Het raadsel Rembrandt

Rembrandt van Rijn, het Hollandse wonder van de zeventiende eeuw, is al vele malen geportretteerd: als rebel, conformist, schuinsmarcheerder, melancholicus, denker, onbegrepen kunstenaar....

Lucette ter Borg

HIJ IS DE meester van het licht en donker. Hij is de patroon van rulle slierten verf die de aanzet van een zwierige kraag, de plooien in een volvet gezicht suggereren, maar ook van ragfijne kriebellijntjes die baarden, hoofdharen en pelsjassen zilverachtig doen oplichten. Met pigment en bindmiddel, penseel en palet verandert hij het platte linnen in wat de wereld ons bieden kan, en meer: grootse verhalen van oorlog en vrede, drama's tussen man en vrouw, mens en God, verhalen van jaloezie, verraad en liefde, van diepe eenzaamheid en peilloos geluk.

Rembrandt was een geniale kunstenaar. Geen kunstenaar heeft zijn toeschouwers zo verbijsterd als de molenaarszoon uit Leiden, die in Amsterdam tot meesterwerken als De Nachtwacht kwam, het Dubbelportret van Anslo en zijn vrouw en de, helaas in de Hermitage vernielde, Danaë. Over het raadsel van zijn genie hebben duizenden zich het hoofd gebroken. Want er waren zoveel raadsels. Hoe kan het, vroeg men zich bijvoorbeeld af, dat iemand die zulke persoonlijke portretten maakte, die de dingen zoveel bezieling wist te schenken, uit de bronnen zo onpersoonlijk naar voren komt?

Dát raadsel moet de Brits-Amerikaanse historicus Simon Schama hebben verleid, toen hij zo'n vijf jaar geleden besloot - de drukinkt van zijn kolossale boek over de cultuurgeschiedenis van het landschap was nog maar amper droog - een studie te maken van het wonder van de zeventiende eeuw: Rembrandt van Rijn. Verleid, want wat is uitdagender voor een historicus dan een wonder te verklaren?

En nu ligt het boek daar - met 740 bladzijden nog omvangrijker dan zijn voorganger Landschap en herinnering. Maar waar Schama het zichzelf met dát boek relatief makkelijk maakte, omdat het terrein van de landschapsgeschiedenis nauwelijks door historici in kaart was gebracht, heeft hij nu met De ogen van Rembrandt gekozen voor een moeilijke weg, een die geplaveid is met studies.

Want wat valt er nog over Rembrandt te beweren, als je niet een doorgewinterde specialist bent als Ernst van de Wetering, de leider van het Rembrandt Research Project? Van de Wetering en zijn medewerkers brengen met behulp van geavanceerde natuurwetenschappelijke technieken en systematisch bronnenonderzoek steeds kleine, nieuwe facetten van Rembrandt en zijn werkplaats aan het licht. Maar wat heeft een leek - en Schama is een relatieve leek wat het interpreteren van kunstwerken betreft - nog toe te voegen aan het enorme corpus van Rembrandt-literatuur?

Moet hij een nieuwe psychologische of juist een historische interpretatie geven van de meester en zijn werk? Welke persoon, welk onderwerp is nog denkbaar en interessant, nadat de rebel, de conformist, de schuinsmarcheerder, de melancholicus, de denker, de seksueel bezetene en de onbegrepen kunstenaar al de revue zijn gepasseerd? Wat heeft Schama kortom, de 'rekkelijken' te bieden, die met vurige interpretaties het weinige wat er over Rembrandts leven bekend is, duiden? En wat de 'preciezen', die zich alleen aan de schaarse bronnen willen houden?

Ieder ander zou zich geremd voelen door de aanwezigheid van zoveel expertise. Zo niet Schama. Met een flinke zwieperd veegt hij al die boeken, meningen en feiten naar het randje van zijn bureau, en gaat aan de slag met het elan dat we herkennen uit het boek waarmee hij in Nederland beroemd is geworden: The Embarrassment of Riches (Overvloed en onbehagen).

Dat elan is zijn kracht. Als je aan een boek van Schama begint, moet je je voorbereiden op een duizelingwekkende tocht over een achtbaan van metaforen, alliteraties en lekkere vette woorden. Je moet je mee laten voeren door de verbeeldingskracht van de schrijver, die je pats-boem in de zeventiende eeuw plaatst alsof het hier en nu is. Je moet je buigen naar de baby in de wieg, het lokje haar achter het roze oortje strelen, maar je ook uitrekken tot het niveau van de volwassene, die 'een dwangmatige afpeller' van zekerheden blijkt als hij het omber, het Spaans groen en het kostbare ultramarijn mengt op zijn palet.

Je moet willen flirten met het verleden dat Schama schetst, het spek op de botten geven, leven inblazen en vervolgens hopeloos verliefd worden. Je moet zijwegen naar veel vroeger willen inslaan, die een schat aan vermakelijke details bieden, maar je ook het zicht ontnemen op het onderwerp zelf. En ten slotte moet je je geheel vertrouwd maken met het adagium dat iedereen zijn eigen werkelijkheid creëert. Ook Schama.

SCHAMA'S De ogen van Rembrandt is geen gewone levensbeschrijving. Het boek is een amalgaam van gedurfde invalshoeken en fantasierijke perspectieven. We komen de meeuw tegen die zich laat meevoeren op de wind tot hoog boven de daken van zeventiende-eeuws Amsterdam; hij ziet de stad als 'een halve maan, een door ratten aangevreten kaas, een wieg, (. . .) een noordvaarder, een met stro gevulde peluw'. We breken ons, alsof we Rembrandt zijn, het hoofd over de financiële tegenslag die hij in de jaren vijftig te verduren heeft. We lijden met hem mee na het sterven van zijn kinderen en zijn vrouwen. Maar we zijn ook de alwetende verteller van nu.

Die verteller gaat, als een jong paard in de wei, tekeer in de mentaliteitsgeschiedenis van de zestiende en zeventiende eeuw, in de kunstgeschiedenis, de literatuur, de antropologie en de psychologie. Al die disciplines stapelt hij opeen tot een eclectisch verhaal over Rembrandt en de wortels van diens bestaan - soms eeuwen terug.

De basis van Schama's betoog wordt gevormd door de schilderijen, tekeningen en etsen van de meester. Die ontleedt hij stilistisch en esthetisch, maar vooral psychologisch. Waar feitelijke bronnen ontbreken, doet hij een beroep op boeken over huwelijksmoraal, verfbehandeling, religieuze en tientallen andere gebruiken uit de zeventiende eeuw. Dit levert een prettig panoramisch beeld op van Holland tijdens de Republiek, maar zegt het ook iets over Rembrandt?

Jazeker, maar de Rembrandt in dit boek is Schama's Rembrandt, een half-literair verzinsel. Wat zou er gebeurd zijn als, is een veel terugkerende vraag die Schama stelt, en vervolgens onbekommerd beantwoordt. Empathie dus in plaats van historische feiten. Dat levert op sommige plaatsen een uitdagend, meeslepend verhaal op - en dat is gerechtvaardigd als je ziet hoe voorzichtig en dor sommige 'preciezen' over Rembrandt schrijven. Soms ook leidt het tot ronduit onfrisse passages.

Neem de eerste vrouw van Rembrandt, Saskia van Uylenburgh. Over haar zijn weinig documenten bewaard. Op de grote overzichtstentoonstelling van Rembrandt, die in 1991 en 1992 werd gehouden, concludeerde de Nederlandse historicus A.Th. van Deursen dan ook terecht: 'We kunnen naar Saskia's portretten kijken, maar dat is het. (. . .) Het leven van Saskia is niet nader in te vullen.' Schama denkt daar anders over. Zijn interpretaties van de Saskia-portretten voeren ver, het rijk van de droom tegemoet.

'Wat deed ze eigenlijk in Amsterdam', vraagt hij zich af. 'Die Saskia van Uylenburgh, zo poezelig mollig, met haar onderkinnetje, haar scheve glimlach en koperen krullen? Een aardig Fries meisje, zeker, een goede partij zou je kunnen denken, ze was tenslotte de dochter van een burgemeester van Leeuwarden, gefokt uit een goed degelijk ras, net als de koeien daar die beroemd waren om hun overvloedige melk.'

Met deze 'melkkoe' gaat Schama uit wandelen. De echtgenoot en zijn jonge vrouw pauzeren 'misschien' even 'tussen de junifrisse bomen'. 'Misschien' zijn ze ook al teruggekeerd in het dorp waarvandaan het stel vertrok. Hoe het ook zij, op de tekening zit Saskia niet in het gras, niet op een dorpsweg, maar gewoon aan een tafel. Rembrandt heeft onder de tekening geschreven: 'Dit is mijn huisvrouw, toen ze 21 jaar oud was en op de derde dag dat wij getrouwd waren, de achtste juni 1633.' Die woorden moet je volgens Schama niet opvatten als 'een uiting van bezit, als wel van verbaasd genot. Kijk eens hier. Dit schatje, dit kostbare kleinood, dat is mijn vrouw, mijn grote geluk.'

Rembrandt is beroemd als hij deze woorden schrijft. Maar laten we terugkeren naar het begin van zijn carrière, en van dit boek. Wie zich eerder als empathisch schrijver dan als historicus opstelt, begint een studie over Rembrandt niet met de geboorte van de kunstenaar in 1606. Dat is te voorspelbaar, te alledaags, te weinig literair. Nee, zo iemand begint met sfeer, met kanongebulder, met ledematen die door de lucht vliegen of worden afgezaagd op chirurgijntafels, met bier drinkende soldaten en snollen in het slik.

Het is 1629 en de troepen van de Prins van Oranje staan voor de poorten van het Spaansgezinde 's-Hertogenbosch. Na dertig salvo's, weet Schama, moeten de kanonnen afkoelen. En in die pauze denkt Constantijn Huygens - kunstkenner, geleerde en secretaris van Frederik Hendrik - 'misschien wel' dat hij nachtegalen boven de artillerie uit hoort zingen.

Maar Huygens schrijft in de korte momenten van rust tijdens het beleg ook zijn memoires. In die memoires vertelt hij van zijn ontmoeting een jaar geleden met 'een jong en edel stel schilders': Jan Lievens, de zoon van een naaldwerker, en Rembrandt, de zoon van een molenaar. Zij zijn het die Huygens als hofkunstenaars zoekt. Zij kunnen zich meten met de hofschilders van de Habsburgers, de Stuarts en Bourbons. Rembrandt is, zo hoopt hij, de schilder die het kan opnemen tegen Peter Paul Rubens, de 'prins der schilders' en 'een van de zeven wereldwonderen' van zijn tijd.

ALLEEN effectbejag is het niet, deze ouverture van Schama. Want ze geeft in een notendop aan waar zijn eigen interesse voor Rembrandt aanvankelijk lag: in diens relatie tot de katholieke Rubens. Maar ze geeft ook de aanzet tot de beschrijving van een jonge kunstenaar die zijn leertijd bij Pieter Lastman achter de rug heeft, en zich in zijn geboortestad ontwikkelt tot zelfbewust meester. Het bewijs daarvan vindt hij in het schilderij De kunstenaar in zijn atelier uit 1629.

Schama gaat uitvoerig in op de volmaaktheid waarmee de kunstenaar de onvolmaaktheid van zijn omgeving weergeeft. Zie het afbrokkelend stucwerk bij de plint, de scheuren boven de deur, de armzalige houten vloer. Zie ook, hoe tegengesteld daaraan een goudgeel licht de ruimte en vooral het voor de kijker onzichtbare oppervlak van het linnen kust. Zie de schilder daar zelf in een donkere hoek staan met al zijn schildersattributen paraat - nietig in vergelijking tot de reusachtige ezel op de voorgrond.

Nietig, zegt Schama? Ben je mal. Dit schilderij moeten we duiden als een 'bombastische introductiebrief'. 'Het paneel loopt over van de pretenties: van de ongerijmde grandeur van het ingewikkelde blauw met gouden kostuum van de schilder tot de krentenoogjes in het peperkoekengezicht.' Hier beeldt een schilder zichzelf af als de personificatie van de schilderkunst.

Lezers van De ogen van Rembrandt hebben geluk. Ze kunnen een groot deel van de schilderijen die Schama bespreekt en interpreteert, met eigen ogen zien in het Mauritshuis in Den Haag. Daar, op de tentoonstelling Rembrandt zelf, hangt bijvoorbeeld De kunstenaar in zijn atelier. En dus kun je kijken of het klopt, al is het maar voor je gevoel. Zit dit paneeltje 'boordevol pretenties'? Is het 'een beknopte grammatica, een verslag van schilderen als zelfstandig naamwoord en als werkwoord, de roeping en de arbeid, de mechanica en de magie, het zwoegen en de bevlogenheid'?

Het antwoord is niet ja en niet nee. Natuurlijk toont Rembrandt hier zijn kunnen, zijn technische virtuositeit, die hij ook op andere zelfportretten tentoonspreidt. Natuurlijk spreekt het paneeltje van de magie die het schilderen is, het scheppen van illusie op een plat vlak. Maar onderstreept Rembrandt dit door zich, zoals Schama beweert, te hullen in een 'ceremoniële mantel'?

Marieke de Winkel, gespecialiseerd in de kostuums die Rembrandt schilderde, stelt in de catalogus die bij de tentoonstelling in het Mauritshuis is verschenen, heel nuchter het omgekeerde. Deze tabbaard is een zestiende-eeuwse werkkiel, heel gangbaar in Rembrandts tijd.

Het is maar een detail, maar het geeft aan dat je behoedzaam moet zijn bij het volgen van Schama's lyrische interpretaties. De grote vraag die rest na het lezen van De ogen van Rembrandt, is: wat heeft Schama willen vertellen? Hij heeft het genie van Rembrandt willen verklaren, dat staat vast, en hij doet een aantal zeer goede pogingen in die richting. Lees de passages waar hij spreekt over Rembrandts instinct voor het 'emotionele gewicht der dingen', over zijn nonconformistische aanpak van historieschilderingen en portretten.

Nog nooit ook is het verschil tussen Rembrandt en Rubens zo bondig samengevat als hier. 'Als bezoekers van Rubens-tentoonstellingen al stil blijven staan', schrijft Schama, 'hebben ze de neiging terug te deinzen voor de enorme, duistere symfonieën aan de muur. Bezoekers van Rembrandt komen dichterbij, alsof ze een familielid begroeten.'

Schama heeft Rembrandt willen benaderen tot op de huid en verder. Maar daarmee is nog geen nieuw portret van de meester ontstaan. De ogen van Rembrandt laat te veel feitelijke steken vallen en is te persoonlijk om algemeen te worden. Schama's stijl is zo lyrisch en virtuoos dat ze op sommige plekken helt naar het platte en het ordinaire. En waar in grote haast is geschreven, kunnen oerlelijke zinnen ontstaan ('Rembrandt klopte aan de deur van het crème de la crème van de Nederlandse samenleving').

Nee, De ogen van Rembrandt slaagt er met al zijn vertoon van kleur en geur niet in de meester van het licht uit het donker te halen.

Meer over