Het Rode Geluk

Geluk in de vorm van baksteen

Truijens Aleid

'Wie hier binnengaat, laat elke hoop varen', schreef Gerard Reve over de Amsterdamse wijk waar hij opgroeide, Tuindorp Watergraafsmeer, in de volksmond 'Betondorp' geheten. Het frisse buurtje met lage huisjes, fleurige voortuintjes, een brink, een bibliotheek en een gemeenschapshuis - maar géén kerken of cafés - leek in alles een dorp. Dat was precies de bedoeling van de socialisten die begin jaren twintig dit tuindorp lieten ontwerpen. De propere omgeving, ver van de verloederde binnenstad moest de arbeider, en de lagere middenstand, verleiden tot een oppassend bestaan.

De verstikkende braafheid en de voelbare opvoedkundige bedoelingen waren neerdrukkend voor de kleine Gerard - begrijpelijk. Toch bleek Betondorp een kweekvijver voor talent; veel van die arbeiderskinderen schopten het ver. Als je er nu rondfietst dan denk je: wat is het hier mooi. Dat geldt voor alle wijken die tussen 1920 en 1930 aan de toenmalige Amsterdamse stadsranden verrezen: aan de zuidkant Berlages magistrale Plan-Zuid-, in het noordwesten de Spaarndammerbuurt, de buurten rond het Olympisch Stadion en de Sloterkade, de Transvaalbuurt in Oost en de tuindorpen in Noord. Het waren wijken waar je fijn kon opgroeien. De woningen, met zonnige erkers, waren redelijk ruim tot groot, sommige hadden zelfs een badkamer. Op de intieme, groene pleintjes konden kinderen veilig spelen.

Deze bloeiende jaren van stedenbouw voegden enorme schoonheid toe aan de stad. Op de bouw werd niet beknibbeld: fraaie, golvende daken met rode dakpannen, uitbundige ornamentiek. Laat alles wat in deze gelukkige jaren gebouwd is door architecten als M. de Klerk, P. Kramer, J.C. van Epen weg, en je houdt de oude binnenstad, de nauw opgezette negentiende-eeuwse ring en de woondozen uit de jaren vijftig en later over. Dan hangt er een grauwsluier over de stad.

Nog altijd is in deze buurten de overtuiging van de makers voelbaar: ook de arbeiders en middenstanders hadden recht op een omgeving met allure. Geluk was maakbaar. Vooruitgang had de vorm van gestapeld baksteen . Nu zijn deze woningen gewild, en voor een groot deel ten prooi gevallen aan de vrije markt.

De komst van deze wijken was niet mogelijk geweest zonder een nieuw fenomeen aan het begin van de vorige eeuw: de woningbouwvereniging, een 'bouwvereniging zonder winstbejag'. Vanaf de invoering van de Woningwet in 1901 bemoeide de overheid zich met de volkshuisvesting.

Dat was hard nodig, want door de explosieve bevolkingsgroei in de 19de eeuw was de woningnood groot; velen woonden in de oude wijken in barre omstandigheden: met grote gezinnen in één kamer zonder sanitair, of in vochtige kelderwoningen. Particuliere woningbezitters lieten winst prevaleren boven de belangen van de bewoners.

De woningbouwverenigingen deden dat niet: zij kochten met geleend overheidsgeld grond, bouwden degelijke huizen en hielden de huren zo laag mogelijk. Er waren katholieke en protestantse verenigingen, en eentje voor onderwijzers, maar een socialistische pendant bestond nog niet. Deze, de Algemene Woningbouw Vereniging, werd in 1910 opgericht, op initiatief van bevlogen SDAP-voormannen, onder wie Arie Keppler. Voortaan konden mensen met een rood hart wonen in hun eigen sfeer: dansen rond de meiboom op hun eigen pleintje. De architect die als eerste een opdracht kreeg, was de minste niet: H.P. Berlage.

Jos van der Lans, die eerder al enkele boeken schreef over volkshuisvesting, tekende de geschiedenis op van deze 'Algemene', maar volbloed rode vereniging op, die generaties arbeiders goed liet wonen. Hij deed dat bij wijze van afscheid: in juli 2007 werd de AWV opgeheven; zij fuseerde met woningbouwvereniging Het Oosten tot het bedrijf Stadgenoot.

Een dramatische passage in deze beeldend vertelde geschiedenis - met prachtige foto's - is het treurige lot van de bewoners van het Transvaalplein, voornamelijk joodse diamantarbeiders; zij werden bij een razzia in 1943 vrijwel allemaal weggevo

erd. Sterk is ook Van der Lans' beschrijving van de Nieuwmarkt rellen in 1972. Het waren jaren van ultieme inspraak voor 'de buurt'. Bewoners - veel kunstenaars en krakers - kregen voor elkaar dat grootscheepse stadsvernieuwing werd omgezet in kleinschalige, vriendelijke projecten.

Veel gebouwd wordt er niet meer in Amsterdam, en helemaal al weinig voor de 'sociale sector'. Een groot deel van het woningbezit werd verkocht aan particulieren. Veel leden vertrokken naar Purmerend of Almere. De nieuwe arbeiders, veelal allochtonen, wonen nu in de buitenste ringen van de stad, in verpauperende wijken - ontwikkelingen die de pioniers van de vorige eeuw niet vrolijk zouden stemmen. Jarenlang waren AWV-leden ook medebezitters; hun contributie gold als een aandeel. Zij hadden zeggenschap in een ledenraad. Vrijkomende huizen waren uitsluitend bestemd voor leden, een privilege dat zij kwijtraakten.

De moderne woningbouwvereniging is allang niet meer een kroonjuweel van de gemeenschap, maar een bedrijf dat de markt bedient, aangestuurd door een fors management - conform de vooruitgangsidealen van ónze tijd.

Meer over