Het plagiaat

Eenling tegen instituut

Fens Kees

De studie Het plagiaat van Ewoud Kieft heeft als centraal gegeven de polemiek die Anton van Duinkerken en Menno ter Braak aan het einde van de jaren twintig en vooral in de jaren dertig met elkaar voerden als gezworen boezemvijanden.

Kieft laat zijn verhaal beginnen met de terugkomst in 1918 in Nederland van Pieter van der Meer de Walcheren. Hij kwam uit Frankrijk, waar hij verslaggever was aan het front.

Frankrijk had hem gevormd, religieus en artistiek; hij was er aan het begin van de eeuw katholiek geworden onder inspiratie van Léon Bloy, een zeer radicale gelovige (ook de filosoof Jacques Maritain werd onder Bloys invloed katholiek). En hij was met de nieuwe beeldende kunst in aanraking gekomen.

Zijn terugkomst krijgt hier een haast symbolisch karakter: er begint een nieuwe tijd (eerst en vooral zichtbaar in het weekblad De Nieuwe Eeuw) voor het besloten Nederlandse katholicisme en de katholieke cultuur. Met de vrijheid van het moderne bracht Van der Meer het radicale, compromisloze katholicisme van Bloy mee. Hij werd er de apostel van.

Ik had graag een parallelsituatie gezien: de binnenkomst (ook uit Frankrijk) eind jaren twintig van E. du Perron in Nederland, zijn homburger schuin op het hoofd, de lange jas open, door niets geremd. Voor mij heeft die binnenkomst altijd bevrijdend gewerkt, ook al omdat Du Perron een uiterst directe, haast ongenuanceerde taal meebracht. Een bij sommigen retorische, bij anderen wat moeizame denktaal werd weggeblazen door een Nederlands dat nog altijd tot het levendigste van de jaren dertig hoort en dat van alle mogelijke geloofssmetten vrij was. Du Perron was de ideale buitenstaander die ook binnenkwam om vijanden te zoeken. Met zijn binnenkomst begon voor mij de nieuwe eeuw.

Mijn uitzien naar de tweede komst kan iets verraden van de complicaties die Kiefts overigens bewonderenswaardige studie bij mij veroorzaakte. Ik meen te kunnen zeggen nagenoeg alle materiaal dat de auteur hier heeft geordend, te kennen. Iets sterker: wat hier materiaal is, heeft lang geleden deel uitgemaakt van mijn belevingswereld. Ik hoorde tot de nalezers van een periode. Op een bepaald moment viel alles om wat zogenaamd jongkatholiek was, literair en religieus. Ik hield maar enkele figuren en boeken over, merkwaardigerwijs de twee scherpst tegengestelden: Anton van Duinkerken en Henri Bruning (om diens Verworpen christendom). Die verdwenen ook later weer, althans: de apologeet Van Duinkerken maakte plaats voor de erudiete letterkundige.

Uit alles wat Kieft in een verrukkelijke saaiheid beschrijft, heb ik een heel grote bewondering voor Ter Braak en Du Perron overgehouden en een grote partijdigheid voor Ter Braak in zijn polemieken met Van Duinkerken. Niet alleen partijdigheid maar ook medeleven, want de enkeling stond tegenover het bolwerk van een instituut.

Hij gaf zich als de echte essayist helemaal, zijn tegenstander sprak in feite altijd namens en was daardoor niet alleen niet te raken, maar ook niet te verslaan. Een van de bewegelijkste geesten uit onze literatuur stond tegenover een brok massiviteit, een apologeet die onvermoeibaar was. Die verdedigde niet zijn geloof, maar het geloof.

Dat Ter Braak Henri Brunings Verworpen christendom zou bewonderen, is niet verwonderlijk: hier sprak iemand, radicaal en verticaal, over zijn geloof. (Hij was de geestelijk erfgenaam van zijn jonggestorven broer Gerard, de icoon van de radicaliteit en de favoriete 'leerling' van Van der Meer de Walcheren.)

De polemiek Van Duinkerken-Ter Braak wordt gevoerd in het waarschijnlijk boeiendste en meest veeleisende decennium van de vorige eeuw: de jaren dertig. De sociale en politieke dreigende schaduwen eisten persoonlijke verantwoording van ieder. In de literatuur werd het essay een van de belangrijkste uitingsvormen. De schrijver werd genoodzaakt zijn persoonlijkheid zichtbaar te maken. De vorm kon niet langer een schuilplaats zijn, de traditie al evenmin. De polemiek wa

s er een - en dat zegt ook veel over de cultuur van de tijd - tussen twee eenlingen. De polemiek had weliswaar een context - door Kieft vaak heel goed beschreven, zeker in zijn karakteristieken van de bewogen beweging die het denken van Marsman was -, maar de twee stonden alleen tegenover elkaar, twee aanvoerders zonder leger en daarom bewonderenswaardig in hun moed in de verdediging van en aanvallen op grote vaststaande waarden van de westerse cultuur.

De beschrijving van de polemiek (die korte heftige periodes kende naast vrij grote pauzes, trekken van onverzoenlijkheid en van toenadering, en dat laatste zeker door de dreiging van het fascisme) is heel nauwkeurig en uitvoerig - misschien soms te uitvoerig - gedaan. De vraag is wel of er niet te veel beschreven wordt dat elders al vele malen aan de orde is geweest, al kunnen bepaalde vertrouwde zaken in de context iets meer betekenis krijgen.

De titel van de studie is te smal voor de inhoud. In de laatste weken van zijn leven schreef Ter Braak aan een roman die de werktitel Het plagiaat had. Hierin wordt Anton van Duinkerken in zijn zeer brede roomsigheid en jovialiteit opgeroepen om romanfiguur te worden. Hij werd het niet. Het boek is onvoltooid gebleven. De vraag kan zijn of de roman ooit voltooid zou zijn, was Ter Braak in leven gebleven. Ik betwijfel of hij de vergeefsheid en scepsis waarmee hij hier zichzelf confronteert, hem de moed tot verder schrijven had gegeven. Waarom nu dit 'nawoord' bij een langdurige polemiek de titel van de studie moest worden, begrijp ik niet zo goed.

De polemiek is alleen al voorbeeldig om de ernst, om het geloof in waarden die verdedigd moeten worden of in onwaarden die moeten worden aangevallen. De polemiek van de twee (en de studie daarover) vormt een concentratie van wat zich in Europa voordeed aan strijd en bezinning.

De jaren dertig worden in hun verschrikking en vaak intellectuele grootheid (intellectuele neergang niet minder overigens) hier heel goed zichtbaar. Hoe voorbeeldig ook, de polemiek is puur historisch geworden; de tegenstellingen van eens zijn in veel opzichten verdwenen, levensbeschouwing is grotendeels alleen politiek geworden, cultuurbegrip kunstbegrip, polemiseren nu is veelal nuanceren of doodslaan.

Van Duinkerken moge als instituut zijn opgetreden, de studie geeft de kans tot bewondering voor hem. Hij stond er tenslotte alleen voor. Het zwijgen van verder bijna alle roomsen zegt alles over de zelfgenoegzaamheid van hun kerk in dit land. Hij was de enige pastoor die niet voor eigen parochie preekte. Die de gemeenschap verdedigde was een eenling . Dat is de tragiek van zijn optreden.

Er staan teksten in de studie die in het geheel onmisbaar zijn, maar die mij, met heel ver terugwerkende krachten, opnieuw beschamen, zelfs weer doen walgen, teksten van Gerard Bruning misschien vooral en in de geest daarvan de beschrijving van zijn sterfbed door zijn broer Henri. Maar Marsman weet ook raad met malle verheven geheimtaal Het is allemaal van een artisticiteit en religiositeit die mijn keel eens dichtknepen heeft en waardoor ik het gemene portret van Gerard Bruning door Du Perron eens als een bevrijding las.

Het plagiaat heeft mij in veel delen ervan zo betrokken, dat een louter historische belangstelling bij mij buitenspel is komen te staan. Maar dat zegt alles over de kwaliteit van de reconstructie

Meer over