Het substituut voor erotiek

EEN SCHUTTER die zijn boog spant en een dode, bebloede zwaan met wijdgespreide vlerken. Deze twee snel voorbijschietende beelden treffen Hella Haasse, als zij per trein op weg is van Parijs naar Nederland....

Terwijl zij haar lezing nog eens doorneemt, zetten de beelden zich in haar vast. Zij vormen het vertrekpunt voor een associatieve reeks gedachten, herinneringen en verzinsels die nu, twaalf jaar later, in haar boek Zwanen schieten een vanzelfsprekend geheel vormen. Een meeslepende reis van de geest waarin de pijlen van de schrijfster een hoge vlucht nemen en landen in een gebied dat door 'prestigieuze' geleerden op hun themadagen zelden ontsloten wordt.

Er klopt iets niet met die boogschutter en die bloedende zwaan, denkt Haasse. Boogschieten is een geliefde sport in Noord-Frankrijk. Maar waarom stond die schutter op een open plek midden in het bos en niet op de baan? En waarop richtte hij zijn pijl? Niet op die zwaan, want die lag vijfhonderd kilometer noordelijker, voorbij Den Haag. Al bestaat er wel zoiets als 'zwanen schieten'. Als boeren in het voorjaar last hebben van groepen zwanen die in het weiland voedsel zoeken, nemen ze een zwanenschutter in de arm. Maar het was september, tijd van de grote trek naar het zuiden.

De twee kleine raadsels worden niet opgelost, maar dat is ook niet nodig. Die ongerijmde zwaan en boogschutter lagen niet voor niets op haar route. Ze waren daar bij wijze van spreken speciaal voor haar neergelegd. Haasse zal nooit, zoals Harry Mulisch onlangs in de Volkskrant vertelde, betekenisvolle of 'rijmende' gebeurtenissen toeschrijven aan iets als 'de wereldziel'. Daarvoor is zij te nuchter, en haar wereldbeeld te weinig solipsistisch.

Haar blik bleef eenvoudigweg haken aan de schutter en de zwaan, omdat zij met onbegrepen plekken in haar geschiedenis te maken hadden. Net zoals de foto's van de bizarre sculpturen in een Italiaanse beeldentuin, die ze ooit in een tijdschrift tegenkwam, 'een teken' waren dat zij 'moest ontcijferen' - een ontdekking die leidde tot een van haar mooiste boeken, De tuinen van Bomarzo (1968) - zijn deze twee beelden 'de belichaming van iets dat mij aanging'. En net als Bomarzo is Zwanen schieten niet bij een van de gebruikelijke genres onder te brengen.

Zwanen schieten is essay, autobiografie en verhaal tegelijk. De lezer wordt aan de hand van autobiografische passages meegenomen op verschillende reizen die de verbeelding in gang zetten, wat weer vraagt om reflectie. Na te vertellen is het nooit, en zo moet het. Bij Hella Haasse sluiten 'verbeelding, relaas en kennis' elkaar niet uit. Zij kunnen niet zonder elkaar. Zij zoekt het verhaal in de feiten, zoals in haar romans over mevrouw Bentinck en in Heren van de thee, of roept haar verbeelding te hulp waar de feiten zwijgen, bijvoorbeeld in Een gevaarlijke verhouding of Daal- en Bergse brieven (1976). Maar vóór alles is zij een beschouwer. Iemand die het niet kan laten een stapje terug te doen om andermans en eigen leven, en haar eigen werk, te analyseren.

De autobiografische passages in dit boek zijn onthullend. Niet om het hoge 'Story- en Privé-gehalte' ervan, maar om de pijnlijke eerlijkheid waarmee Haasse mythen die ze zelf bedacht had - en waarmee te leven viel - ontmaskert. Vele zwanen, die van Andersen, van Lohengrin, een die gegraveerd is op een oud balboekje, een die als knop een oude wandelstok siert, voeren haar naar pijnlijke momenten uit haar jeugd. Pas nu, bijna tachtig jaar oud, verklaart de schrijfster zichzelf, waarom er kilte en reserve heersten in haar ouderlijk huis, waarom er over gevoelens, en al helemaal over seksualiteit, niet gesproken mocht worden. Op grond van weinig gegevens reconstrueert zij de geschiedenis van haar vier grootouders, die terugvoert naar Duitsland, en vandaar naar joodse overgrootouders in Hongarije. Zij ontdekt dat haar moeder niet het kind was van haar 'echte' grootvader, maar van haar moeders minnaar. Tot haar verrassing heeft zij een halfzuster, het 'Indische' spiegelbeeld dat zij zich altijd droomde.

Uit het samenspel van die genen in een familie, uit de som van alle noodlottigheden die hun karakters vormden, ontstond zij, de schrijfster. Iemand met een gespleten karakter: enerzijds hartstochtelijk en sensueel, anderzijds instinctief terughoudend. 'Die innerlijke tegenstrijdigheid leidt tot een blokkade, tot onvermogen gevoelens te uiten, tenzij indirect, in verzonnen verhalen over bedachte personages, of door identificatie met het leven en lot van mensen die ik heb waargenomen in de werkelijkheid nu en hier, of gevonden in de geschiedenis.'

Het pianospel van haar zwijgende moeder en de verhalen waarmee zij zich als kind terugtrok, waren het substituut voor erotiek. Haar onvermogen om met hart en ziel mee te doen met de anderen maakte haar noodgewongen tot schrijfster. En haar behoefte aan raadsel zoog haar in de richting van haar toekomstige echtgenoot, een gesloten jongen, 'wiens neiging om eigen problematiek in afstandelijk zwijgen te verbergen, mij onweerstaanbaar aantrok'. Hij zou al die jaren voor haar blijven, net als de overweldigende natuur die haar in Indië omringde, 'het stille water met de diepe gronden, dat ik nooit zou kunnen doorgronden'.

Haasse's eerlijkheid en scherpe zelfanalyse zijn ontroerend, zeker voor wie haar afkeer van en angst voor bekentenissen kent uit haar werk. Maar het verhaal over de grootouders is ook interessant als geschiedschrijving, als portret van stuk voor stuk ietwat excentrieke mensen uit de vorige eeuw. Bovendien onthult Hella Haasse al schrijvend haar methode: hoe alles - van angstige kinderdromen en herinneringen aan rake klappen tot mythen en verhalen, straten en huizen, voorwerpen en toevallige beelden - wordt uitgezift voor het beantwoorden van een vraag, die intussen allang een andere is. Hoe bedreven is zij in dat samenvoegen van ongelijksoortig materiaal, en hoe weinig last heb je als lezer van de moeite die het haar gekost moet hebben.

Op dezelfde manier is de lezer getuige van de totstandkoming van een fictieve vertelling. Op een passerende boot op een rivier in Australië, waarheen Haasse's zoektocht naar haar familie haar voerde, ziet zij in een flits een jongen die zijn fototoestel in het water laat vallen. Hij zet haar, zo blijkt achteraf, aan het fantaseren. Jason, kind van Britse, Duitse, en Nederlands-Indische voorouders, is net als de schrijfster op zoek naar zijn oorsprong; hij wil ergens thuishoren. In dit verhaal zitten allerlei autobiografische elementen, en het is fascinerend om te zien hoe de schrijfster ze handig ombuigt of opneemt in een nieuwe samenhang. 'Ik had Jason ertoe kunnen brengen zijn fototoestel achterna te springen', schrijft zij, als zij haar verhaal abrupt afbreekt. 'Maar ik heb mij verzet tegen de onderhuidse dwang van mijn schrijvende ik. Ik wil dat Jason tijd van leven heeft, om zijn weg te vinden.'

Op dit punt in haar enorme oeuvre aangekomen, kan Haasse de kinderlijke verleiding van de verbeelding weerstaan. Zij werpt - tijdelijk, valt te hopen, en vooral symbolisch - de sluier van de fictie van zich af. Nu staat zij daar zelf, aan het eind van het boek. Een zwarte zwaan, 'the black swan of trespass on alien waters', een ontheemde die 'niet leeft in zijn eigen element'. Maar wie net door deze schrijfster in slechts 128 pagina's door een onnavolgbare mengeling van feit en fictie is meegevoerd, kan die ontheemdheid alleen maar zinvol vinden.

Aleid Truijens

Hella Haasse: Zwanen schieten.

Querido; 128 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 214 6471 3.

Meer over