Het is niet gelukt

Nu het eens als geuzentitel gedragen ‘anders zijn’ in het multiculturele theater aan de kapstok wordt gehangen, manifesteert zich een artistieke crisis. Waarom blijft het succes uit?

‘We zijn nu twintig jaar bezig. Noem mij één naam van een Antilliaanse, Turkse of Marokkaanse acteur die gewone rollen speelt in een groot gezelschap of bij een groot regisseur. Ja, Mimoun Oaïssa. Maar die maakt films.’ Nee, zegt Meral Taygun, Turks politiek vluchteling en in haar geboorteland ooit een gevierd actrice, in het recent verschenen boek NIEUW 20 jaar Multicultureel Theater. ‘Het is ons niet gelukt.’

Jarenlang leidde ze de Amsterdamse Toneelschool. ‘We hebben een valse droom gegeven aan onze mensen.’ En met ‘onze mensen’ bedoelt ze de Turkse, Afrikaanse, Antilliaanse en Surinaamse acteurs die ze samen met haar man Vasif Öngören in de jaren tachtig kansen gaf bij hun Öngören Theater in Amsterdam. In de hoop én verwachting dat ze zouden doorstoten naar de reguliere grote gezelschappen. Dat laatste bleef uit.

Bijna alle in het boek NIEUW geïnterviewde pioniers uit het multiculturele theatercircuit delen haar mening: de Louis of Theo d’Or (de belangrijkste toneelprijs in Nederland voor een individuele acteerprestatie) moet nog altijd voor de eerste maal worden uitgereikt aan een niet-witte acteur. En in de grote zaal ontbreken de namen van ‘multiculti’ regisseurs. Op de affiches van Topstukken staan geen titels van niet-westerse verhalen of van drama’s over de wortels van allochtonen, geschreven vanuit hún perspectief.

Dat zien multiculturele theatermakers blijkbaar nog altijd als hun Mekka: schitteren in de grote schouwburgzaal, het ‘eerste’ circuit. Niet de kleine zaal (het ‘tweede’ circuit), het poppodium of de fabriekslocatie, waar het gekleurde theater zich de afgelopen decennia wél een herkenbare plek heeft verworven. Nee, de droom blijft Toneelgroep Amsterdam, het Nationale Toneel, het ro theater en dan met een zwarte acteur als Hamlet. Maar het blijft een ver-van-mijn-bed-show, klagen ze, zolang collega-acteurs als Pierre Bokma in talkshows roepen dat het publiek geen zwarte Hamlet pikt, omdat Shakespeare die rol niet voor een allochtoon heeft geschreven.

Bijna niemand in het boek NIEUW, uitgegeven ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van toneelgroep De Nieuw Amsterdam, vraagt zich af of de ambachtelijke capaciteiten en het talent voor het spelen van een onuitwisbare Hamlet wel voor handen zijn onder het tot nu toe nog beperkte reservoir aan gekleurde acteurs. En waarom de grote zaal ambities van Theater Cosmic onder leiding van John Leerdam (nu Tweede Kamerlid voor de PvdA) na de millenniumwisseling zijn blijven steken in de eenmalige toevalstreffer De koningin van Paramaribo (2001). Geroemd om de zwoele hoofdrolspeelster (Helen Kamperveen) én een succesnummer bij het publiek (deels de achterban uit Amsterdam Zuid-Oost die voor het eerst een schouwburg bezocht), maar vakmatig door de pers mager beoordeeld (‘Vermaak wint het van diepgang’ en ‘Ongeloofwaardige constructie’).

Waarom is het niet gelukt? Lange tijd was ‘multicultureel theater’ toch een aantrekkelijk en lucratief uithangbord? Het ‘anders zijn’ werd in de jaren tachtig door boegbeeld Rufus Collins (oprichter van De Nieuw Amsterdam) gebombardeerd tot geuzentitel. Als zwart theatermaker bij The Living Theatre werd hij vanuit Amerika naar Nederland gehaald om acteurs met niet-Nederlandse achtergrond te emanciperen. Collins koesterde zijn exotisme, weigerde Nederlands te leren en verwierf een plek met zijn energieke vocabulaire gericht op identiteit, trots en zelfbewustzijn. Meer dan om theater ging het om protest: toon die huidskleur!

Daarmee bleef het migrantentheater echter onbedoeld ook hangen in goedwillend welzijnswerk. Het ontsnapte nauwelijks aan de amateurstatus. Critici en bobo’s namen het artistiek minder serieus: Collins en de zijnen verkondigden te veel een boodschap; theater was slechts een vehikel.

Staatssecretaris Rick van der Ploeg (OCW, 1998-2002) hoopte daar iets aan te doen door stevig in te zetten op culturele diversiteit in de kunsten en verhief positieve discriminatie van allochtone makers tot speerpunt. Geld was opeens het probleem niet meer, met de garantie van vier jaar subsidie, al bleek dat in praktijk vaak minder dan verwacht. Dat het etiket ‘multicultureel’ hen in het kunstenplan bestaansrecht verschafte, namen de makers van Theater RAST, het Volksbuurtmuseum, theatergroep DOX en Made in da Shade voor lief. Maar het gewenste effect bleef uit.

Daarom beginnen allochtone theatermakers nu te muiten: ze willen af van het etiket ‘multicultureel’. In de hoop zo te ontsnappen uit de hoek van het sociaal cultureel opbouwwerk. Ze roepen dat ze het zat zijn als ‘minderheidsmens’ het soort toneel te maken dat subsidiegevers lusten, waardoor gemeenteraadsleden en gedeputeerden kunnen zeggen: ‘Kijk, ze maken leuk theater.’

Maar ondertussen lijken makers als Nilo Berrocal Vargas, Karim Traïdia, Aram Adriaanse niet los te komen van moraliserende voorstellingen in vaak weinig vernieuwende verteltheaterstijl en pinnen ze zichzelf daarmee vast in het hokje van de emancipatie. Ze veroordelen zichzelf tot het eeuwige verhaal van de gemigreerde kunstenaar: zijn afscheid, de reis en de aankomst en dan de heimwee, teleurstelling en de zoektocht naar zijn wortels.

Het blijft vaak het onderwerp van een voorstelling: de zwarte acteur die het vertikt om het zoveelste zwarte personage te spelen. De zwarte acteur die niet snapt waarom een witte acteur met zwarte vegen de Moor Othello speelt in Shakespeares gelijknamige tragedie, en niet hij die de donkere huidskleur en dito gevoelens bij zijn geboorte cadeau kreeg. Die, áls ze hem zouden vragen, openlijk peinst of hij dat wel zou moeten doen: de enige zwarte spelen in een wit stuk voor witte mensen.

Al in de Kimono Sisters (1994) van Theater Cosmic in een regie van John Leerdam ruziën een toneelschrijver, regisseur en twee actrices geëxalteerd over de obstakels die een multicultureel theatergroepje tegenkomt bij het maken van ‘gekleurd theater’. Speel je wel of niet een hypocriete Surinaamse die haar huidskleur verbergt uit angst voor crimineel te worden aangezien? Val je juist de witte Nederlander aan die in iedere Antilliaan een drugsdealer ziet? Breng je een politiek correcte boodschap, in de hoop het publiek anders naar ‘zijn medemens’ te laten kijken? Of jaag je de toeschouwers op stang door hen een racistische Nederlander voor te zetten die hardop zegt wat zij mogelijk denken?

Nog steeds zwoegen makers in het ‘multiculturele’ circuit (waartoe ook witte Nederlanders behoren), zoals Paulette Smit (actrice/schrijfster), Felix Burleson (acteur), Yousuf Daniels (choreograaf), Khaldoun Elmecky (regisseur) en schrijvers Pieter Hilhorst, Jenny Mijnhijmer en Oussama Cherribi op deze inmiddels bijna klassiek geworden dilemma’s. Een antwoord vinden ze niet. Hooguit maken cabaretiers als Najib Amhali er nog wel eens grappen over.

Nu het eens als geuzentitel gedragen ‘anders zijn’ aan de kapstok wordt gehangen, manifesteert zich een artistieke crisis in het ‘allochtonentheater’, constateert ook Nieuwenhuis (dramaturg bij De Nieuw Amsterdam) in NIEUW. Wat blijft over van de kwaliteit van voorstellingen als de uitzonderingspositie niet meer van kracht is? Durven gekleurde makers te erkennen dat het merendeel van hun producties misschien niet kan wedijveren met het reguliere ‘witte’ theater van grote en kleine Nederlandse gezelschappen? De sterk geëngageerde voorstellingen van De Nieuw Amsterdam – vanaf 2000 overigens geleid door de blánke Aram Adriaanse – zijn weliswaar degelijk gemaakt, maar vaak ook saai of belerend. In het moraliserende The bells of Amersfoort (2002), in samenwerking met Zuid-Afrikaanse acteurs, waren de rammelende kettingen van het slavernijtheater bijna nog hoorbaar. En het multiculturele modesprookje Catwalk (2006) van Cosmic viel in de grote zaal van de schouwburgen volledig door de mand.

De meeste ‘multiculti’ makers schrijven het uitblijven van hun succes toe aan de critici en commissieleden die hen nog steeds niet voor vol aan zien. En aan de ‘cultuur’ van het Nederlandse toneel, dat een geschiedenis heeft van woordkunst. Alida Neslo: ‘Zwart theater komt vanuit de baarmoeder. De buik komt in het Nederlands toneel te weinig aan bod.’ Daarbij vergetend dat er juist in het bewegingstheater in Nederland een grote hausse aan de gang is, niet op de grote podia, wel in de kleine zaal, op festivals en buitenlocaties (Bambi, Boukje Schweigman en Lotte van den Berg). Maar ook daar mengt het multicultureel theater zich niet mee.

De reden voor het achterblijven ligt dan ook ergens anders. Allochtone regisseurs wordt zelden gevraagd een productie te maken bij bestaande gezelschappen, omdat de meeste niet goed genoeg worden bevonden. In het witte theater gelden andere opvattingen over talent. De eeuwige ‘multiculturele’ vraag – kies je een hoofdrolspeler of gastregisseur op basis van zijn afkomst, zijn kleur of op basis van bewezen (spel)kwaliteit? – wordt daar steevast met het laatste antwoord afgedaan.

De bescheiden Turkse regisseur Saban Ol (Theater RAST) ambieert voorlopig geen gastregie bij een groot Nederlands gezelschap. ‘De ware kunst ligt buiten het centrum’, zegt hij in NIEUW. Terwijl hij een van degenen is die dat ambacht bij zichzelf zou kunnen ontwikkelen. Ol heeft in Nederland de regieopleiding afgerond en beperkt zich niet tot de vaak onervaren, gekleurde schrijvers uit de jaarlijkse (inmiddels geforceerde) kweekvijver van Hollandse Nieuwe, maar nodigt de top van Vlaamse toneelauteurs (zoals Paul Pourveur) uit om voor hem een stuk over Turkse migratie te schrijven.

Het zijn vooral de ondernemende en opportunistische eenlingen die succes boeken: acteur Mimoun Oaïssa met zijn film en televisieserie Shouf Shouf Habibi, theatermaker Sabri Saad El Hamus met zijn rol van Egyptische advocaat in Pleidooi en zijn voorstellingenreeks over de vijf zuilen van de islam. Zij eten met plezier van witte en zwarte wallen en maken zich min of meer vrolijk over de haat-liefde-verhouding tussen diverse culturen. ‘Ik ben verslaafd geraakt aan die tussenpositie’, zegt El Hamus in NIEUW.

Het is overigens wel typisch voor de overheersende Nederlandse cabarettraditie dat allochtone makers die hun eigen cultuur met ironie en zelfspot becommentariëren, het in het theater goed doen. Passend bij de ‘woordkunst’ en kenmerkend voor onze poldercultuur: als we er om kunnen lachen verteren we het beter. Dat kan een terechte kritiek op de Nederlandse theaterwereld zijn: zodra het serieus wordt en iemand het koloniale verleden of zijn achterstandspositie probeert genuanceerd op de planken te brengen, ligt het al snel zwaar op de Hollandse maag. Het is jammer dat het veel multiculturele makers niet lukt een geëngageerd onderwerp in een verrassende en eigentijdse vorm te gieten.

Een paar andere van die eigengereide makers, met een streetwise mentaliteit, hebben zich handig van het verfoeide bijvoeglijk naamwoord ontdaan: ze presenteren hun voorstellingen onder de noemer ‘urban’ theater zoals Marjorie Boston en Maarten van Hinte met Made in da Shade en Jörgen Tjon a Fong met Urban Myth. Ze noemen Vondel en Nike, hiphop en Heracles, kunst en club, party en publiek, in één adem. Ze klagen niet over hun veroverde plek in de jongerenscène, wel over het onbegrip van recensenten die citaten uit commercials en zwarte films – hun biotoop – niet kunnen plaatsen.

Een belangrijk argument voor de gemiste aansluiting wordt door de praktijk echter wel bevestigd: gekleurde acteurs zouden met hun achtergrond minder makkelijk passen binnen de reguliere theaterscholing op academies, die nog altijd minimaal HAVO vereisen.

Groepen als het Utrechtse DOX, Rotterdams Lef en de opleidingsafdelingen van DNA (ITS DNA), RAST en theaterhuis Alba hebben daar iets op gevonden. Ze creëren een zelf bedacht opleidingstraject voor jongeren uit hun achterban. Ze scholen hen in dans, tekst, techniek, compositie, ambachtelijk spel én identiteitsvorming en maken en passant ook een (jongeren)voorstelling. De docenten annex regisseurs stellen hun artistieke prestatie in dienst van de ontwikkeling van deze, via audities geselecteerde jongeren.

Zo ontstaan praktijkgerichte vooropleidingen, die het gat (kunnen) dichten tussen het Nederlandse VMBO-onderwijs en de kunstvakopleidingen.

Succesallochtoon Mimoun Oaïssa vertelt in NIEUW hoe belangrijk een degelijke kunstopleiding is. Bij ITS DNA leerde hij drie dingen tegelijk ontwikkelen: ‘Techniek, smaak en maatschappelijk bewustzijn.’ En op de toneelschool ontdekte hij vervolgens hoe dat te koppelen aan vakkundig acteerwerk. ‘Daar heb ik discipline geleerd.’ En de drang om te slagen: als rasopportunist had hij al snel in de gaten dat hij Pierre Bokma als docent moest hebben om het straks te gaan te redden. Maandenlang stalkte hij de topacteur. Stad en land reisde hij af om zijn hoofdrollen te zien. ‘Het is toch een beetje alsof je Johan Cruijff opbelt met de vraag of hij je komt helpen bij het oefenen van passeerbewegingen.’ Maar Bokma ging overstag. En kort daarop stond Oaïssa als eerste jonge zwarte acteur op het toneel bij Toneelgroep Amsterdam. Naast Bokma. In een bijrol.

NIEUW 20 jaar Multicultureel Theater, Theatergroep De Nieuw Amsterdam (DNA). Uitgegeven door DNA en International Theatre & Film Books. ISBN 90 6403 680, € 19,50, 88 pagina’s.

\N Beeld
\N
Meer over