TaalgebruikWoord van de week

Het straattaalwoord van de week: safi

Dialect, jeukend jargon, straattaal of neologisme – elke week ontwaart de Volkskrant een opvallend woord. Zoals dit straattaalwoord: safi.

Lang hadden vooral het Surinaams en Papiaments grote invloed op de straattaal, maar de laatste jaren is die steeds meer doorspekt geraakt met Marokkaans-Arabisch. Een minicursus: met sahbi spreek je een vriend aan, saaf – van het Arabische sarf, wisselgeld – is geld en ewa kun je zo’n beetje overal tussen gooien.

Maar ik wil even inzoomen op het woord safi (zie ook het nummer Ewa safi van Sam J’taime, Hef, Josylvio & Kalibwoy). Safi komt van het Arabische woord voor ‘helder’ of ‘puur’, maar in het Marokkaans betekent het ‘genoeg!’ of ‘stop!’, of ook wel ‘oké, het is goed zo’. Je spreekt het uit als saffie.

Wacht eens, denkt een oplettende Amsterdammer hier, een saffie, dat is toch een peuk, een sigaretje? Luister Origineel Amsterdams van Osdorp Posse er maar op na! Juist, saffie, of saffiaantje, wordt in het Amsterdams al meer dan honderd jaar gezegd. Het komt uit die veel oudere straattaal, het Bargoens, de taal van dieven en reizende handelaren. Saffie verwijst naar het saffiaanleer waarmee sigarenkokers vroeger werden bekleed en dat afkomstig was uit de Marokkaanse kuststad Safi.

Aha, denkt u nu, zo is de cirkel rond! Die stad heet vast Safi omdat dat in het Arabisch dus ‘helder’ of ‘puur’ betekent. Zo komt dit hele verhaal netjes samen. Helaas niet. De stad Safi heet lokaal eigenlijk Asfi, en dat komt weer van het Berberse werkwoord voor overstromen.

Maar voor we een eindeloze etymologietunnel in duiken, tot slot een oefenzin: ‘Ewa sahbi, heb je nog saaf voor saffies?’ ‘Safi!’

Meer over