Het sterfbed als Frans salonmeubel

WIE LIEGT denkt aan de toekomst. Misschien vandaar de gedachte dat stervenden nooit liegen: zij hebben geen toekomst meer. De leugens om bestwil laten zij aan de nabestaanden over, want over de doden niets dan goed....

Alle verhalen over sterfbedden doen aan als fraaie - soms wraakvolle - constructies van de nabestaanden. Doodgaan, dat doe je gewoon, is eens opgemerkt. De levenden kunnen er niet in berusten. Koning Victor Emmanuel II zei stervende tegen zijn lijfarts: 'Hoe lang duurt dit nog? Ik heb een belangrijke afspraak.' Dat is natuurlijk gewoon wartaal, van de ontregeling van de zinnen het gevolg. Maar de verbeelding berust daar niet in. Die hoort in de woorden een schitterend optimisme. Of een nog meer schitterende definitie van de dood zelf: de koning heeft een afspraak met God. Er moet dus snel worden gestorven. Wat is er geen geestrijkheid toegekend aan Goethes 'Meer licht'. Dat waren overigens niet zijn laatste woorden, maar men wilde dat ze de laatste waren van deze even verlichte als onverzadigbare geest.

De meeste biografieën kunnen het aantonen: de laatste dagen en uren van de hoofdfiguur zijn zelden de boeiendste uit diens leven. En van een karakteristiek sterfbed - de laatste noot als samenvatting van alle muziek van het leven - is welhaast nooit sprake. De biograaf is geen nabestaande! Het enige zeer literaire en dus adequate sterfbed dat ik mij herinner is dat van Alfred Tennyson, al moeten de biografen vertrouwen op de herinneringen (en dus ook de interpretaties) van zijn familie, waaronder, gelukkig, een nuchtere schoondochter; alle anderen waren in feite delen van zijn dichterlijke werk. Literair was ook het sterfbed van Tsjechov, die van zijn laatste uren een prachtig kort verhaal van hemzelf maakte. Hij weigerde een laatste medicijn, maar accepteerde champagne. Hij nam het glas aan van de dokter, wendde zich tot zijn vrouw Olga: 'Het is lang geleden dat ik champagne heb gedronken.' Langzaam dronk hij het glas leeg, ging op zijn linkerzij liggen en stierf. Maar zijn humoristische geest bleef in de kamer. Enkele ogenblikken na zijn sterven klinkt in de doodstille kamer een vrolijk geluid: de kurk, weer op de champagnefles gedaan, springt er met een lichte knal af. Ik ben bereid het te geloven, want alleen Tsjechov zelf had dit kunnen verzinnen. De laatste woorden van de dichter Hopkins luidden: 'I am so happy, I am so happy'. Maar die woorden waren in de Victoriaanse tijd een sterfbed-traditie. Waarschijnlijk heeft hij dus gezwegen. We krijgen de woorden (er is misschien geen mooier voorbeeld dan de zogenaamde ouderwetse bidprentjes) die gebruikelijk zijn. In de dood zijn allen gelijk. Ja, een lijk, heb ik iemand dat eens horen corrigeren.

TWAALFHONDERD STERFBEDDEN is veel. Ze worden gepresenteerd - ach, de dood wordt op afstand altijd entertainment - vanwege hun individuele karakter. Maar voor wie ze achter elkaar leest, worden ze uniform, in elk geval: het verhaal wordt eentonig. Ze werden bijeengebracht mede als demonstratiemateriaal van het inzicht dat men de dood krijgt die men verdient of dat de dood de ware aard van het leven zichtbaar maakt. Toch heeft de samenstelster van de Dictionnaire de la mort des grands hommes naar eigen zeggen van talloze biografieën alleen de laatste bladzijden gelezen. En zo de dood geïsoleerd van de rest van het leven. Heel veel recht van oordelen over de dood heeft ze dus niet. (Op dit moment zette ik even de televisie aan. Er wordt een uitvoering gegeven van het Requiem van Mozart en men is aan het 'Dies irae, die grote nivelleerder tot vermorzeling uit de dodenliturgie. En dat na twee dagen lezen in een dodenboek).

De samenstelster van de 'Dictionnaire' heet Isabelle Bricard. Ze is jarenlang met het verzamelen van haar materiaal bezig geweest. Maar enige bron vermeldt zij nergens. Hoeveel apocriefe uitspraken of gebeurtenissen moeten er niet in het boek zijn geslopen. Zoals bon mots worden ook sterfbedden aan verschillende mensen tegelijk toegeschreven. Hoeveel keer is de estheet niet onsterfelijk gemaakt door hem bijna dood de schoonheid niet te laten verloochenen. Toen de Spaanse beeldhouwer Lorenzo Cano de laatste sacramenten ontving, weigerde hij het kruisbeeld te kussen: het was heel slecht gemaakt. En talrijk zijn de geleerden die bijna dood de voorlezer of de trooster in hun taalgebruik of verkeerde uitspraak menen te moeten corrigeren. Voorbeelden te over in het boek. Het verhaal ging nog over onze zeer erudiete leraar Latijn.

Ik ben het meest nieuwsgierig naar de bronnen over de in 1709 gestorven Nederlandse schilder Ludolf Bakhuysen. Hij is een van de paar Nederlanders, waardig een 'grote dode' te zijn. Ik heb nooit van hem gehoord. En oorspronkelijk was hij stervend zeker niet. Hij liet wijnen komen en bottelen, en deed achtenzeventig guldens - hij was achtenzeventig jaar - in een beurs. Hij stelde een lijst op van zijn vrienden die bij zijn begrafenis moesten worden uitgenodigd, vroeg hen de wijn gezamenlijk op te drinken en het geld op een leuke manier op te maken aan een diner. Hoevelen hebben zich na hun dood geen gezondheid laten toedrinken.

Twee keer wordt over een heel oude dode verteld dat hij stierf aan vergiftiging en wel door het nuttigen van een vergiftigde hostie tijdens de mis. Ik denk dat dat een legendarisch verhaal is, dat in het leven van meer mensen voorkomt. De dood als laatste sacrament. Het is te mooi om waar te kunnen zijn. Maar Isabelle Bricard lijkt mij niet zo kritisch. Zij wil misschien toch vooral amuseren met haar overlijdensberichten. En, waar mogelijk, met verslagen van de begrafenissen. Die zijn overigens meestal aan elkaar gelijk. Zoals de inzet van het sterfproces ook niet zoveel variaties vertoont. Er is wat kou gevat in de geschiedenis. Een verwaarloosde kou, - dat moet de meest voorkomende doodsoorzaak zijn. En natuurlijk moord. Maar dat is gevolg van de grootheid van de doden, onder wie heel veel koningen en staatslieden. Dat het schavot een heel drukke plaats van sterven was, is maar schijn. Maar al die geestigaards moesten uiteraard in het naslagwerk, hoe onbekend ze verder ook mogen zijn. En weinig groot, naar geest en geschiedenis.

De 'dictionnaire' is heel Frans. En uit de heel rijke geschiedenis van Frankrijk. En dat land heeft heel veel historische en literaire rommelzolders, waar de obscuren, maar eens beroemden rusten. De auteur moet er een paar hebben leeggehaald. Een systeem is in de gekozen 'groten' niet te ontdekken. Ik krijg het vermoeden dat Isabelle het meest houdt van sterfbedden als een superieure kleine novelle, vol tegenstellingen en zo mogelijk verrassingen. Nogal eens brengt ze alles terug tot een heel aardig kort verhaal. Dit staat er bijvoorbeeld over de Franse schrijver Robert de Flers, die in 1927 aan aderontsteking overleed (de doodsoorzaak wordt bij iedereen vermeld, er is veel gestorven aan nier- en andere stenen). Hij werd vijfenvijftig jaar:

'Groot eter, kuurde Robert de Flers elk jaar in Vittel. Het is daar dat hij de geest gaf, - de uitdrukking is bij een zo geestrijke schrijver onvermijdelijk. Geen 'woord' op zijn sterfbed, alleen een klein briefje aan zijn vrouw: 'Ik zou mijn hoofd op je schouder willen leggen.' En hij stierf, het hoofd op de schouder van Geneviève, de zus van een klasgenoot, op wie hij vanaf zijn twaalfde verliefd was, sinds de dag dat hij haar even had gezien in de spreekkamer van de Fénelon School.'

De opmerking over de 'geest' verraadt een hebbelijkheid van de auteur: ze kan nooit nalaten middels woordspelingen of associaties verbanden te leggen, die dan heel kunstmatig zijn. Rilke heeft een gedicht geschreven 'De Roos'. En een prik van een rozendoorn is het begin van de bloedvergifting waar hij aan zal sterven. Wat de nabestaanden op verheven wijze doen - dat wat toevallig lijkt een hogere zin geven - doet de auteur op een vlotte manier. Dat maakt het sterven er niet duurder op. Het doodsbed als anecdote. Bij de driehonderdste dode ongeveer dacht ik: er is maar een waardige en adequate manier iemands sterven te beschrijven: hij werd ziek en hij stierf. De rest is literatuur. En wanneer die, als hier, tot een beknopte wordt teruggebracht, krijgt men een verhaal als een bon mot. De componist Corelli, voor wie het, hoop ik, in de hemel altijd kerstmis is, geeft het voorbeeld:

'Corelli genoot van grote successen toen hij naar het hof van Napels vertrok. Enkele jaren later kwam hij terug naar Rome, waar andere musici zijn plaats in het hart van het publiek hadden ingenomen. Zijn terugkomst werd nauwelijks opgemerkt en de componist zakte weg in een zenuwzwakte. Hij kreeg de genadeslag van Scarlatti, die hem er op een dag op attent maakte dat hij zich in de waarde van een noot had vergist. Corelli stierf van verdriet en vernedering.'

Zo wordt de dood een rechtlijnig sprookje. Als we op de verhalen van Isabelle Bricard afgaan, blijkt sterven een weinig genuanceerde zaak.

De beste laatste woorden zijn natuurlijk de grafschriften, mits bij het leven door de overledene zelf gemaakt. De echt groten volstaan met hun naam. Hoewel: dit liet Benjamin Franklin op zijn steen zetten, de tekst was in versvorm gehakt: 'Hier rust het lichaam van Benjamin Franklin, drukker, lijkend op de band van een oud boek, beroofd van zijn inhoud, ontdaan van zijn titel en verguldsels, voedsel voor de wormen. Maar het werk zal niet verloren gaan, want eens, zoals het zelf geloofde, zal het terugkomen, in een nieuwe en elegantere editie, herzien en gecorigeerd door de Schrijver.'

Zelden zal de verrijzenis van het vlees zo mooi zijn weergegeven. De onsterfelijkheid nooit hoogmoediger dan in de woorden die Cocteau op zijn graf liet zitten, Christus nasprekend: 'Ik blijf met u'.

De nabestaanden kunnen de saaiheid van de steen respecteren. 'Hier rust', bijna een tautologie. Er zijn natuurlijk onsterfelijke grafschriften: van Raphaël en van de Nederlandse paus Adrianus VI. Maar hoed u testamentair voor de grappenmakers. (Ik heb eens een heel boek met leuke grafschriften en epigrammen gelezen, het was uitgegeven door Faber and Faber. En ik verlangde daarna bijna hartstochtelijk naar crematie, weg van het stenen tijdperk). Maar zonder geest laat men de dode toch vaak niet achter. Een mime-speler uit de negentiende eeuw kreeg dit op zijn steen:

Ci-gît qui a tout dit

Et qui n'a jamais parlé.

De dubbelzinnigheid van de eerste regel is natuurlijk het mooist.

Op de steen laat zich niets meer vermoeden. Op het sterfbed kan de onvoltooidheid nog voor het mysterie zorgen. Er zijn nogal wat stervenden die nog iets wilden zeggen, maar het laatste woord niet meer konden uitbrengen. Het mooist deed Coppê het. 'Er zijn maar drie dingen in het leven: de vriendschap, de liefde en.' Het derde zullen we nooi weten. Gelukkig.

ER STAAN in het boek nogal wat bekende teksten: de beroemde dialoog tussen de stervende Dumas en zijn zoon en natuurlijk het telegram dat Mauriac ontving de dag na de dood van André Gide. Het was verzonden vanuit het hiernamaals en ondertekend met 'André'; het luidde: 'De hel bestaat niet. STOP - je kunt losbandig gaan leven STOP Waarschuw Claudel. STOP.

De 'Dictionnaire is geen goed boek; daarvoor is het van samenstelling te willekeurig, van inhoud te oppervlakkig, van toon te luchthartig. Maar misschien kan het bij de dood niet anders. Het is een ideaal boek voor in bed. Voor amusement en voor bezinning. Want de traditionele gedachte zal zich aandienen: dit bed kan mijn sterfbed zijn. Ik denk dat ik het maar houd bij een van de vijf laatste woorden van Rabelais: 'Laat het gordijn maar zakken. De klucht is over.' Maar ik zal er dan toch een andere van hem aan moeten toevoegen: 'Ik ga op weg naar het grote misschien'. Want dat bewijst dit boek toch wel: in zijn laatste uur wil iedereen toch voor ernstig worden gehouden. Niet iedereen natuurlijk. Grote mensen. Voor wie humor en humus alleen etymologisch verwant zijn.

Isabelle Bricard, Dictionnaire de la mort des grands hommes, Le Cherche Midi, Parijs, ¿ 82,85.

Meer over