ReconstructieEgeltjesroof

Het Egeltje, een meesterwerk van schilder Henk Helmantel én van de politie – een reconstructie van een bizarre kunstroof

null Beeld Erik Kriek
Beeld Erik Kriek

Ruim twintig jaar geleden werden 37 werken van kunstenaar Henk Helmantel gestolen. Nu er twee tentoonstellingen van hem te zien zijn, vertellen betrokkenen voor het eerst aan de Volkskrant hoe het ze is gelukt om ze terug te vinden. Een verhaal over afpersers, een koffer met geld en geheime boodschappen, met een hoofdrol voor Het Egeltje.

Dat Het Egeltje van kunstenaar Henk Helmantel zoveel zou meemaken, verbaast hem nog altijd. De lange Helmantel, te herkennen aan zijn flinke grijze baard, staat voor het schilderij van 22 bij 25 centimeter dat in het Drents Museum in Assen hangt. Je zou er zo aan voorbijlopen, afgeleid door zijn grotere stillevens en kloosterinterieurs die in eerste instantie veel meer aandacht trekken.

De fijnschilder werd in 2008 uitgeroepen tot Kunstenaar van het Jaar en heeft de bijnaam ‘De Rembrandt van het Noorden’ vanwege zijn meesterlijke en zeer realistische schilderijen die in binnen- en buitenland voor grote bedragen over de toonbank gaan. Vorig jaar is hij 75 geworden en daarom viert het Drents museum zijn leven en werk. De ruimtes ademen de serene sfeer van een kerk uit. ‘Dit is, samen met de expositie in Taiwan, de mooiste tentoonstelling die ooit rond mijn werk is gemaakt’, zegt Helmantel verrukt via telefoon vanuit zijn atelier.

Wat niet veel mensen weten, is dat het een klein wonder is dat Het Egeltje hier te zien is, het half opgekrulde beestje dat tussen dood en leven in lijkt te hangen, terwijl het licht op de punten van zijn donkere stekels valt en zijn zwarte, nattige puntneusje beroert. Het ziet er precies uit zoals Helmantels zoon Adriaan het diertje in 1988 dood in de tuin aantrof, terwijl hij met zijn vriendjes aan het spelen was. Hij bracht het naar zijn vader en vroeg of hij er een schilderij van kon maken. Helmantel zaagde een stuk maroniet op maat, een hardboard waarop hij werkt en dat altijd met alkydverf voorbewerkt klaarligt, en ging aan de slag. Eerst maakte hij een potloodschets, daarna schilderde hij daar losjes overheen, accentueerde licht en donker en bracht verdere details aan. Binnen een paar dagen stond het egeltje er in al zijn aandoenlijke verfijndheid op.

Sinds hij na het afronden van de Academie Minerva in 1967 professioneel begon met schilderen, koos Helmantel elk jaar een of twee werken uit die hij goed genoeg vond om aan zijn privécollectie toe te voegen. Zo belandden stillevens van aalbessen en van de eerste roodleren kinderslofjes van zijn zoon Arjan in de collectie en kreeg ook Het Egeltje een ereplek.

En precies die collectie, 37 schilderijen in totaal, en ook een antiek bronzen beeldje, een tinnen bord en een kan, verdwenen ruim twintig jaar geleden uit zijn privémuseum De Weem, dat is gevestigd in de oude pastorie van het slaperige Westeremden, het Groningse wierdendorp waar Helmantel met zijn vrouw Barbara woont.

De buit had destijds een waarde van 1,5 miljoen gulden (omgerekend 680 duizend euro). Niet eerder waren er tijdens één roof zoveel werken van dezelfde kunstenaar in Nederland ontvreemd. De Groningse politie stond voor een raadsel en de tijd tikte. Hoe langer schilderijen verdwenen zijn, hoe groter de kans dat ze de zwarte markt op gaan. Daders van kunstroven worden zelden gepakt. De politie durft geen percentage te noemen, maar kunstdetective Arthur Brand stelt dat 90 tot 95 procent van de zaken onopgelost blijft. ‘Kunstdieven denken dat het stelen van een kunstwerk makkelijker is dan een bankoverval en rekenen zich snel rijk’, zegt Brand. ‘Maar dan ontdekken ze dat het schilderij niet zomaar te verkopen is. Als de verkoop niet lukt of als ze het vermoeden hebben dat de politie hen op het spoor is, gaan ze soms over tot het vernietigen van de schilderijen, waardoor er geen bewijsmateriaal meer is.’

Wie nu naar Het Egeltje kijkt, ziet niet dat er nóg een meesterwerk achter schuilgaat: het recherchewerk dat de politie afleverde om de kunstroof te kunnen oplossen. Telefoontaps, infiltratie, geheime boodschappen in De Telegraaf en een koffer met geld kwamen er onder meer aan te pas om de werken terug te vinden. Ter gelegenheid van Helmantels overzichtstentoonstelling werken enkele hoofdrolspelers voor het eerst mee aan een reconstructie van wat ze stuk voor stuk de bizarste zaak uit hun carrière noemen.

I Het Egeltjesteam

Op de ochtend van 25 februari 2000 brengt Henk Helmantel een krat lege melkflessen naar buiten om, terwijl hij achterlangs De Weem loopt, te constateren dat er een ruitje is verdwenen en er een bovenlicht openstaat. Hij kan zo de museumruimte inkijken en ziet niets dan lege witte muren. ‘Mijn adem stokte in mijn keel’, zegt Helmantel. Geschrokken rent hij terug naar binnen en belt de politie.

Direct na de melding rijdt een team sporenonderzoekers naar Westeremden. Als de politie Helmantels museum binnenstebuiten keert, blijkt dat de daders zorgvuldig zijn geweest, want er is geen enkele vingerafdruk achtergelaten. Wel is naast de oprit in het gazon aan de achterkant van de pastorie een afdruk van een autoband gevonden. Omdat dat naar de vluchtauto kan leiden, wordt er een gipsafdruk gemaakt.

Korpschef Bernard Welten probeert vaart in het onderzoek te brengen door een team van ervaren rechercheurs samen te stellen. Als teamleider kiest hij iemand met een toepasselijke achternaam: Henk Heling, destijds rechercheur bij de afdeling zware criminaliteit. Om het team een naam te geven, loopt Heling, met zijn bedachtzame blauwe ogen achter een montuurloos brilletje, langs de afbeeldingen van de gestolen schilderijen en stopt bij Het Egeltje. We zullen onze stekels gaan uitzetten, denkt Heling droogjes. En zo wordt dit het Egeltjesteam. Het hoofddoel van het team wordt het terugvinden van alle schilderijen en daarnaast hopen ze de daders aan te houden.

II Het bandenspoor en de helderziende

Iedere dag komt het Egeltjesteam om 8.00 uur op het politiebureau aan de Schweitzerlaan in Groningen voor appèl om de zaak vanuit alle mogelijke hoeken te bekijken. De rechercheurs verzamelen zich in het kantoor van Heling, bespreken de bevindingen van de vorige dag, brainstormen en verdelen nieuwe taken in de hoop op een spoor van de daders te komen.

Een van de belangrijkste beslissingen in de Helmantel-zaak is direct aan het begin genomen. De schilderijen moeten ‘heet’ zijn, zoals ze dat in jargon noemen, het moet zo duidelijk zijn dat het hier om gestolen waar gaat, dat geen heler zijn handen eraan wil branden en geen koper het aandurft om het aan de muur te hangen. Daarom moet iedereen weten dat Helmantel beroofd is, en dus schakelt de politie de media in. Nieuwslezer Gerard Arninkhof meldt in het achtuurjournaal van 25 februari 2000 wat er in Westeremden is gebeurd. De volgende ochtend pakken alle grote kranten ermee uit.

Het idee is dat als de schilderijen onverkoopbaar zijn op de (zwarte) markt, de daders contact zullen opnemen met Helmantel en om losgeld zullen vragen. ‘We hadden bewust aan de media doorgegeven dat het om 35 gestolen schilderijen ging’, zegt Heling. ‘Dus minder dan wat er daadwerkelijk gestolen was. Als er iemand contact zou opnemen, konden we zo achterhalen of ze de echte daders waren, door het juiste aantal te noemen.’ Iedereen kan zich immers als dader voordoen, in een poging losgeld op te strijken.

Ook neemt het team contact op met antiekhandelaren in binnen- en buitenland om hen voor potentiële verkopers te waarschuwen. Verder wordt er een beloning uitgeloofd van 50 duizend gulden voor de gouden tip die tot het terugvinden van de werken leidt. Op de telefoonlijn van de pastorie wordt een ‘call tracer’ geplaatst, zodat als de daders bellen, hun nummer daarmee achterhaald kan worden.

Maar het blijft stil. Omdat de kans dat de schilderijen het land uit worden gesmokkeld met de dag toeneemt, laten Heling en de Egeltjes geen minuut en invalshoek onbenut om een spoor te vinden dat naar de schilderijen en daders kan leiden. Ze interviewen alle inwoners van Westeremden, waarna ze twee op het eerste gezicht onopvallende, maar in de ogen van de dorpelingen opmerkelijke zaken te horen krijgen: er is een vrachtwagen bij een boerderij gespot en een paar dagen voor de inbraak is iemand met een busje door het dorp gereden. Is de bestuurder van dat vreemde busje misschien een dader geweest die op verkenning was gegaan? Heeft dat busje een bandenspoor achtergelaten in het gazon en kan het daarmee aan de roof worden gekoppeld?

Het team vraagt ook de cameragegevens op van snelheidsovertredingen in de wijde omgeving: misschien zijn de daders er in een noodvaart vandoor gegaan en is er een kenteken te vinden? Het gastenboek van het Helmantel-museum wordt uitgeplozen: hebben de daders de plek bezocht en mogelijk iets in het boek achtergelaten? Er wordt een F-16 ingezet om luchtfoto’s van Westeremden te maken: misschien kan het team op een idee over de vluchtroutes komen als het een beter overzicht van het dorp heeft? De politie benadert het Avro-programma Opsporing Verzocht en ook het opsporingsprogramma van RTV Noord: misschien heeft iemand een tip die hen op het spoor van de schilderijen kan zetten?

‘Maar het leverde allemaal niets op’, verzucht Heling. ‘Zelfs het bandenspoor viel weg. Een oplettende diender merkte op dat een auto die nabij de pastorie geparkeerd stond, dát bandenpatroon had. Het bleek gewoon de auto van de familie Helmantel te zijn.’

Als er iemand uit Canada naar de politie belt om te zeggen dat hij meer weet omdat hij een helderziende is, neemt Heling daarom schoorvoetend de beslissing naar die man te luisteren. ‘In principe doen we nooit zaken met helderzienden en waarzeggers, maar ach, we hadden verder niets.’ De man zegt precies te weten hoe de daders zijn gevlucht, dat heeft hij in een visioen gezien. Tja, denkt Heling. Maar als wordt nagetrokken wie deze helderziende is, blijkt hij opgegroeid te zijn in de omgeving van Westeremden en gewoon bekend te zijn met de vluchtweggetjes uit zijn ‘visioen’. Heling: ‘Ik kon het niet serieus nemen.’

null Beeld Erik Kriek
Beeld Erik Kriek

III De afperser

Een week na de roof rinkelt de telefoon in de pastorie. Helmantel neemt op. ‘Geen politie, ik heb de schilderijen’, zegt iemand aan de andere kant van de lijn. ‘Ik breng ze allemaal terug tegen betaling.’

Helmantel staat te trillen op zijn benen, maar probeert kalm te blijven. Hij zegt dat hij er veel voor over heeft om de werken terug te krijgen, waarop de dader belooft om terug te bellen zodat ze tot een deal kunnen komen.

De call tracer doet zijn werk, want het apparaatje detecteert het nummer dat de beller heeft gebruikt. Het team van Heling is enthousiast: eindelijk een spoor! Ze doen onderzoek naar de herkomst van het nummer en komen uit in een telefooncel langs de A1 nabij Enschede. De beller blijkt voorzichtig te zijn geweest.

Omdat er teruggebeld zal worden, wordt een bandrecordertje op de vaste lijn van de pastorie aangesloten. Helmantel kan de recorder zelf aan- en uitzetten en wordt geïnstrueerd om te vragen naar de hoeveelheid schilderijen die de dader heeft, de inmenging van de politie geheim te houden en geen enkele ruchtbaarheid te geven aan het contact dat hij met de afpersers heeft gehad. Een paar dagen later belt de dader al terug. Helmantel moet met 300.000 gulden over de brug komen. ‘Geen politiebemoeienis, anders gaat de deal niet door’, zegt de afperser.

‘Hoe weet ik dat u de waarheid spreekt?’, vraagt Helmantel.

‘Ik heb 37 schilderijen. Op de achterkant van een ervan staat ‘met dank aan Barbara’.’

Dat is het juiste aantal en inderdaad staat die tekst achterop een van de gestolen werken, een portret van Helmantels schoonvader. Iets wat alleen intimi weten.

Helmantel zegt dat hij met de afperser in zee wil gaan en het losgeld wil betalen voor het terugbezorgen van de schilderijen. De afperser zegt terug te bellen om vervolgafspraken te maken.

Wederom wordt een telefoonnummer achterhaald: er is opnieuw uit de omgeving van Enschede gebeld, al gaat het om een andere telefooncel. Nu kan de bandopname afgeluisterd worden en blijkt de stem van de afperser een duidelijke hint te bevatten: hij spreekt met een sterk Twents accent.

IV De informant

De volgende doorbraak in de zaak komt binnen bij Henk de Haan, die als informatierechercheur verbonden is aan de Criminele Inlichtingen Dienst (CIE) en een van de Egeltjes in het team van Heling is. ‘Iemand had in de krant over de kunstroof gelezen, belde en zei dat hij wist wie de opdrachtgever van de roof was’, zegt De Haan. ‘Hij wilde eerst meer weten over de beloning. Toen heb ik hem kunnen garanderen dat die er zou komen, mits zijn informatie bleek te kloppen.’

De Haan spreekt af met deze informant, wiens identiteit nog altijd geheim is. ‘Waar kan ik niet zeggen, maar ik had een voorkeur voor drukke plekken.’ De informant wijst hem op Herman S., een 49-jarige man uit Kampen die handelt in kunst en antiek. S. zou de roof in opdracht van een koper hebben uitgevoerd, maar na de media-aandacht voor de zaak, heeft die van de koop afgezien.

Heling en zijn team ontdekken dat S. bij andere diefstallen van schilderijen en antiquiteiten betrokken is geweest. Desondanks blijkt hij nog doodleuk in kunst te kunnen handelen. ‘Het was een rustig iemand die op geen enkele manier deed voorkomen alsof hij veel geld had, of daar veel waarde aan hechtte’, zegt Heling. ‘Hij reed in een oude auto en had niets waardevols op zijn naam staan.’

Er is iets dat tegen S. spreekt: hij heeft geen Twents accent. Als hij betrokken is bij deze roof, dan is hij hoogstwaarschijnlijk niet degene die Helmantel heeft opgebeld om hem af te persen, tenzij hij dat accent uitmuntend heeft nagedaan. De Egeltjes gaan op zoek naar een verband tussen S. en de afperser om verder te kunnen komen met hun onderzoek.

De officier van justitie geeft toestemming om de telefoon van S. te tappen. Het duurt even voor dat iets oplevert, want S. blijkt weinig spraakzaam te zijn als hij iemand aan de lijn heeft. En uit geen enkel gesprek komt iets naar voren dat aan de roof in Westeremden gelieerd kan worden. Tot hij één geheimzinnig telefoontje pleegt met een man die hij ergens in de omgeving van Kampen wil ontmoeten. Deze man heeft een Twents accent. Is dat de afperser van Helmantel? Heling: ‘We hebben toen een team ingezet om de ontmoeting van een afstand te observeren.’

Zo ontdekt Heling dat Herman S. heeft afgesproken met de 40-jarige Mannes L. uit Rijssen, een Overijssels dorp dat langs de A1 nabij Almelo ligt. Waar ze over spreken kan het team niet achterhalen. L. is een gezette man en heeft de bijnaam ‘De Siepel’, het Twentse woord voor ‘ui’. Hij blijkt ook een crimineel verleden te hebben: hij is, zo zal het Dagblad van het Noorden later melden, bij een gewapende overval in Duitsland en een bankoverval in de Achterhoek betrokken geweest waarbij hij zichzelf in zijn voet heeft geschoten en heeft al 7,5 jaar vastgezeten. Er wordt een tap op L.’s telefoon geplaatst, maar hij neemt geen contact meer met S. op.

De Egeltjes benaderen een wijkagent in Rijssen en laten hem de opnamen horen die Helmantel van de afperser heeft gemaakt. Deze wijkagent herkent L.’s stem. Ook het Forensisch Instituut in Rijswijk luistert naar de opnamen en concludeert dat de stem die van L. is. Nu kan het bijna niet anders dat L. de afperser is en dat de mogelijkheid bestaat dat als ze hem blijven observeren, hij hen naar de schilderijen zal leiden.

V ‘Nu is de zaak stuk’

‘S. en L. bleken samen te werken’, zegt Heling. ‘We hadden nu genoeg in handen om de zaak open te breken.’ De eerstvolgende keer dat L. contact met Helmantel opneemt, willen De Egeltjes een zogenaamde ‘voorverkoop’ bewerkstelligen: de afperser zover proberen te krijgen dat hij één schilderij levert om aan te tonen dat hij wel degelijk de hele buit heeft. De Egeltjes hopen L. dan te kunnen volgen om te achterhalen waar de andere schilderijen liggen.

Om de druk van Helmantel af te halen, willen de Egeltjes een medewerker van de politie voortaan het contact met de afperser laten voeren. Helmantel zal tegen L. moeten zeggen dat hij een zaakwaarnemer naar voren wil schuiven, zijn neef, iemand die het van hem overneemt omdat het hem emotioneel te veel wordt. Deze neef noemen we hier ‘Hans’ omdat zijn identiteit ook nu nog geheim wordt gehouden. Hans wordt uitgerust met een aparte telefoon (met daarop ook weer een tap), waarop L. hem kan bellen. Het is hopen dat L. erin meegaat. Maar net nu het Egeltjesteam de wind mee begint te krijgen, gooit het toeval roet in het eten.

Op zondagavond 19 maart 2000 zijn Henk en Barbara net naar de Andreaskerk toe voor de avonddienst, als de telefoon in de pastorie overgaat. Helmantels 14-jarige dochter Alida is alleen thuis, loopt naar het dressoir dat in de gang staat en neemt de witte hoorn van de haak. ‘Is je vader er?’, vraagt de beller. Alida antwoordt van niet. ‘Wij weten waar de schilderijen zijn.’ Alida begint te beven, zij weet op dat moment nog niet dat er een afperser in het spel is. Ze krijgt instructies van de beller: haar vader moet een bericht in De Telegraaf plaatsen als hij contact met hem wil. ‘Géén politie, anders gebeurt er iets met je’, klinkt het aan de andere kant van de lijn. Daarna wordt er opgehangen.

Helmantel zit naar de preek te luisteren als er een dame de kerk binnenkomt. Buiten had de dame zijn dochter aangetroffen, die haar in paniek had verteld wat er was voorgevallen. ‘Mijn dochter heeft een afperser aan de lijn gehad’, vertelt Helmantel geschrokken aan de andere kerkgangers en gaat direct naar huis.

‘Losgeld geëist voor gestolen Helmantels: dochter overstuur na telefoontje’ staat op 22 maart 2000 in het Dagblad van het Noorden. Een van de kerkgangers blijkt het dagblad te hebben ingeseind over wat er gaande is. Journalist Rob de Kam verifieert voor publicatie bij de politie wat hij heeft gehoord en tekent op dat de politie het telefoontje zeer serieus neemt.

Henk Heling trekt op het bureau in Groningen de haren uit zijn hoofd. Daar gaan we, denkt hij. Nu is de zaak stuk! Als S. en L. de krant lezen, weten ze dat de politie op de hoogte is van hun eisen, hen mogelijk op het spoor is en dat ze het risico lopen opgepakt te worden als ze de afpersing doorzetten.

De enige manier om de afpersers tot contact uit te lokken, is een bericht in De Telegraaf. ‘Met dank aan BARBARA (06-5169****). Wij hadden zo’n hoopgevend gesprek. Bel a.u.b. nog eens’, staat op de advertentiepagina van de krant, met een verwijzing naar de tekst die de afperser op de achterkant van een van de schilderijen heeft aangetroffen.

Inderdaad blijken de daders het nieuws te volgen, want de telefoon in de pastorie rinkelt regelmatig, maar niet meer om een deal voor de gestolen schilderijen te sluiten.

VI Wisselgeld

Na maanden stilte heeft Henk Helmantel op woensdag 12 juli 2000 eindelijk de afperser weer aan de lijn. ‘Bent u nog geïnteresseerd?’, vraagt de man aan de telefoon. Helmantel zegt van wel en stelt voor dat zijn ‘neef Hans’ de onderhandelingen overneemt, omdat hij het veel te stressvol vindt. Daar gaat de afperser mee akkoord. Helmantel geeft hem het nummer van ‘Hans’.

‘Voor 300.000 gulden krijg je achttien schilderijen’, zegt de afperser tegen ‘Hans’. Blijkbaar hebben de afpersers besloten niet meer alle schilderen voor dat bedrag te leveren, maar de helft achter de hand te houden. ‘Een slimme tactiek’, zegt Heling. ‘Ze wisten door wat er in de krant had gestaan dat de politie op de hoogte was en we hen mogelijk al op het spoor waren. Door een gedeelte achter de hand te houden, hielden ze ‘wisselgeld’ over. Ze rekenden erop dat we ze pas zouden oppakken als alles terecht was, anders hadden we ze al eerder van hun bed gelicht.’

Er blijkt wel iets vreemds aan de hand te zijn, want de persoon die belt, heeft een jongere stem dan de eerdere afperser. Het telefoonnummer leidt nu naar een prepaid-telefoon, waardoor de eigenaar van het nummer onbekend blijft. ‘Maar bij het beluisteren van de telefoontap bleek dat er een stem op de achtergrond te horen was die ons bekend voorkwam’, zegt Heling. ‘We herkenden het Twentse accent van L., die de nieuwe afperser instructies gaf over wat er gezegd moest worden.’

Na veel wikken en wegen nemen De Egeltjes de beslissing om op het voorstel van de afpersers in te gaan. ‘Maar we besloten ook ze bij die eerste levering te arresteren’, zegt Heling. ‘Als we 300.000 gulden zouden overhandigen, konden we niet het risico lopen dat ze daarmee zouden wegkomen, ook als hun arrestatie betekende dat we maar de helft van de werken terug zouden krijgen.’

Er is nu ook een opening om een tegeneis te doen en de afpersers te vragen om te bewijzen dat ze de schilderijen nog altijd in hun bezit hebben door er eentje voorafgaand aan de verkoop te overhandigen. Helmantel kijkt in het bijzonder uit naar Arjans eerste slofjes. ‘Neef Hans’ belt de afperser terug met het voorstel dat schilderij te overhandigen als daad van goed vertrouwen. Daarmee gaat hij akkoord. Zo ontstaat er een nieuwe mogelijkheid om, door L. te observeren, de bergplaats van alle schilderijen te achterhalen en de zaak op te lossen.

Vier dagen later rijdt L. naar een parkeerplaats aan de A50 nabij Apeldoorn. Een team observeert L.’s huis in de hoop de verstopplaats te ontdekken, maar de agenten zien L. in een auto stappen zonder dat duidelijk is of hij het werk bij zich heeft. Voor de zekerheid trekken de Egeltjes het nummerbord na en ontdekken dat de auto op naam van Johan van de W. staat, de buurman van L. Heeft hij er ook iets mee te maken?

Op de parkeerplaats nabij Apeldoorn zit een ander observatieteam klaar. Zij zien L. aan komen rijden. Hij draait de parkeerplaats op en legt een pakketje achter een prullenbak aan de rand van de parkeerplaats. Daarna scheurt hij weg over de A1 richting Enschede. In het pakketje blijkt inderdaad Arjans eerste slofjes te zitten. Die is alvast terecht. Maar om de rest ook terug te krijgen, moeten De Egeltjes doorgaan met de verkoop.

VII De geldkoffer

Er waait een gure wind bij Ecoduct De Borkeld, dat over de A1 nabij Rijssen ligt om het wild een oversteekplaats te bieden en van het ene naar het andere natuurgebied te komen. De snelweg loopt nu verdiept door het bosgebied heen, maar 21 jaar geleden zag het er anders uit. Toen lag hier vlakbij een parkeerplaats die Elsenerveld heette. Dat was de plek waar de ontknoping van de kunstroof zich heeft afgespeeld.

Op 17 juli 2000 rijdt Mannes L. hier de parkeerplaats op en zet zijn auto, die ook nu weer op naam van zijn buurman Johan van de W. staat, aan de rand. L. stapt uit nabij een hek dat de afscheiding met het bos vormt en zet een weekendtas naast zich op de grond.

Die ochtend zijn rechercheur Nico Nijp en collega Wout Oldenhuis naar het ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag gereden om een koffer met geld op te halen. Het ministerie heeft de drie ton losgeld in coupures van honderd gulden ter beschikking gesteld als ‘toongeld’. Het idee is dat de afpersers na het overhandigen van de schilderijen op het zien van het geld ingerekend worden en dat dat geld dan weer terug naar Den Haag gaat.

Op het politiebureau in Groningen is een zenuwcentrum ingericht waar Heling en zijn collega’s per portofoon meeluisteren.

null Beeld Erik Kriek
Beeld Erik Kriek

‘Neef Hans’ draait het Ensenerveld op. De koffer met geld zit in zijn auto en op zijn borst is een zendertje geplakt. De afspraak is dat als hij de zin ‘Zijn dat de schilderijen?’ uitspreekt, het arrestatieteam in actie komt.

Hans parkeert zijn auto en loopt met de geldkoffer in de hand, gespannen naar L. toe. Die opent de weekendtas zodat Hans kan zien dat de schilderijen erin zitten.

Nog voordat Hans iets kan zeggen, grijpt L. de geldkoffer, smijt die over het hek het bos in en neemt de benen.

Het arrestatieteam komt bliksemsnel in beweging. Ze hollen achter hem aan, maar L. glipt door een opening in het hek en verdwijnt tussen de bomen.

Er wordt besloten dat het belangrijker is om eerst het geld terug te krijgen, dan om L. te achtervolgen. Die pakken ze later bij zijn huis wel op. Daarom rennen de agenten in de richting van waar hij de koffer met geld naartoe heeft gegooid. In het bos treffen ze twee jonge mensen aan, een jongen van 20 en een meisje van 18 op een brommer, die zich over de koffer hebben ontfermd. Zij worden aangehouden.

L. heeft bij zijn vlucht de tas met schilderijen achtergelaten. De beloofde achttien werken zitten erin. Nu is het zaak dat de Egeltjes L. vinden en oppakken, in de hoop de bergplaats van de resterende schilderijen te kunnen achterhalen.

Een arrestatieteam valt het huis van L. in Rijssen binnen, maar L. en de schilderijen treffen ze er niet aan. De officier van justitie geeft daarop toestemming om ook het huis van L.’s buurman Johan van de W. binnen te vallen. L. heeft immers in diens auto gereden.

Eerst gaat een team naar binnen om de situatie te bevriezen, zoals dat heet: personen worden gelokaliseerd zodat ze zich niet kunnen bewegen, tot een rechter-commissaris ter plaatse is en toestemming geeft om op onderzoek uit te gaan.

Rechercheur Nico Nijp is bij die inval aanwezig. Nijp zit in afwachting van de rechter-commissaris met de vrouw van Van de W. op de bank en probeert haar gerust te stellen door een praatje te maken. ‘Je hoeft niet mee te werken’, zegt hij uiteindelijk. ‘Maar zou het niet mooi zijn om de ballast van je schouders te krijgen?’ Daarop breekt ze en zegt: ‘Ze liggen boven achter het knieschot.’

Wanneer de rechter-commissaris arriveert en het onderzoek opent, neemt Nijp de trap naar boven. ‘Ik deed een luik op zolder open en keek om de hoek’, zegt Nijp. ‘Daar stonden de overige schilderijen ingelijst tegen elkaar aan.’

In het zenuwcentrum in Groningen heerst een eufore stemming. Het hoofddoel van de operatie is geslaagd: alle schilderijen zijn terecht.

Nijp verzamelt uiteindelijk alle 37 schilderijen, inclusief Het Egeltje, en de kunstvoorwerpen en wikkelt ze in bubbeltjesplastic, om ze in de achterbak van zijn Toyota te stoppen. De koffer met geld zet hij daarnaast. Als tot hem doordringt dat er voor 1,8 miljoen gulden aan waar in zijn auto zit, kijkt hij zijn collega veelbetekenend aan. Die lacht. Samen stappen ze in en zetten koers naar Groningen.

De volgende dag is er een persconferentie waarbij Het Egeltje symbolisch aan Henk Helmantel wordt overhandigd.

Alle betrokken rechercheurs hebben een gicleeprint van Het Egeltje als aandenken gekregen, mét een handtekening van Helmantel en ‘Team Egeltje 2000’ erop. ‘Hij hangt in de gang’, zegt Heling. ‘Iedere keer als ik thuiskom, word ik herinnerd aan de bijzonderste zaak uit mijn leven.’

Epiloog

Mannes L. wordt op 21 juli 2000 van straat geplukt in Hengelo. De jongen en het meisje die met de geldkoffer in het bos zijn gesnapt, blijken zijn dochter Chantal L. en haar vriendje Nils H. te zijn. Nils is ook degene geweest die, terwijl L. coachend op de achtergrond te horen is, met een prepaidtelefoon naar ‘Neef Hans’ heeft gebeld om de nieuwe eisen door te geven.

Officier van justitie Marina Weel omschrijft L.’s buurman Johan van de W. als ‘zwakbegaafd’, iemand die zeker tegen L. geen ‘nee’ durft te zeggen. Zo leent hij hem zijn auto, staat toe dat L. de schilderijen bij hem op zijn zolder verstopt en is hij ook als chauffeur van Mannes L. en Herman S. meegegaan naar Westeremden. Van de W. verklaart daar uiteindelijk zeer gedetailleerd over en zegt dat L. en S. de schilderijen hebben geroofd.

S. is op een later tijdstip opgepakt en wordt beschouwd als de initiatiefnemer van en het brein achter de kunstroof. ‘Naar verluidt zou hij 100.000 gulden hebben geëist van L. voor zijn aandeel in de zaak’, zegt Heling. ‘Toen de eerste koper afhaakte moest L. maar zorgen voor een afnemer voor de schilderijen en de kunstvoorwerpen. Hierin lag waarschijnlijk de drang voor L. om koste wat kost door te gaan met de verkoop.’ Herman S. heeft dat vermoeden nooit bevestigd.

Herman S. en Mannes L. hebben respectievelijk twee en drie jaar onvoorwaardelijke celstraf gekregen. Johan van de W. en Nils H. zijn met een half jaar cel en een werkstraf van 240 uur bestraft. Chantal L. is net als de echtgenotes van L. en Van de W. vrijgesproken.

Het Egeltje is nog tot 7 maart 2021 te zien op de overzichtstentoonstelling Henk Helmantel, Meesterschilder in het Drents Museum. Tot 27 maart 2021 loopt ook de Helmantel-tentoonstelling Inspiratie in het Ikonenmuseum in Kampen.

Verantwoording: Dit artikel is tot stand gekomen door interviews met de betrokkenen, uitspraken van de Rechtbank Groningen, foto’s, kranten- en andere archieven. De daders waren niet te traceren en de advocaten die hen destijds hebben bijgestaan, lieten weten hen geen interviewverzoek te kunnen overbrengen. Omdat het dossier van de zaak is verjaard en niet inzichtelijk was, is gebruikgemaakt van de tijdlijn in het door Heling in eigen beheer uitgegeven Hoe de grote kunstroof werd opgelost met zijn herinneringen aan de roof.

Meer over