seculier gezin in New York. Ik ben officieel joods, maar op dezelfde manier als Olive Garden (een bekende Amerikaanse restaurantketen met veel pasta op de kaart, SW) een Italiaans restaurant is. Dat wil zeggen: niet écht. Ik heb nooit op de Hebreeuwse school gezeten en nog nooit een matze gegeten. Het dichtste dat mijn familie ooit bij jodendom is gekomen, is de paradoxale davidster als piek op onze kerstboom. (…) Ik was al agnost voor ik het woord kende. Als er een God zou bestaan, waarom grijpt hij dan niet in tegen oorlog, hongersnood en tegen Ms. Barker, onze juf in groep vier, die ons dwong suikervrije koekjes te bakken?’

Maar eenmaal volwassen realiseert hij zich welke enorme invloed religie nog steeds heeft, hoeveel goed (charitas, mensenrechten) en kwaad (onderdrukking, oorlogen) er nog steeds plaatsvindt in de naam van God.

Hij besluit, bij wijze van experiment, een jaar lang te leven volgens de regels van de Bijbel. Dat blijken er nogal wat te zijn: hij komt er meer dan 700 tegen, van de overbekende ‘Gij zult niet doden’ tot obscuurdere, onbegrijpelijke en moeilijk uitvoerbare als ‘draag geen kleren van gemengde garens’ (Leviticus 19:19: ‘een kleed van tweeërlei stof, dooreengemengd, zal aan u niet komen’).

Er komt een rabbi met een microscoop aan te pas om Jacobs’ garderobe door te nemen. Op de logische vraag ‘wat kan het God eigenlijk schelen of wij gemengde vezels dragen?’ heeft hij zelfs een antwoord: ‘God heeft ons die wet gegeven. Wij moeten Hem vertrouwen. Wij zijn als kinderen. Ouders hebben ook regels voor hun kinderen die ze soms niet begrijpen.’

Ook het stenigen van ongelovigen werpt hindernissen op, zowel juridisch als praktisch, die Jacobs probeert te omzeilen door ongemerkt een kiezelsteentje te laten vallen op de schoen van een man die de zondagsrust niet in acht neemt. (Het mislukt.)

Het vermijden van onkuisheid, hoogmoed en afgunst is niet eenvoudig, midden in New York, maar het raadselachtige voorschrift ‘gij zult u gedraaide snoeren maken aan het kleed, waarmee gij u bedekt’ blijkt eenvoudig op te volgen: de verplichte franje, ‘tassles’, zijn gewoon te bestellen op de website ‘Tassles without Hassles’.

Ook de verplichte baard levert weinig problemen op. (‘Dag twee. Mijn baard groeit snel. Ik begin er al een beetje sjofel uit te zien, als een kruising tussen een hipster in Brooklyn en een vent die de hele dag bij wedkantoortjes rondhangt. Ik vind het prima, het is fijn om me niet te hoeven scheren. Het vervullen van bijbelse plichten kost me veel tijd, maar ik hoef tenminste niet meer elke dag 3 minuten voor de spiegel te verspillen.’)

Maar er blijven nog genoeg tobberijen over. Hoe moet hij een tijdschrift lezen, waarin zo veel te zien is dat zijn (verboden) afgunst opwekt, als zijn vrouw weigert er de advertenties voor dure elektronica en verre reizen uit te knippen?

Het geheel vormt een bijzonder grappig, maar ook leerzaam relaas. Als je een duif voorzichtig van haar nest tilt en een van haar eitjes even vast hebt gehouden, mag je God om alles vragen wat je wilt, zo las ik.

Dat moet ik toch eens proberen. Alleen als die duif het goed vindt, natuurlijk.

Meer over