Interview

Het fingerspitzengefühl van Andreas Grütter: ‘Wie strijkstokken maakt, moet het hout kunnen lezen’

Het gaat vaak over de violen waarop violisten spelen, maar zelden over de stokken. Laat staan over hun makers. Toch zijn de stokken net zo belangrijk, volgens Andreas Grütter, strijkstokkenmaker.

Merlijn Kerkhof
Andreas Grütter in zijn atelier. Beeld Eva Roefs
Andreas Grütter in zijn atelier.Beeld Eva Roefs

Andreas Grütter heeft het mooiste vak van de wereld, vindt hij, maar er is één ding waar hij toch wel erg van baalt. Grütter, Zwitser in Amsterdam, is strijkstokkenbouwer. Maar hoe vaak het ook over violen gaat, over de strijkstok gaat het zelden.

‘De viool is voor een violist als een partner. Maar de stok moet deel zijn van jezelf, voelen als een verlengstuk van je arm’, vertelt hij. ‘De linkerhand van een strijker is de machine die de juiste toonhoogte vindt. In de rechterhand zit de artiest. Daar maak je het ritme mee, bepaal je de lengte, de hele interpretatie zit in je rechterhand. 90 procent gebeurt daar.’

Hij heeft een punt. In programmaboekjes zie je vaak staan op wat voor viool de violist speelt en uit welk jaar die dan komt. Ook wie bijna niks van violen weet, heeft wel eens van de meesterbouwer Stradivarius gehoord. Maar de naam van de revolutionaire stokkenmaker François Xavier Tourte (1747-1835) zegt het grote publiek niets. Om de stok uit de schaduw te halen, heeft Grütter – bodywarmer over trui – in eigen beheer een boekje uitgebracht: Beroep: strijkstokkenmaker.

De meeste strijkers spelen op één instrument. Dat moet je zo goed mogelijk leren kennen; afwisselen met een viool met een hals die een fractie langer of breder is, kan al voor de nodige intonatieworstelingen zorgen. Ook de stok moet een goede match zijn – en sommige violisten blijven eeuwig op zoek naar de perfecte.

Strijkstokken in alle soorten, maten en bogen. ‘Ik maak alles zelf, dus ook de metalen onderdelen. Behalve de schroef.’ Beeld Eva Roefs
Strijkstokken in alle soorten, maten en bogen. ‘Ik maak alles zelf, dus ook de metalen onderdelen. Behalve de schroef.’Beeld Eva Roefs

Wisselen van stok kan moeilijkheden met zich meebrengen. Toch kiezen veel strijkers er tegenwoordig voor om meerdere stokken te gebruiken, omdat de muziek van Mozart nu eenmaal iets anders vraagt dan die van Sjostakovitsj. En de stok heeft nogal een ontwikkeling doorgemaakt.

Wie Grütters atelier betreedt, in een historisch pand aan de rand van het centrum van Amsterdam, ziet ze in alle soorten en maten en bogen. Stokken speciaal voor de barokperiode, klassieke stokken (zijn specialiteit) en moderne stokken. ‘Modern’ is een relatief begrip: de grootste vernieuwingen vonden plaats in Parijs in de eerste helft van de 19de eeuw.

Waarom Parijs? Grütter: ‘De beroemdste violen zijn allemaal Italiaans. Daar was rond 1600 veel geld en er ontstond ook nieuwe instrumentale muziek. Rond 1800 was Parijs het middelpunt van Europa. De vernieuwingen in de stokkenbouw hebben te maken met de vraag van toen. De burgerij ging muziek maken. De muziek veranderde en er waren andere stokken nodig die meer konden. Die ontwikkelingen bleven in het Duitstalige gebied nog lang onopgemerkt, dus vroegromantische muziek uit Oostenrijk kun je eigenlijk niet op een Franse stok spelen.’

Tourte geldt als de grootste vernieuwer. Wat deed hij anders? ‘Toen hij jong was, ging hij bij een horlogemaker in de leer. Die vaardigheid met metaal introduceerde hij in de stokkenbouw. Het was niet gebruikelijk dat je als houtwerker iets met metaal deed: dat was door de gilden verboden geweest. Tourte introduceerde een ring op de slof, waar je hem vasthoudt, en maakte twee ringen op het knopje. Hij heeft veel verschillende dingen gedaan. Elke keer als ik iets bijzonders wil doen, weet ik: Tourte heeft het al gedaan.’

De generatie na Tourte maakte stuggere, krachtigere stokken. Een grote naam is die van Dominique Peccatte (1810-1874). Een beroemde violist met een Peccattestok is Janine Jansen. Vorig jaar bracht zij een album uit dat Grütters punt onderstreept. Jansen kreeg de kans om op twaalf violen te spelen van Antonio Stradivari. Ieder stuk op de cd (12 Stradivari) werd op een ander instrument gespeeld. Voor de luisteraar een leuk vergelijkend warenonderzoek: welke viool klinkt het mooiste? Maar Jansen gebruikte wél twee stokken: de Peccatte en een van de bouwer Jean Marie Persoit, die ‘meer shine en lichtheid’ heeft, zoals Jansen mij vorig jaar vertelde. Ze vergeleek de Peccatte met bergschoenen, de Persoit met pantoffels.

Bassisten? Liever niet

Hoewel Grütters vrouw contrabassist is in het Nederlands Kamerorkest, bouwt hij liever geen stokken voor bassisten. ‘Ze zijn groter. Met een vioolstok ben ik twee weken bezig. Eén voor een contrabas is dubbel zoveel werk, maar je krijgt er half zoveel voor betaald.’ Waarom? ‘Omdat bassisten minder geld hebben, of ze willen het gewoon niet uitgeven.’

Zeker in de jaren na de Tweede Wereldoorlog werden de stokken weer zwaarder: de darmsnaren waren verleden tijd, er werd op stalen snaren gespeeld. Solisten moesten zich hoorbaar maken in steeds grotere zalen. Hoewel de moderne stok nog steeds in het verlengde ligt van het Parijse model, komen de meeste oudere stokken toch uit Duitsland. Het piepkleine plaatsje Markneukirchen, bij de Tsjechische grens, produceerde er tot 100 duizend per jaar.

‘Door de automatisering’, zegt Grütter. ‘Het hele stadje was betrokken bij het maken van onderdelen. Nu komen de meeste uit China. Daarom heeft het geen zin om iets goedkoops te proberen te maken. Ik hou van de interactie met musici, dat maakt dit werk leuk: ik zou niet willen dat er een handelaar tussen zit. Ik maak alles zelf, dus ook de metalen onderdelen. Behalve de schroef.’

De viool- en stokkenbouw zijn twee gescheiden werelden: andere houtsoorten, andere manier van werken. Volgens Grütter kijken de vioolbouwers nogal eens op de stokkenmakers neer. ‘Ik denk dat vioolbouwers een veel romantischer idee oproepen. Iedereen ziet direct de schoonheid van een viool, die spreekt tot de verbeelding. De schoonheid van een stok zie je niet meteen. Ja, ik wel.’

De uiteinden van een strijkstok, zonder het haar. Beeld Isa Grütter
De uiteinden van een strijkstok, zonder het haar.Beeld Isa Grütter

Je zou denken dat het niet veel uitmaakt, de houtsoort: neem gewoon een stevig latje en bespan die met wat paardenhaar, en klaar is Kees. Maar een goede stok moet een beetje kunnen buigen. Het gaat om elasticiteit. Het is millimeterwerk, maar meer nog een spel met evenwicht. ‘Een strijkstok is een hefboom’, zegt Grütter. ‘Het evenwichtspunt ligt meestal rond 19 centimeter van de slof. Een gram extra bij het andere uiteinde, de punt, voel je vier keer zo sterk als bij de slof.’ Wie stokken maakt, heeft niet genoeg aan een weegschaal en een mes: hij of zij moet het hout kunnen lezen.

De kunst is om met een stok snel de snaar te kunnen ‘grijpen’. Maar je moet er ook mee op de snaar kunnen ‘springen’. Omdat het hout een bepaalde elasticiteit nodig heeft, kozen Parijse bouwers sinds ongeveer 1800 vooral voor het tropische pernambuco, hout uit Brazilië dat aanvankelijk door de Portugezen werd verhandeld omwille van de rode kleurstof. Oud hout is het beste, zegt hij: het liefst 40 à 50 jaar oud.

‘Het heeft twee à drie jaar nodig om te drogen. Dan verandert de celstructuur. Ouder hout geeft gewoon een mooiere klank. Er zijn wel kunstmatige verouderingstechnieken, met gammastraling en door het te roken, maar dat levert nog niet veel winst op. Hout wordt steeds duurder, maar gelukkig hoef ik niets meer te kopen, want ik heb jaren geleden genoeg ingeslagen.’

Andreas Grütter: ‘De viool is voor een violist als een partner. Maar de stok moet deel zijn van jezelf, voelen als een verlengstuk van je arm.’ Beeld Eva Roefs
Andreas Grütter: ‘De viool is voor een violist als een partner. Maar de stok moet deel zijn van jezelf, voelen als een verlengstuk van je arm.’Beeld Eva Roefs

We lopen naar beneden, waar het zagen, het snijden, het vijlen plaatsvindt. Het is er zo schoon en opgeruimd dat je je afvraagt of hier wel echt wordt gewerkt. ‘Dat is omdat de tropische houtsoorten heel fijn stof afgeven, en ebben en pernambuco zijn giftig.’ De enige rommel ligt in de prullenmand. Een wonderschoon gezicht: krullende houtsnippers van geschaafd pernambuco (bruinrood) gemengd met slangenhout (donkerder bruin).

Grütter: ‘Vind jij dat mooi? Ik doe mijn best op mijn strijkstokken en jij bewondert mijn afval? Hout zelf kan heel mooi zijn. Die gloed die vanonder lijkt te komen. Het mooiste vind ik het als het oud, gevlamd en een beetje wild is. Als de vezels alleen recht liggen, krijg je niet zo’n mooie lichtval. Ik heb het hout liever niet al te perfect. Ik hou van knoestjes, dan heeft het meer karakter, en dat merk je ook in de klank.’

Het slangenhout kom je tegen op de stokken van strijkers uit de klassieke periode. Althans: van de strijkers uit die tijd die heel veel geld hadden. De adel, niet zozeer de mensen die zelf van de muziek moesten leven. Het kwam uit Suriname en werd aanvankelijk gebruikt om de schepen mee te verzwaren. Grütter kan er eindeloos over praten.

Grütter: ‘Vind jij dat mooi? Ik doe mijn best op mijn strijkstokken en jij bewondert mijn afval?’ Beeld Eva Roefs
Grütter: ‘Vind jij dat mooi? Ik doe mijn best op mijn strijkstokken en jij bewondert mijn afval?’Beeld Eva Roefs

Hij laat een plank zien, met lintzaag gemaakt, waar straks een stok uit moet komen. ‘Ik doe meer met de hand dan nodig. Ik neem contact op met het hout. Ik volg de nerven en kan me daaraan aanpassen. Een machine doet dat niet.’ Schoonheid produceren, zegt hij, daar leeft hij voor. Maar het begint bij het herkennen.

Heikel punt: het ivoor. In de punt van de stok werd vaak een ivoren tipje gebruikt. Orkesten hebben liever dat hun musici op stokken spelen zonder ivoor: het levert op tournees vaak problemen op door invoerregels. ‘Ivoor is het mooiste, beter dan gewoon bot’, zegt Grütter. ‘Maar ik vind het ook zielig als olifanten gedood worden.’

De strijkstokkenmaker in zijn Amsterdamse werkplaats: ‘Het mooiste vind ik het als het hout oud, gevlamd en een beetje wild is.’ Beeld Eva Roefs
De strijkstokkenmaker in zijn Amsterdamse werkplaats: ‘Het mooiste vind ik het als het hout oud, gevlamd en een beetje wild is.’Beeld Eva Roefs

We lopen weer naar boven. Daar liggen stokken klaar om te beharen, want die routineklus is er ook nog. Het stevige haar van paarden uit Mongolië en Siberië wordt ervoor gebruikt – een goed synthetisch alternatief is er nog niet. Profs laten hun stok één tot vier keer per jaar beharen. Al zijn er ook daar uitzonderingen: de legendarische violist Jascha Heifetz wilde om de twee weken verse haren. ‘Om er zeker van te zijn dat ze de oude niet lieten zitten, knipte hij ze door’, zegt Grütter.

Waar is hij trots op? Dat Ivry Gitlis, de in 2020 overleden vioollegende, in zijn latere jaren een Grütterstok boven zijn stokken van beroemde bouwers verkoos. ‘Ik wil niet beweren dat mijn stok beter was. Wel lichter. Het was wat hij nodig had op dat moment. Als iemand hier in de winkel komt, kijk ik altijd eerst naar de viool, vraag ik diegene te spelen. En dan krijg ik een idee.’

Maar wat kenmerkt een stok van Grütter? ‘Een collega zei een keer: ik herken jouw stokken. Waaraan, vroeg ik. Hij zei: als ze eruitzien alsof ze oud zijn, maar toch niet oud zijn, dan zijn ze van jou.’

Op zoek naar de Perfecte Stok

Wie op zoek is naar een historische stok van een bekende Franse bouwer, is vaak aangewezen op fondsen. Vergeleken bij een Stradivariusviool (in de miljoenen euro’s) ben je weliswaar goedkoper uit, maar ook een stok van Tourte kan tonnen kosten.

Sommigen zoeken het in kwantiteit. Barokviolist Antoinette Lohmann heeft meer dan dertig stokken. ‘Mijn zoektocht staat volledig in relatie tot de muziek die ik speel. Voor muziek uit elke periode en elk land wil ik een stok die daarbij hoort. Dé klassieke stok bestaat niet; de regionale verschillen waren heel groot. Van iedere stok probeer ik te leren: wat vertelt deze me over hoe ik de muziek moet uitvoeren? Je voelt al snel wat die wil en kan.

‘Ik zou nooit Mozart spelen op een stok van na zijn tijd. Als je gewend bent aan een latere stok, heb je een idee van technieken die misschien niet mogelijk zijn op zo’n oudje. Maar een veel vroegere kan wel werken. Een violist speelde op wat hij aan het begin van zijn carrière kreeg en bleef daarmee werken zolang het voldeed, het was geen smartphone waar je er elke vier jaar een nieuwe van nodig had. De oude stokken die bewaard zijn gebleven, waren ook de stokken die veel waard waren. Die zijn heel anders dan die waar de violist op een boerenbruiloft op speelde.’

Ook het Dudok Kwartet houdt van stokkenonderzoek. Voor zijn laatste Brahmsalbum liet het strijkkwartet speciale Brahmsstokken maken door Luis Emilio Rodriguez Carrington, die in Den Haag is gevestigd. ‘We wilden een heldere, laserachtige klank’, zegt cellist David Faber. ‘Maar je moet in Brahms ook heel erg tekeer kunnen gaan. Mijn ideaal is dat je als strijker een soort pijlenkoker hebt, dat je voor elke componist iets passends hebt.’

Meer over