Het mooie Nederlands van Leo en Tineke Vroman

Laat niemand het vergeten: in een huis voor ouderen in de buurt van Dallas, Texas, wonen de twee liefste Nederlanders: Leo en Tineke Vroman....

Kees Fens

Maar hoe moet je met zo’n taal en zo’n stem ruzie maken? Leo’s stem is bijna even zacht als die van Tineke, zijn Nederlands even mooi. Hij is haar tweede stem. Samen spreken zij één taal, ik zou haast zeggen: zij spreken uit één mond. Ik zou dagen naar hen kunnen luisteren.

Leo had die dag een gedicht geschreven, hij las het voor, een weinig lichtend vooruitzicht op 2008. Zijn zeer grote bewogenheid met al wat leeft, zijn liefde die het enige is, worden wel zwaar beproefd. Toen hij debuteerde met Gedichten in 1946, zat ik nog op school. Rond 1955 – hij publiceerde toen Inleiding tot een leegte – kwam ik in zijn taalwereld terecht. Ik ben er nooit meer uit gekomen. Ik sla een bundel open en ben omringd door woorden als wezentjes, kleine leventjes die in elkaar plezier hebben en ernst vinden en in het rijm suggereren dat ze bijna hetzelfde leven leiden. Het is altijd druk op de pagina’s van de dichter.

Leo bevolkt zijn taal nog steeds, hij blijft gedichten schrijven, in het Nederlands en in het Engels. En hij houdt zijn vak, de wetenschap van de bloedstolling, waarover hij ook al zo wonderlijk kan spreken en schrijven, ook nog altijd bij. Druk als op de bladzijden is het leven.

Ik heb Leo en Tineke op een tv-film eens bezig gezien in hun flat en in het huis. Dit was onvergetelijk: ze knielden samen voor een boekenkast en ordenden de kleine bibliotheek van het huis. Met zachte woorden.

Ja, spreken over de dood, daar ontkom je niet aan op hun leeftijd. Bovendien: een bejaardenhuis is nu eenmaal een sterfhuis. Er volgt, verteld als een teer sprookje (dat komt door de stem) een verhaal: een vriendin van Tineke sterft; zij weet dat haar man haar ginds staat op te wachten. Dat geeft troost en gelukkig ongeduld. Er wordt veel geloofd in het huis, als in heel Amerika, zegt Tineke. De twee leven, hoezeer ze zich ook Amerikaan voelen, terzijde. Een ander land was nooit een optie geweest: Israël, waar Leo’s broer en later ook zijn moeder woonde, nee; terugkeer naar Nederland, ook niet. Alles is te klein. Leo wilde niet deelnemen aan het Amerikaanse literaire leven. Ook al niet. ‘Wat heb je er aan’, is de schitterende wedervraag. De twee levens zijn gebundeld in poëzie en wetenschap, een wereld op zich. Drie kwartier ben ik even een medebewoner ervan.

Ruim 42 jaar geleden heb ik Leo het laatst in het publiek horen spreken: bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs in 1964 op het Muiderslot. In zijn dankwoord buitelden de lichte gedachten en luchtige woorden over elkaar. Hij zette even zijn taalwereld open. Ongewoner dankwoord heb ik nooit meer gehoord. Zijn stem was toen jeugdiger dan nu: er is een mooi laagje bedachtzaamheid over heen gekomen, zoals zijn poëzie nogal wat verbeelding aan het denken heeft afgestaan.

Dit was het mooiste aan het hele gesprek: Leo en Tineke zijn een twee-eenheid. Maar ze hebben toch aan een half woord – die laatste taal van lang samenzijn – niet genoeg. Daarvoor spreken zij te graag zo mooi als zij kunnen. Hun liefde is ook luisteren, naar elkaars mooiste Nederlands.

Meer over