Het verlangen naar gezag

Uitleg is mooi, discussie noodzakelijk, maar ouders moeten ook structuur bieden en 'geen meegevend kussen' zijn

Stephan Sanders

'Distantie is een sociologische deugd.' Dat leerde Christien Brinkgreve als student toen zij college liep bij de socioloog Joop Goudsblom. Brinkgreve herinnert zich dit motto dat haar in verwarrende tijden richting en perspectief bood en het bijzondere is: zij doet dit in de vorm van een autobiografische schets, die veel van haar collegae- sociologen helemaal niet als gedistantieerd zouden lezen, maar als persoonlijk of zelfs al te intiem. Ik citeer: 'De daarop volgende jaren vielen de woorden weg, kon ik geen opstel meer schrijven, kon niet meer goed bij mezelf en de wereld komen.' Hier beschrijft een middelbare scholiere de (lichte) vorm van depersonalisatie die haar overviel, die pas zou luwen toen ze, alweer van haar leermeester Goudsblom, te horen kreeg: 'Sociologie is een manier om de intellectuele verwarring te verminderen.'

Inmiddels is Brinkgreve zelf hoogleraar sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht, en zo'n positie is van oudsher bekleed met gezag. Des te meer vallen in dit boek de persoonlijke passages op over de opvoeding van haar kinderen, haar echtscheiding, haar ervaringen in de feministische wereld en de omgang met haar ouders. Haar verhaal is een sociologisch vertoog, vermengd met essayistische beschouwingen en zelfreflectie: misschien moet je eerst hoogleraar vrouwenstudies zijn geweest, zoals Brinkgreve, om dat 'persoonlijk kapitaal' zo ongegeneerd in te zetten.

Ik hecht aan deze vorm van betrokken sociologie, die op gepaste tijden wel degelijk afstand neemt. Het is de school van Norbert Elias die hier spreekt, die van Joop Goudsblom en Abraham de Swaan. Ook het persoonlijke geldt daar als een gelegitimeerd onderzoeksveld.

Het verlangen naar gezag laat zich nog het beste samenvatten aan de hand van deze twee zinnen: 'Wie ben jij dat je iets over me te zeggen hebt' en vaak in een en dezelfde adem: 'Zeg me wat ik moet doen.' Het onderwerp is hier de drang naar vrijheid en autonomie, zo beleden in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw, en de roep om grenzen en structuur, die de laatste jaren zo duidelijk klinkt.

Brinkgreve gaat na wat de basis kan zijn van dat nieuwe gezag 'dat altijd verdient moet worden, want het is legitiem erkende macht, te onderscheiden van naakte macht'. Ze kijkt naar de primaire organisatiestructuur, waar bijna iedereen mee te maken krijgt, het gezin, maar ook naar situaties op het werk en op school. En net als ik als lezer denk: nu word je te psychologisch haalt ze de oude grootmeester Erving Goffman aan, die al stelde dat sociologie niet gaat over 'men and their situations' maar over 'situations and their men.' Uiteindelijk, en dat is het knappe van Brinkgreves betoog, wint altijd de blik op het grotere geheel het van de persoonlijke of individuele casus.

Dat nieuwe gezag, hoe zou het eruit kunnen zien? Niet meer autoritair, want precies de generatie van Brinkgreve heeft er alles aan gedaan het te ondermijnen. Maar ook niet anti-autoritair, want ook daar zijn inmiddels wat minder verheffende ervaringen mee opgedaan. Zelf spreekt de sociologe over het ideaal van een 'autoritatieve opvoeding', waarbij via uitleg en overleg wel degelijk de regels worden gesteld.

Hier wordt geprobeerd de missing link te vinden tussen de bevelshuishouding en de onderhandelingshuishouding: want uitleg is mooi, discussie noodzakelijk, maar ouders moeten ook structuur bieden en 'geen meegevend kussen' zijn.

Vooral waar het over het gezin en de school gaat, is Brinkgreve op dreef. Haar analyses van werksituaties overtuigen minder, zeker als ze het politiewerk analyseert, dat nu juist als ultieme taak heeft gezag te belichamen in deze vaderloze samenleving. Zo citeert Brinkgreve met enige instemming een boek, geschreven door twee leidinggevende politiemensen, met een titel die mij alle moed doet verliezen: Sturen op vertrouwen. Natuurlijk, het gesloten, strikt hiërarchisch georganiseerde mannenbolwerk van w

eleer kan wel wat onderhandeling en verandering gebruiken. Maar als we dan lezen dat het deze politiemensen vooral gaat om 'de ontmoeting met de burger, over contact met de getroffenen, over betrokkenheid en begeleiding' - dringt zich bij mij één woord op: pakkans. Zouden ze daar nog aan doen?

Het heeft iets ironisch dat uitgerekend de politie hier het maatschappelijk werk, de therapeuten en de buurtvaders concurrentie aan gaat doen, terwijl toch, zoals Brinkgreve ook opmerkt, 'het handhaven van het gezag' een kerntaak is. Als die club nu ook al haar gezag gaat relativeren, lijkt haar intrinsieke bestaansrecht ondermijnd en chaos verzekerd.

Hier had Brinkgreve wat meer afstand mogen nemen: er zijn sectoren waar een soepeler onderhandelingshuishouding niet simpel in te voeren is - en zeker niet met wat weinigzeggende managerszinnen: je voorziet bijvoorbeeld hoe het leger in een handomdraai in een staat van eeuwigdurende niet-paraatheid raakt, wanneer over elke beslissing moet worden overlegd en elke oefening met alle betrokkenen moet worden 'doorgesproken'. Juist waar snel en effectief moet worden opgetreden, omdat het om levens gaat (ME, brandweer, Eerste Hulp, operatiekamers), is de mogelijkheid tot heronderhandeling beperkt: daar gaat het om stroomlijning, actie, iedereen op zijn plaats en klaren die klus.

Meer over