Het geboorteproces van een groot architect MINUTIEUS ONDERZOEK NAAR DE VORMENDE JAREN VAN LE CORBUSIER

DE TEKENING op blauw papier toont schoorstenen als minaretten, daartussen een gebogen dak met een golvende sierlijst. De eerste etage is uitgerust met een vorstelijk balkon waarvan de balustrade is opgetuigd met feestelijke lantaarns....

Of het iets eenvoudiger kon, was de vraag. De architect keerde terug naar zijn tekentafel, trok het dak wat rechter, schrapte alle versieringen en franje, en daar rolde dan een villa uit die, zo meenden de critici, het ontwerp van de leraar overtrof. Krachtiger, verfijnder en 'al iets van een compositie'.

De Zwitser Charles-Edouard Jeanneret was nauwelijks 20 jaar, toen hij in 1908 zijn tweede villa bouwde. Dertien jaar later nam hij een pseudoniem aan dat hem wereldberoemd en onsterfelijk zou maken: Le Corbusier.

Sinds de Renaissance, schrijft de Amerikaanse architectuurhistoricus H. Allen Brooks in zijn inleiding tot Le Corbusier's Formative Years, heeft niemand de gebouwde omgeving zo ingrijpend veranderd als Le Corbusier. Of het nu was als schrijver, als stedenbouwkundige of als architect, hij heeft met zijn ideeën een ongelooflijke invloed gehad op de omgeving waarin we leven. Van Chandighar in India tot de Bijlmer in Amsterdam, van een flatwijk in Marseille tot de wederopbouw van Berlijn - veel plaatsen op de wereld vertonen sporen van Le Corbusiers gedachtengoed of komen letterlijk uit zijn koker. Hij is een voorbeeld voor elke architectuurstudent op elke hogeschool. Nog steeds.

Hoe werd deze grootmeester gevormd? Twintig jaar lang heeft Allen Brooks zich verdiept in alles wat maar van belang kon zijn om die vraag te kunnen beantwoorden. Er lijkt geen ansichtkaart aan zijn aandacht te zijn ontsnapt, geen krabbeltje bij een tekening, geen aquarel of reisnotitie. En dat heeft hij allemaal in een boek gestopt, dat 'af' is. Hier kan geen tweede publicatie tegenop. Een architectuurstudent hoeft voortaan Allen Brooks maar te raadplegen om te weten hoe je je carrière als architect begint, welke reizen je moet maken en aan welke karaktereigenschappen je moet voldoen om het net zo ver te schoppen als Le Corbusier, gesteld dat je over hetzelfde talent beschikt als de fameuze Zwitser.

Het boek is door de minutieuze informatie ook topzwaar. Je wordt soms overvoerd, bijvoorbeeld wanneer Allen Brooks omstandig documenteert om welke bedragen het ging bij de rechtszaak om de villa Schwob, waar hij ook nog de correspondentie met de bank, evenals de eisen en replieken aan toevoegt. Dat is geen studie meer, dat is boekhouden. Le Corbusier was op een haar na failliet, maar bouwde de villa toch af, bang als hij was voor zijn reputatie.

De villa Schwob is een van de opmerkelijkste werken uit zijn begintijd geworden: het eerste met een plat dak, met een bruut gesloten front aan de straatkant en de grootste raampartij die er vermoedelijk rond 1917 in het Zwitserse La Chaux-de-Fonds werd opgericht. De villa werd gebouwd in beton, destijds een nieuw materiaal, dat werd bekleed met baksteen. Indeling en exterieur gehoorzaamden aan een strenge symmetrie, waardoor deze vroege villa nog classicistisch zou kunnen heten. De moderne Corbusier zou pas een paar jaar later opstaan.

Er is over Le Corbusier oneindig veel gepubliceerd, maar die vroege, vormende jaren, schrijft Allen Brooks, waren tot nu toe onderbelicht. 'Toen ik in 1973 begon, werd me verteld dat er niet veel meer te leren zou zijn.' Toch stuitte hij op een paar verrassingen, zoals het dagboek van vader Jeanneret, dat hij over zijn zoons Albert en Charles-Edouard bijhield, de schooljaren in La Chaux-de-Fonds (de geboorteplaats van de architect) en de rechtszaak van Schwob, die de uit de hand lopende kosten aanvocht. Wat het laatste betreft: er is niets nieuws in de architectuur.

Allen Brooks spoorde ook het nooit uitgegeven manuscript Le construction des villes uit 1910 op, waaraan de jonge architect zeven jaar werkte en dat al de kiem bevatte van zijn ideeën over stedenbouw. Het legde de grondslag voor het boek Urbanisme, dat in 1925 wel zou verschijnen. In beide studies betoont Le Corbusier zich bij het ontwerpen van steden voorstander van wetmatigheden en regels. In zijn jonge jaren bepleitte hij nog bochtige straten, omdat de natuur geen rechte lijnen kent. Kijk maar naar de loop van de ezels, volg hun traject, daarvan kunnen we leren, meende de plattelandsjongen die het in de grote stad zou gaan maken. Ging Le construction des villes nog uit van de voetganger, Urbanisme richt zich op de automobilist: Le Corbusier voorspelde toen al het verdwijnen van de traditionele straat.

Het talent werd onderkend door zijn leermeester l'Eplattenier, docent aan de Ecole d'Art. Waarin bekwaamde zo'n jongen uit de Jura zich? Het ligt bijna voor de hand: hij ontwierp horloges. Vader Jeanneret verdiende zijn brood als fabrikant van emaillen en metalen horlogekasten. De aandacht van vader ging, blijkens zijn dagboek, vooral uit naar de minder begaafde Albert, die aanvankelijk een loopbaan als musicus zou volgen en overstapte op het muziekleraarschap, terwijl de twee jaar jonge Edouard min of meer aan zijn lot werd overgelaten. Ja, er was zorg om zijn slechte gezichtsvermogen, zijn loslatend netvlies, dat voor een loopbaan in de horloge-industrie geen aanbeveling was.

Toch was het kijken voor Le Corbusier de belangrijkste leerschool. Hij schetste alles wat hij in zijn omgeving of op zijn reizen zag. De typische schoorstenen van de Jura-boerderijen die model zouden staan voor zijn latere kerkkoepels, de façades van de Italiaanse basilieken die hij in 1907 bezocht, tot en met het Chartreuse d'Ema-klooster in Florence dat hem op het idee van promenade-architectuur bracht: lange overdekte gaanderijen in de natuur die delen van een gebouw met elkaar verbinden en die bedoeld zijn voor meditatie, misschien zelfs voor een zekere afstand tot de architectuur.

Want dat is het Leitmotiv in die vormende jaren: niet zozeer de architectuur boeit Le Corbusier, als wel de beeldende kunst, nota bene van negentiende-eeuwers als Puvis de Chavannes en Rodin. Als hij in 1907 Wenen aandoet, verzuimt hij kennis te nemen van de nieuwe architectuur. Geen Hoffmann, geen Wagner, geen Moser. Wat zij bouwden, lag te ver buiten de stad, was het - slappe - excuus dat hij voor zijn ouders en leermeesters in petto had.

In Berlijn daarentegen raakte hij in 1910 onder de indruk van Peter Behrens, die toen zo ongeveer alles voor de AEG-fabrieken bouwde. Hoewel ze elkaar niet lagen - een beer, noemde Le Corbusier de bazige Behrens - zou Le Corbusier zijn ideeën overnemen bij het ontwerpen van de villa die hij in 1912 voor zijn ouders bouwde.

Toen stonden voor Le Corbusier al een paar wetmatigheden vast. De kleur van een gebouw moest wit zijn, de kubus-vorm verdiende de voorkeur, terwijl hij gecharmeerd was van zulke uiteenlopende vormen als een kloostergang rond een open ruimte, koepels van Turkse moskeeën en de trapsgewijze symmetrische opbouw van Byzantijnse bouwwerken.

Uiteraard kon hij die strikte uitgangspunten in zijn vroege werk niet hanteren, als hij er zich al ten volle bewust van was geweest. 'Ik ben op zoek naar een ideaal en een idee', schrijft hij in 1908 lichtelijk wanhopig vanuit Parijs aan zijn docent L'Eplattenier. In die periode leunt hij nog op de Jura-architectuur: hij zet zijn villa's op een plint van rotsstenen, geeft ze een kloek schuin dak dat tegen een hoop sneeuw kan, gebruikt balkons en loggia's. Villa's als koekoeksklokken.

Duitsland opent hem de ogen en wijst hem de richting, die hij de komende jaren, zowel op stedenbouwkundig als architectonisch gebied, zal gaan. Voor het eerst slaagt hij erin zijn ideeën toe te passen. Bij de villa Schwob plaatst hij de vooruitstekende eerste etage op dunne poten, zodat de voordeur onder een luifel komt te liggen: voor het eerst zijn er de 'pilotis', de vrije kolommen die Le Corbusiers handelsmerk zouden worden.

Maar het meest verrassende dat Allen Brooks boven tafel heeft gehaald, zijn niet eens zozeer die gebouwen die in La Chaux-de-Fonds bewaard zijn gebleven. Het zijn de gouaches, aquarellen en reisschetsen. Ze dienden als grondslag voor zijn huizen, ze onthullen ook iets van de romantische geest die de rationalist moet hebben gehad. Naakten op het strand à la Picasso, een zelfportret à la Giacometti en vooral vergezichten, of dat nu in de Jura of in de haven van Alexandrië was. Voor alles spreekt uit dit werk Le Corbusiers compositorisch gevoel, maar ook dat de architectuur voor hem niet zaligmakend was.

Bewijzen kun je het niet, en Allen Brooks doet daar ook geen poging toe, maar de stad die Le Corbusier later in het groen projecteerde, zonder straat maar in een park, moet hem toen al voor ogen hebben gezweefd.

Jaap Huisman

H. Allen Brooks: Le Corbusier's Formative Years.

The University of Chicago Press; 514 pagina's; ongeveer ¿ 195,-.

ISBN 0 226 07579 6.

Meer over