HET SLIJK DER AARDE Alles draait om geld en verlatenheid in Martin Walsers achttiende roman

‘Wanneer een verhouding bestaat ondanks meedogenloosheid bij beide betrokkenen, dan is dat de ideale verhouding’, overweegt Karl von Kahn, de zeventig jaar oude vermogensadviseur die tegelijkertijd de held en het slachtoffer is in de nieuwe roman van de Duitse schrijver Martin Walser, Angstblüte....

Negenenzeventig is hij, Walser, en Angstblüte – bijna vijfhonderd pagina’s dik – is zijn achttiende roman; als dit zijn laatste uitbarsting is, dan is het gepast hem met een eik te vergelijken: hoeveel schrijvers, de helft zo oud als hij, zouden het aandurven, ja, aankunnen, een roman te schrijven met zo’n brede, actuele, weerbarstige thematiek, geschreven met onstuitbare energie en in een taal waaraan alle bedaagdheid vreemd is? Angstblüte is geen elegie, maar een epos, het epos van een man aan wie het leven bezig is te ontglippen, maar die zijn nadagen gebruikt om in alle richtingen te schieten – liefst met scherp, en als het even kan raak.

Karl von Kahn interesseert zich voor geld, geld als abstract begrip, als eindeloos fascinerende grondstof voor emoties en machtsposities. Hij handelt met geld en hij denkt erover na, hij schrijft er zelfs over voor het contactblad dat hij iedere maand ten gerieve van zijn vermogende cliëntèle laat maken. Zijn helden zijn geen filosofen of schrijvers, geen Dichter und Denker, maar doortastende speculanten en succesvolle beleggingsadviseurs en beursanalisten. Aan, wat hij noemt, de ‘Kulturfraktion’, de parmantige zwijmelaars van kunst en cultuur die ostentatief hun neus ophalen voor het slijk der aarde, heeft hij een uitgesproken hekel. Zelf citeert hij liever George Soros dan Johann Wolfgang von Goethe.

Angstblüte moet trouwens de eerste roman zijn waarin ‘zwarte woensdag’, de dag in 1992 waarop Soros tegen The Bank of England speculeerde en het Britse Pond tot devaluatie drong, een voorname rol speelt, zoals er ook helder in uit de doeken wordt gedaan wat optiehandel is en hoe je daar grof geld mee kunt verdienen. Karl von Kahn weet hoe je aan rendementen van rond de 20 procent komt, Martin Walser laat het hem ook de leden van de ‘Kulturfraktion’ uitleggen.

Het gaat hem om zijn onafhankelijkheid: wie voldoende vermogen heeft en weet hoe hij dat nog kan vergroten, is onafhankelijk, zelfs onafhankelijk van kooplust. Karl von Kahns vermogen is niet langer bedoeld om er goederen mee aan te schaffen, maar alleen om er meer geld mee te maken. Daar mag, voor de contramineuze schrijver die Walser zijn leven lang is geweest, vermoedelijk met een gerust geweten een metafoor in worden gezien, de metafoor van de intellectuele en artistieke autonomie die de schrijver zich eigen heeft gemaakt.

Zijn kapitaal is zijn oeuvre, is zijn talent; hij is van niemand meer afhankelijk als het om zijn nurkse opvattingen over de Duitse geschiedenis en de publieke moraal in Duitsland gaat. Veel gepolemiseerd heeft hij; nog geen tien jaar geleden belandde hij in een onaangenaam debat over wat hij de ‘Auschwitzpflicht’ noemde, de rituele verontschuldiging voor de gruwelen van het nazisme die in zijn land evenzeer bon ton was geworden als holle frase.

Maar Von Kahns nadagen worden een aftelversje. Hij verliest zijn beste vriend, een handelaar in eersterangs antiek en kunst, hij verliest zijn artistieke broer, hij verliest zijn vrouw en ten slotte zelfs zijn jongste, voluptueuze minnares. Die vriend licht hem op, die broer maakt een eind aan zijn leven, die vrouw beseft dat hun huwelijk een wederzijdse gijzeling is geworden, en die minnares blijkt een toneelstukje te hebben opgevoerd. Von Kahn blijft met de brokken zitten.

‘Er bestaat geen relativiteitstheorie van de moraal’, overweegt hij, en in de laatste hoofdstukken van het boek, een virtuoze requiemmis voor de verlatenheid, is hij weliswaar vermogender dan de bijbelse Job ooit geweest is, maar zit hij toch op de mestvaalt van zijn eigen leven.

Dat heeft alles te maken met ontgoocheling, een ontgoocheling die begint in de Tweede Wereldoorlog. Daar, in de ruïnes van Stalingrad, zijn de normen vastgelegd, de onwrikbare normen van trouw en toeval. Zijn broer heeft er gevochten – en dat heeft zijn leven bepaald.

Alle zeventigplussers in Walsers boek hebben een onverteerd oorlogsverleden, een verleden waarmee zij geen kant uit konden in het naoorlogse Duitsland. Dat maakte immers korte metten met die geschiedenis en stelde er de heldere moraal van een fatsoenlijk links tegenover. Wat daarvan geworden is, weet Karl von Kahn maar al te goed, want hij krijgt ze één voor één aan zijn bureau, de parmantige idealisten van weleer. Die willen inmiddels allemaal hun vermogen veiligstellen en liefst nog vergroten ook.

Vertrouwde thema’s, vertrouwde bitterheid, op het verongelijkte af, voor wie Walsers werk kent. ‘Kosmopoliet kan men, geloof ik, niet vóór alle ervaring worden, maar eerst door alle ervaring’, overweegt Von Kahn wanneer hij weer eens zo’n zwetser te woord moet staan. ‘Ik was links’, zegt een hunner. ‘Ik was gefascineerd door de gerechtigheidsillusie, maar ik geef toe: niet zonder hoogmoed.’

Het gaat Walser om die hoogmoed; daar heeft hij zijn leven lang mee te stellen gehad. En hij heeft er opnieuw mee te stellen nu het idealisme in onlesbaar materialisme is komen te verkeren. ‘Pas wanneer er geen voorwerpen meer zijn die storen, wanneer het geld volledig zichzelf blijft, begint het rijk van de vrijheid respectievelijk de kunst of, wat hetzelfde is, de godsdienst.’

Daar worden wrok en weerbarstigheid vrijwel zen. Karl von Kahns zwanenzang is gewelddadig en geweldig: zij leidt tot niets anders dan een fascinerend en ontregelend boek.

Michaël Zeeman

Martin Walser: Angstblüte Rowohlt Verlag 477 pagina’s euro 22,90 ISBN 3 498 07357 5

Meer over