de week in boekenwomen's prize for fiction

Het is tijd om de Women’s Prize for Fiction op te heffen

Hilary MantelBeeld Els Zweerink

De Women’s Prize for Fiction was nodig toen schrijvende vrouwen over het hoofd werden gezien. Nu is het tijd om hem op te heffen.

Woensdag wordt voor de 25ste keer de Women’s Prize for Fiction uitgereikt, de jaarlijkse literatuurprijs (30 duizend pond en een beeldje) voor een Engelstalige roman van een vrouwelijke auteur, en om de een of andere reden word ik daar verdrietig van. ‘Terecht!’, hoor ik u woedend denken, ‘het is verdomme godgeklaagd dat we anno 2020 nog stééds speciale vrouwenprijzen moeten bedenken om het werk van onze schrijvende zusters onder de aandacht te brengen!’, of woorden van gelijke strekking. Maar het punt is juist dat er anno 2020 helemaal geen speciale vrouwenprijzen meer hoeven worden uitgereikt om lezers te attenderen op het bestaan van onze briljant schrijvende zusters.

Het beste bewijs voor de onnodigheid van speciale vrouwenprijzen zijn de namen op de shortlist van de Women’s Prize for Fiction 2020: Maggie O’Farrell, Bernardine Evaristo, Natalie Haynes, Angie Cruz, Jenny Offill en Hilary Mantel. Stuk voor stuk toonaangevende auteurs die óók prijzen winnen waarvoor zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen, zoals de prestigieuze Booker Prize. Hilary Mantel won die zelfs twee keer en sleept hem in oktober wellicht voor de derde keer binnen, voor The Mirror and the Light. De Women’s Prize for Fiction werd een kwarteeuw geleden opgericht door journalisten, uitgevers en boekverkopers die hadden geconstateerd dat op de shortlist van de Booker Prize geen enkele vrouw stond. De Woman’s Prize for Fiction moest daar verandering in brengen. Dat is gelukt, dus kan de vrouwenprijs worden opgeheven.

In Nederland ontstond vorige week een relletje naar aanleiding van een interview in HP/De Tijd met Ingrid van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Ze vertelt dat Hugo Claus, Erwin Mortier en A.F.Th. van der Heijden haar favoriete schrijvers zijn. Drie mannen, inderdaad. Van Engelshoven: ‘Maar je kiest bij de literatuur waar je van houdt voor de mooiste boeken, en niet voor de persoon die het geschreven heeft. Zo zou het ook moeten gaan bij literaire prijzen.’ 

In NRC Handelsblad reageerde een groepje vrouwelijke auteurs woedend op haar uitspraken. Wat de minister had móéten zeggen, schreven ze, was dat ze een ‘flinke blinde vlek’ had en zich al die jaren ‘veel te weinig in diversiteit’ had verdiept. Toen ik dat las werd ik niet alleen verdrietig maar ook bang, want mensen die andere mensen voorschrijven wat ze moeten zeggen zijn vaak een beetje eng. En effectief is het ook al niet. Het besef dat sekse of kleur van auteurs niet bepalend is voor de kwaliteit van hun boeken, is inmiddels wel doorgedrongen. Wie doorgaat met hameren op verschillen, houdt die verschillen zelf in stand. 

Meer over