beschouwing

Het nieuwe Depot Boijmans Van Beuningen past in de trend om al die verzamelde kunst ook echt te laten zíén

‘Hangende objecten’ in het Depot Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Onder begeleiding zijn de werken te zien. 	 Beeld Matthijs Immink
‘Hangende objecten’ in het Depot Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Onder begeleiding zijn de werken te zien.Beeld Matthijs Immink

Steeds meer musea betrekken het publiek bij de vraag wat de moeite van het tonen waard is. In het Depot Boijmans Van Beuningen kan de bezoeker zelf op zoek naar verborgen pareltjes. Winst.

Rutger Pontzen

Voor wie of voor wat, that’s the question. Verzamelt een museum kunst voor de bezoeker, die afreist naar zijn geliefde Picasso, middeleeuws Mariabeeldje of Anton Pieck-tekening, in de veronderstelling dat die op dat moment in een museumzaal te zien zijn? Of verzamelen musea omdat het ‘de kurk is waarop elk museum drijft’, zoals oud-directeur van het Stedelijk Museum Edy de Wilde eens zei? Omdat collectioneren nu eenmaal de corebusiness van het museumwezen is?

Het dilemma is de laatste tijd urgenter geworden. Veelgehoorde klacht: dat de musea zo veel hebben aangekocht dat de depots uitpuilen, door de collectiewoede van het personeel en de aarzeling iets af te stoten. En ook, kritiekpunt twee, dat van al die uit de voegen gegroeide museumverzamelingen bitter weinig te zien is. Om precies te zijn slechts 10 procent, heeft de Volkskrant vijf jaar geleden uitgerekend.

Het onderzoek, onder de kop ‘Moeten musea niet meer van hun rijkdommen tonen?’, bevestigde het vermoeden dat veel musea voornamelijk verzamelden voor, euh, de verzameling. Misschien met het oog op de toekomst, het nageslacht, voor onderzoek of om uit te lenen, uit algemeen cultureel belang en om het ‘geheugen van Nederland’ actief te houden, zoals toenmalig directeur collecties Taco Dibbits van het Rijksmuseum het zag, maar vooral ook voor de muizen in de kelder.

Gesloten vestingen

De bouw van nieuwe depots, zoals in de buurt van Amersfoort en in Friesland, verandert daar niets aan: die kunnen evengoed dienen als vrijbrief om onversaagd door te blijven kopen. Bovendien zijn het gesloten vestingen, kaliber Fort Knox, waarin alles overzichtelijk is opgeslagen, droog, stofvrij, niet te warm, niet te koud en afdoende bewaakt. Kortom, fijn om te hebben, al die honderdduizenden objecten, maar bepaald geen levend erfgoed waarmee je bezoekers van je museum een plezier doet.

De wens van toegankelijkheid (plus een aantal overstromingen en de hang naar spektakel) moet voor Museum Boijmans Van Beuningen de reden zijn geweest om naast het bestaande museumgebouw een nieuw ‘open depot’ te bouwen. En je kunt niet anders zeggen dan dat de wauw-belofte is ingelost. In de bovenmaatse bloempot met spiegelende buitenwand kan het publiek (tegen betaling) vanaf komend weekeinde een blik opvangen van de 151 duizend objecten die het museum rijk is en (onder begeleiding) dwalen tussen de rekken met schilderijen en vitrinekasten vol Keuls aardewerk, porseleinen vazen en tinnen pullen.

Hierboven een 3D-foto van het Depot Boijmans Van Beuningen. Klik en sleep om ook boven en beneden te kijken.

Door het openstellen van wat normaliter bewaakt en gesloten is, krijgt het publiek een idee van wat het inhoudt om kunstwerken verantwoord te herbergen, te conserveren en indien nodig te restaureren. Bovendien vang je een glimp op van wat het museum in huis heeft. Wie alleen al de trappen op gaat, naar het dakterras en het restaurant, loopt langs zelfportretten van Carel Fabritius, Carel Willink en Maurizio Cattelan. In een van de ruimten staat achteloos een gigantische sculptuur van John Bock opgesteld. Rondom de trappenhal hangen lichtbeelden van Jeff Wall. Om maar wat te noemen.

Openheid

Hoe spectaculair ook, het Boijmans is niet het eerste museum dat tot meer openheid heeft besloten. Op uiteenlopende manieren gingen het museum Schaulager in Basel en de Hermitage in Sint-Petersburg het Boijmans al voor, net als het Victoria & Albert (Londen) en het Brooklyn Museum en Metropolitan Museum of Art (New York). Wat niet wegneemt dat – ere wie ere toekomt – Boijmans-directeur Sjarel Ex wel een van de eersten was die het het belang van een open opslag inzagen. Al in 1999 introduceerde hij, toen nog directeur van het Centraal Museum in Utrecht, een ‘depotservice’, waarbij je tegen een kleine geldbedrag een kunstwerk uit de kelder kon laten halen.

Binnen in het Depot Boijmans Van Beuningen Beeld Matthijs Immink
Binnen in het Depot Boijmans Van BeuningenBeeld Matthijs Immink

Deze publiekelijke toegankelijkheid van het collectiedepot past in een grotere ontwikkeling om de kunstverzamelingen zichtbaarder te maken voor buitenstaanders, niet-experts die niet zijn belast met gespecialiseerde, kunsthistorische kennis. Denk aan toenmalig directeur Rudi Fuchs die gastconservatoren als Gerrit Komrij, Harry Mulisch en koningin Beatrix liet grasduinen in de depots van het Stedelijk in Amsterdam. Of filmregisseur Peter Greenaway die de vrije hand kreeg om een keuze uit de Boijmans-verzameling te maken en naast een paar naaktsculpturen ook naaktmodellen van vlees en bloed in vitrines liet zien, wat een heel ander ‘kunstgeïnteresseerd’ publiek naar het museum trok.

Onbekende schatten

Denk ook aan het initiatief van tv-programma De wereld draait door om in het Amsterdamse Allard Pierson Museum twee pop-upexposities te laten samenstellen door enkele tafelgasten, die daarvoor museumdepots mochten plunderen. Onder hen Wim T. Schippers, die had geconstateerd dat het Universiteitsmuseum Groningen ‘barstensvol’ spullen lag, ‘alleen je ziet ze nooit’.

Dat de tentoonstelling in het Allard Pierson Verborgen kunstwerken heette, was een teken dat een lekenblik wonderen kon verrichten, en onbekende schatten boven tafel kon halen die connaisseurs decennialang over het hoofd hadden gezien. Zo zocht het ornithologische duo Pieter van Vollenhoven en Nico de Haan naar vogelschilderijen in het Rijksmuseum en diepte Jan Mulder graffitikunst van Rammellzee en ingeblikte ‘Fish Air’ van Servaas op uit de krochten van het Groninger Museum.

Schilderijen in het Depot Boijmans Van Beuningen. Beeld Annabel Miedema
Schilderijen in het Depot Boijmans Van Beuningen.Beeld Annabel Miedema

Ook de digitale toegankelijkheid van menig museum, waarbij het publiek zichzelf via de laptop toegang kan verschaffen tot de collectie, wijst erop dat de kunstwereld langzaam maar zeker aan het democratiseren is. De verandering gaat met horten en stoten, maar is volhardend en lijkt onomkeerbaar. Niet dat Jan Publiek de regie binnen de musea gaat overnemen, wel dat het museumbedrijf niet langer enkel drijft op de kennis en smaak van een gesloten clubje academici.

Neem de tentoonstelling van amateurschilders in het Rijksmuseum in Amsterdam, die in meerdere zalen hun versie van Rembrandt-schilderijen etaleerden. Of het idee van de vroegere directeur van het Stedelijk Museum Schiedam, Deirdre Carasso, die de eerste weken na haar aanstelling een bureau op zaal zette om te horen wat bezoekers te zeggen hadden over de tentoonstellingen. En aanstonds kan het publiek in een van de zalen van het nieuwe Boijmans-depot zijn verlanglijstje voor het te renoveren museumgebouw, 50 meter verderop, achterlaten.

Legertje experts

Lange tijd werd de museumpraktijk door een tweedeling gekenmerkt: kunstwerken werden óf buiten ieders zicht in een verduisterde ruimte ondergebracht óf door museumpersoneel kunsthistorisch verantwoord op zaal gehangen. Een andere smaak was er niet. Buitenstaanders mochten komen kijken, maar zich er niet mee bemoeien. Het kunstmetier was een gespecialiseerd vak, uitgeoefend door een legertje experts; kunstwerken waren enkel te bewonderen in de geheiligde, verstilde omgeving van witte zalen en krakende houten vloeren.

Het Boijmans mag dan het verschil tussen museum en depot onderschrijven – het museum voor de verantwoorde collectieopstelling en tentoonstellingen; het depot voor de lossere en informelere projectpresentaties –, het onderscheid tussen beide gebouwen is wel degelijk diffuser geworden. Wellicht niet voor de museummedewerkers, wel voor het publiek.

Depot Boijmans Van Beuningen.  Beeld Annabel Miedema
Depot Boijmans Van Beuningen.Beeld Annabel Miedema

Aardig voorbeeld: de manier waarop de vorige directeur van het Stedelijk in Amsterdam, Beatrix Ruf, in de kelder(!) een paar honderd collectiestukken tegen stalen wanden presenteerde, alsof je daadwerkelijk een depot betrad. Van een geheiligde, verstilde omgeving waar elk individueel kunstwerk maximaal tot zijn recht kwam was geen sprake, terwijl je je toch in een museumgebouw bevond en niet in een bewaakte opslag ergens in een polder.

Ver van het Boijmans-depot staat deze opvatting niet af. Temeer omdat het collectiegebouw niet anoniem, als een bunker langs de snelweg staat, maar pontificaal in het Rotterdamse centrum, naast het moedermuseum.

Goed of slecht

Museumcollecties worden langzaam maar zeker voor en door het grote publiek ontsloten en openbaar gemaakt. Het sluit aan bij de vraag naar transparantie, openbaarheid en publieke verantwoording. Wat gebeurt er met ons gemeenschapsgeld? Wie bepaalt hier nu wat goed of slecht is; wat van waarde is, en welke waarde dan? Niet voor niets vroeg Deirdre Carasso zich als museumdirecteur in het haast failliete Schiedam af: ‘Als een stad 85 procent van je museum financiert, kun je wel iets doen voor de elite van de kunstliefhebbers, maar het is niet onterecht als de gemeente dan zegt: what’s in it for us?’

Met Carasso’s ontnuchterende boodschap is de vraag ‘voor wie’ of ‘voor wat’ het museum verzamelt goed te beantwoorden. Specialisten kunnen zeggen dat ze die ene jurk met kanten kraagje uit Spakenburg nog in de collectie missen of de zoveelste erotische prent van Toulouse-Lautrec (die maar vijf minuten in het daglicht mag hangen), je hebt er sowieso niets aan als deze aanwinsten in een donkere, geklimatiseerde, dichte kluis worden opgeborgen, voor later. Het hiernamaals.

De hegemonie van de museale elite is aan het afkalven. In de kelder zijn de deuren geopend en is het licht aangedaan. En de grote winnaar is het publiek.

Middeleeuwen tot nu

De collecties van verzamelaars Frans Boijmans (1767- 1847) en Daniël George van Beuningen (1877-1955) vormden bij de oprichting in 1849 de basis van Museum Boijmans Van Beuningen. Inmiddels is de collectie gegroeid tot 151 duizend objecten: van de Middeleeuwen tot nu. Aangezien het museum wordt verbouwd tot 2026 zullen een aantal topstukken uit de collectie in het depot worden getoond, zoals het mannetje dat door een gat in de vloer kijkt van Maurizio Cattelan en het danseresje van Edgar Degas.

Meer over