Het Koninklijk Concertgebouw is in topvorm

Yuja Wang Beeld Felix broede
Yuja WangBeeld Felix broede

De hele equipe is in topvorm, toppianiste Yuja Wang is de stralende ster.

Vanaf de allereerste noot zet het orkest de zaal in een gloed van klank. Het Concertgebouworkest is begonnen aan zijn laatste seizoen onder Mariss Jansons en de musici laten horen dat ze door het vuur gaan voor hun chefdirigent, die zelf het stokje nooit zou hebben doorgegeven als zijn gezondheid daar geen aanleiding toe gaf. De hele equipe is in topvorm, blijkt al meteen in Rossini's ouverture uit La gazza ladra, een werveling van rondtollende deuntjes, neergelegd op een bedje van akkoorden dat soms zo luchtig en donzig is dat het de grond niet lijkt te raken.

Dat eksters diefachtig zijn, het centrale gegeven van Rossini's opera, is onlangs langs wetenschappelijke weg ontzenuwd. Met componisten zal dat gelukkig niet gauw lukken; luister maar naar het Eerste pianoconcert uit 1933 van Dmitri Sjostakovitsj, waarin de componist veelvuldig aan de haal gaat met andermans noten, waaronder ook die van Rossini. Ondanks een wat diepzinniger tweede deel is het een muzikale mallemolen, waarin het ene muzikale gegeven over het andere tuimelt en toonsoorten elkaar op losse schroeven zetten.

De stralende ster in deze kometenzwerm is toppianiste Yuja Wang, 27 jaar oud, gesecondeerd door trompettist Omar Tomasoni, die op gezag van Sjostakovitsj de pianist van repliek dient. De triomfen die Wang vier jaar geleden bij haar debuut met het KCO behaalde, overtreft ze hier nog. Lenig als een acrobate zwiert ze moeiteloos door de grillige solopartij, die bij alle spelers het uiterste aan versnellings- en schakelvermogen vergt. Ondanks het schijnbare gooi- en smijtwerk wemelt haar vertolking ook van subtiele wendingen en bekoorlijke lichtplekjes.

Prokofjevs Vijfde symfonie bevat heel wat zwaardere kost. De akoestische druk die het orkest hier teweegbrengt, geeft je meer dan eens het gevoel of er een tientonner over je trommelvlies rijdt. De muziek heeft stroeve kantjes, die de indruk wekken dat het de componist niet altijd kwam aanwaaien, wat waarschijnlijk ook te maken heeft met het culturele klimaat in de Sovjet-Unie, dat in tien jaar tijd aanmerkelijk repressiever was geworden. Het voortploeterende derde deel, met zijn schuivende harmonieën, is zelfs uitgesproken sinister van karakter. Maar de finale is een en al levenslust en zonder ook maar één detail te veronachtzamen handhaaft Jansons een voorwaartse stuwkracht, die zijn bekroning vindt in een slotpassage vol schroeiende fanfares.

Rossini, Sjostakovitsj en Prokofjev, door het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Gezien: 17/9, Concertgebouw, Amsterdam.

Meer over