Het is een dwang, een drang; DE ONTDEKKINGSREIS VAN PÉTER NADAS

0 EGENOVER ELKE zin die Péter Nádas spreekt, staat wel een zin die hij heeft opgeschreven. Een zin die altijd over hemzelf lijkt te gaan, en die bovendien mooier is dan de zin die hij met zijn bedachtzame mond heeft uitgesproken....

Voortdurend heb je het gevoel dat het Péter Nádas zelf is die daar blootligt. Zodat je voortdurend de neiging krijgt niet Péter Nádas maar zijn boeken te gaan citeren. 'Mijn eigen persoon is alleen maar een middel. Niet ikzelf ben belangrijk. Alleen de zin die ik opschrijf', zegt de schrijver in een koele kamer waar elk boek, elk tapijt, elk tafeltje, elk kleedje, elk onderzettertje en elk waterglas zijn vaste plaats heeft. In deze kamer schrijft hij niet. Hier in Boedapest krijgt hij geen letter op papier. Schrijven doet hij in zijn huisje op het platteland, of in hotelkamers, of huurkamers. 'Ik was altijd op de vlucht, en zo ben ik een vreemde geworden in Boedapest.'

Elf jaar werkte Nádas (1942) aan zijn grootste werk, Het boek der herinneringen, waarin hij in meer dan achthonderd pagina's een liefde tussen twee mensen blootlegt, en niet alleen de liefde zelf, maar alles wat om die liefde heen ook maar betekenis heeft. Eindeloos vervolgt hij de herinneringen van de hoofdpersonen, doorspekt die met soms minuscule essays over van alles en nog wat en legt zodoende niet alleen een mensenleven maar ook het hele bijbehorende tijdperk bloot.

Zijn nieuwste in het Nederlands vertaalde boek, De levensloper, is bescheidener van omvang en opzet. Maar net als Het boek der herinneringen niet samen te vatten. Zelfs de vraag of het een roman is of een verhalenbundel, valt niet echt te beantwoorden. Misschien dat deze (geciteerde) zin de drijfveer achter het schrijven van het boek nog het beste weergeeft: 'Ik zou een keer een verhaal willen schrijven over mensen die elkaar nog nooit ontmoet hebben of elkaar maar heel oppervlakkig kennen en toch elkaars lot ingrijpend beïnvloeden.'

Zo eenvoudig als het klinkt, zo ingewikkeld zal het blijken te zijn. Misschien zelfs onmogelijk. Altijd is er werk te doen. 'Mijn werk is, problemen te ontdekken, dingen die nog niet eerder zijn uitgewerkt. En elke keer dat ik wat ontdek, komt er wat bij. Er komen alleen problemen bij, ik kom nooit aan een eind. Mijn boeken bestaan eruit dat ik iets probeer en dat ik tegelijk probeer niet te blijven steken. Voortdurend heb ik aftakkingen moeten afsnijden, omdat de oeverloosheid dreigde. Zodra het oeverloos wordt, valt alles uit elkaar. Ik wil de dingen niet vereenvoudigd laten zien, maar in al hun vertakkingen. Ik wil van de volheid van het leven genieten zonder in de chaos te verzinken.

'Dat is geen methode, het is een dwang, een drang. Het is een gepieker, een reflectie die mensen liever niet hebben, omdat die een probleem maakt van dingen waarvan men liever geen probleem maakt. Dat is wat ik doe: iets bewust maken wat bewusteloos wil zijn.'

De Russische inval in Tsjechoslowakije in 1968 zette Nádas aan om fulltime schrijver te worden. Of misschien kan beter gezegd worden: de wanhoop na die inval bracht Nádas ertoe niks anders meer te willen dan schrijven. Hij begon naar het plafond te staren en ging letterlijk op zoek naar zijn eigen zinnen.

Nádas: 'Ik ging op ontdekkingsreis. Ik ging op zoek naar antwoorden op heel eenvoudige vragen: de vraag waar een komma moest staan en waar niet, de vraag of ik misschien zinnen met alleen maar punten zou moeten maken, de vraag of ik vraagtekens moest gebruiken of juist vragen op een andere manier moest stellen. Ik heb veel geëxperimenteerd, zonder trouwens experimenteel te worden.' Het duurde drie tot vier jaar voordat hij zover was, en vervolgens begon hij aan het schrijven van Het boek der herinneringen, dat elf jaar zou duren. Hij had alle tijd. Hij kon niks anders doen. 'Na de Russische inval in Tsjechoslowakije zag ik dat ik niet door kon gaan met gewoon leven. Ik begon mijn eigen strijd om mijn persoonlijke vrijheid. Het enige wat ik kon doen was 'nee' zeggen.'

Voor 1968 was Nádas journalist. En als journalist was hij gedoemd te leven in de leugen, de leugen waarop de communistische dictatuur was gebouwd. 'Te moeten leven in de leugen was misschien nog bedreigender dan te moeten leven met om je heen de dood. Ik probeerde me uit de levensleugen te redden. Ook als journalist probeerde ik erbuiten te blijven. Ik had journalistiek werk waarbij ik niet hoefde te liegen. Maar mijn collega's probeerden me bij hun leugens te betrekken door me opdrachten te geven die ook mij medeplichtig zouden maken. Twee keer heb ik 'nee' gezegd, twee keer niet. Twee keer heb ik artikelen geschreven waarin ik heb moeten liegen. 'Het waren onschuldige artikelen, maar ik had gelogen, en ik schaamde me. Het was vreselijk. Ik kon ten slotte niet langer meer tegen het voortdurende gevecht om niet dieper in die wereld van leugens getrokken te worden. Dat voortdurend 'nee' moeten zeggen. Het was uitzichtsloos. Elke dag kwam ik van mijn werk als een oude man. Ik plofte in een stoel en viel in slaap. En ik was toen pas 25! Dus toen ben ik ermee opgehouden.

'En toen was het een uitdaging om iets te zoeken waartegen ik toch 'ja' kon zeggen, iets waarin ik met mezelf identiek zou zijn. Iets waar de dictatuur zich niet mee kon bemoeien. Dat was naïef. Er bestaat bijna niets waarin de dictatuur zich niet mengt.'

Ook uw roman niet?

Hij lacht toegeeflijk. 'Mijn roman was een poging om tegen de stroom in te zwemmen. De grote stroom van de tijd. Je wilt iets scheppen over een aantal jaren. Maar in de loop van die jaren verander je zeer. Om desondanks bij hetzelfde verhaal te blijven, doe je iets tegen je eigen leven in. Dat is iets gewelddadigs.

'Maar dankzij de dictatuur kon ik het me aandoen. Ik had geen keus. Het waren de ergste jaren van isolatie, alles stond stil. Brezjnev was een symbool van die onbeweeglijkheid: niet levend, maar ook niet dood. Ik zag dat het zo niet kon doorgaan, toch bleef het zo. Er gebeurde niets. En om mezelf te redden uit die verschrikkelijke monotonie heb ik de tijd gebruikt om mijn verhaal te schrijven. Ik wist: 'Ik doe mezelf iets aan', maar ik had eenvoudig niets anders te doen. Ik had zelfmoord kunnen plegen, maar dat heb ik niet gedaan. Ik heb het wel vaak overwogen. Heel vaak. Dat was een vreselijke plaag. Schrijven was het enige dat ik interessant vond, nu misschien nog wel meer dan eerst.'

En dan zegt hij die zin: 'En mijn eigen persoon is daarbij alleen maar een middel. Niet ik ben belangrijk, maar de zin die ik opschrijf.'

Ook De levensloper zit boordevol essays, soms niet langer dan een alinea - over de auto, lijden, honden, de televisie, hardlopen. Ook in dit boek worden herinneringen opgediept op Nádas' eigen manier: 'Je herinnert je nooit iets zonder reden en zonder aanleiding. Je klikt iets aan in je hoofd en tegelijk verschijnt er een hele wereld. Dat is mijn materiaal: de vraag hoe ik bij die bepaalde vakjes in mijn geheugen kom.' Ook in dit boek worden verhalen verteld, in steeds wisselende stijlen, maar desondanks steeds in de naar perfectie strevende zinnen van Nádas.

Hij springt heen en weer tussen gebeurtenissen, stijlen en de geschiedenis. Op verbluffende wijze kan de lezer zich in één hoofdstuk op het ene moment midden in het oude Rome bevinden en op het andere op een winterse bushalte. Om te bewijzen dat er iets is wat mensen over de eeuwen heen verbindt.

'Mystiek en zielsverhuizing staan heel ver van me af - niet omdat ik zo zeker ben, ik ben absoluut niet zeker, maar ik ben wantrouwig. Maar je voelt dat je leeft en soms voel je dat mensen van vroeger ineens heel dichtbij zijn. Bijvoorbeeld de mensen die Tacitus beschrijft.

'Ik wilde iets vertellen in de heldere stilistiek van de antieke tijd, en die antieke tijd met het heden verbinden. De mensen blijken dan ineens helemaal niet zo anders. Al die tijden dragen we op een of andere manier met ons mee, ook hun stijlen. Daarom herkennen we dingen, daarom voelen we ons bijvoorbeeld niet verloren in een Europese stad, ook al zijn we er nooit eerder geweest. De grondpatronen zijn herkenbaar. Soms word je daarom overvallen door het idee: hier ben ik eerder geweest.'

Toen in 1989 in Hongarije het IJzeren Gordijn werd doorgeknipt, is hij even opgehouden met fictie schrijven. 'De omwenteling die hier plaatsvond, was zo groot dat het onzin was om nog langer fictie te schrijven. Het leven was ineens zoveel interessanter dan elke fictie. Het had Shakespeareaanse en dadaïstische dimensies.'

Hij ging essays schrijven. 'Dat had ik nodig.' Maar natuurlijk wel essays waarin hij de liefde ontrafelt, de hemelse en de aardse, die van Oost en West, die elkaar niet meer begrijpen, omdat de seksuele revolutie van 1968 de twee voorgoed heeft gescheiden. En zoals ze elkaar in de liefde niet meer begrijpen, zo begrijpen ze elkaar ook op andere terreinen niet meer. 'Ook al merken ze misschien niet eens dat ze elkaar niet begrijpen.'

Maar dan is er altijd Nádas die blootlegt wat niemand anders durft te zien. En die tegelijkertijd toch met hartstochtelijke sympathie en in louter gevoelvolle zinnen de dood van een incontinente tandeloze vriendin kan beschrijven. 'En toen me niets meer restte en ook haar gereutel nergens meer toe leidde, begon ik te praten. Zoals moeders met baby's praten. Ik kan jullie niet verraden wat ik zei.'

'En nu ben ik uitgeput', beëindigt Nádas het interview.

Michel Maas

Péter Nádas: De levensloper - Boek over een jaar.

Van Gennep; 320 pagina's; ¿ 49,90.

ISBN 90 5515 096 7.

Meer over