Het realisme van Plato

HET IS een veelgehoorde klacht dat literaire auteurs nauwelijks nog fictieve verhalen schrijven, maar steeds vaker zichzelf als personage nemen....

De filosoof Cornelis Verhoeven meent van wel. In zijn essay De ogen van Plato verkent hij de grens tussen fictie en werkelijkheid en stelt vast dat elke vorm van fictie, wil zij overtuigend zijn, een zekere dosis werkelijkheid moet bevatten. Zonder die dosis werkelijkheid mist het verhaal het intrigerende aura 'dat het echt gebeurd zou kunnen zijn'. De verbinding van de fictie met de werkelijkheid kan tot stand komen door autobiografische elementen in het verhaal op te nemen, maar historische verwijzingen of verwijzingen naar andere literatuur volstaan eveneens.

Verhoevens opvattingen over literatuur spruiten voort uit zijn filosofische stellingname. In zijn werk heeft de werkelijkheid, de tastbare realiteit, altijd zwaarder gewogen dan welk filosofisch argument of systeem ook. Dat gewicht van de werkelijkheid geeft zijn gedachten een beschouwelijkheid die door sommigen wel mystiek genoemd is, maar die hijzelf liever kenschetst als verwondering. Verwondering dat er iets is en niet niets en dat de werkelijkheid zoveel rijker is dan de wereld der gedachten.

In de jaren zestig, toen hij net naam begon te maken als filosoof, werd die beschouwelijkheid hem nogal kwalijk genomen. Zijn observatie dat de gevoerde demonstraties tegen geweld voor alles geweld opriepen, oogstte weinig waardering. Zijn opmerking dat de leuze 'Verbeter de wereld, begin bij jezelf' een misleidende morele versimpeling was, kreeg vanzelfsprekend nog minder bijval. Maar de jaren zestig gingen voorbij en in 1980 ontving Verhoeven de P.C. Hooftprijs.

Inmiddels is hij met emeritaat, zeer tegen zijn zin, want zijn neiging tot beschouwelijkheid heeft een gezonde werklust nooit in de weg gezeten. Nog altijd is hij een eigenzinnig denker, die zich niets aantrekt van de heersende modes. Zijn overtuiging dat goede literatuur altijd een dosis werkelijkheid bevat, betekent allerminst dat het onderscheid tussen feit en fictie vervaagt. Integendeel, hij verdedigt het onderscheid tussen werkelijkheid en fictie met verve, op het gevaar af voor naïef versleten te worden.

Hij plaatst zich hierdoor lijnrecht tegenover de meest recente filosofische stroming, waarin heel andere ideeën circuleren. De zogenoemde postmoderne denkers benadrukken juist hoezeer datgene wat wij werkelijkheid plegen te noemen, doordrenkt is van de verhalen die wij erover vertellen. De Amerikaanse filosoof Richard Rorty gaat zelfs zo ver te beweren dat er geen wezenlijk onderscheid is tussen literatuur en, bijvoorbeeld, wetenschappelijke theorievorming: het zijn alle twee vormen van fictie.

Verhoeven karakteriseert het postmoderne gedachtegoed als een denken dat met zichzelf op de loop is gegaan. Het is vergeten dat 'het pure bestaan altijd een intellectuele en emotionele meerwaarde heeft ten opzichte van alles wat gedacht is, ook als dat met warmte wordt gedacht of 'wezen' heet.' De dood van een geliefd persoon levert het bewijs van deze nuchtere waarheid. Geen enkel verhaal over de gestorvene kan het gemis goedmaken. Terecht concludeert hij: 'Liefde maakt een eind aan de filosofische verleiding licht te tillen aan het 'er zijn'.'

Hier is de stem hoorbaar van Martin Heidegger, een van de filosofen die Verhoeven diepgaand hebben beïnvloed. De nadruk die Verhoeven legt op de waarde van het pure bestaan is een echo van de oproep 'Zu den Sachen selbst!', wat de slogan was van de filosofische stroming waartoe Heideggers denken gerekend kan worden, de fenomenologie. Ook zijn passie voor de filosofen uit de klassieke oudheid deelt Verhoeven met Heidegger. In De ogen van Plato brengt hij tamelijk nonchalant een uitleg van Plato's belangrijkste ideeën naar voren, die radicaal breekt met de gebruikelijke interpretaties.

Het geijkte beeld dat altijd weer opduikt in inleidingen en naslagwerken is dat van de Platoonse ideeënwereld als een transcendente, de aardse werkelijkheid overstijgende realiteit, in vergelijking waarmee ons aardse bestaan niet meer is dan een slap aftreksel. Maar dit beeld vindt Verhoeven moeilijk te verteren. Hij verzet zich tegen de gedachte dat Plato's ideeën zich op een hoger niveau zouden bevinden dan de werkelijkheid om ons heen. De dingen die wij waarnemen, worden niet voor niets 'schaduwen' genoemd door Plato: de werkelijke dingen waarvan zij de afschaduwing zijn, bevinden zich vlakbij.

Door de Platoonse ideeënwereld niet op te vatten als een fictie, maar integendeel te begrijpen als een verwijzing naar de tastbare werkelijkheid buiten het filosofische denken, verandert hij Plato van een idealist in een realist. Dat is een enorme stap, want traditioneel staan idealisme en realisme in de filosofie lijnrecht tegenover elkaar.

Verhoeven presenteert zijn interpretatie van Plato tussen neus en lippen door, onderbroken door talloze uitstapje naar andere filosofische discussies, uitweidend over andere filosofen wier ideeën op het eerste gezicht weinig met die van Plato van doen hebben. Maar dat is slechts schijn. Waar Verhoeven lijkt af te dwalen, maakt hij in werkelijkheid omtrekkende bewegingen die dienen om zijn onderwerp genuanceerd in kaart te brengen.

Zijn beschouwingen over feit en fictie, schijn en wezen, mogelijkheid en realiteit, cirkelen alle om zijn gewaagde uitleg van Plato's ideeën. Verhoeven maakt van Plato zowel een realist als een fenomenoloog avant la lettre, hetgeen een prestatie van formaat is.

Of een dergelijke uitleg van Plato houdbaar is, valt nog te bezien, maar de elegantie en het vernuft waarmee Verhoeven zijn interpretatie aan de lezer voorlegt, maakt zijn poging een genot om te lezen.

Daarbij vergeleken is de vraag of zijn interpretatie recht doet aan de werkelijkheid van Plato's teksten of slechts een uiterst scherpzinnige fictie is, van minder belang.

Meer over