Columnsylvia witteman

Het deed me niets toen Emma Bovary stierf onder gruwelijke pijnen, en dat wil wat zeggen

null Beeld
Sylvia Witteman

Naast de vuilstortkoker stond een doosje boeken. ‘Gratis meenemen’, had een goede ziel erop geschreven. Bovenop lag een exemplaar van Madame Bovary, vergeeld, maar verder ongedeerd, alsof het nooit geopend was.

Ik moest denken aan wijlen Joost Zwagerman. Die was enorm gesteld op die roman. Ik niet. Ik vond Emma Bovary een wispelturig, egomaan, kil rotwijf (tegenwoordig zou men ongetwijfeld de diagnose ‘bipolair’ stellen). Zoals ze haar dochtertje Berthe bejegent! ‘Het kind schrok van haar gezicht en begon te huilen. ‘Hè! Laat me toch met rust! zei ze, en gaf haar een duw met haar elleboog. Berthe tuimelde tegen een koperen handvat van de commode; zij haalde haar wang open, er kwam bloed uit.’

Tegen haar man zegt ze dat Berthe bij het spelen is gevallen, en als het meisje later betraand ligt te slapen, denkt Emma: ‘Wat vreemd toch, zo lelijk als dat kind is.’ Elders in het boek wordt haar afkeer van het dochtertje wel verklaard: ‘Zij wilde een zoon hebben; (…) en deze gedachte, om een mannelijk wezen voort te brengen, koesterde ze als een kans op vergelding voor al haar machteloosheid uit het verleden. Een man is tenminste vrij; hij kan zijn hartstochten uitleven, door de wereld zwerven (…). Een vrouw daarentegen wordt voortdurend belemmerd. Passief en meegaand tegelijk heeft zij de zwakheid van het vlees en haar wettelijke afhankelijkheid tegen.’

Ja, dat zal allemaal wel, en Flaubert bedoelde dat boek ook stellig als een schrijnende aanklacht tegen de benauwende maatschappelijke conventies en zo, maar dat maakt Emma nog geen sympathiek persoon. Nee, toen ze op het eind van het boek langzaam stierf onder gruwelijke pijnen deed me dat niets, en dat wil wat zeggen, want bijvoorbeeld bij Mocro Maffia ben ik na die scène met de strijkbout al gillend afgehaakt. Maar ik nam Madame Bovary toch maar mee uit die doos, want wie weet zou ik bij herlezing Joosts liefde voor dat boek begrijpen.

Het verhaal is bekend: een meisje uit de provincie droomt van een mondain, rijk leven met een grote liefde. Ze trouwt met een goeiige sukkel van een dorpsdokter en is al spoedig doodongelukkig. De buitenechtelijke verhoudingen die ze begint, bieden tijdelijk uitkomst maar lopen stuk en ruïneren haar emotioneel en financieel. Ze verbittert en pleegt zelfmoord.

Ach ja, die arme Charles Bovary! Hij opereert (na aandringen van dat kreng Emma, die het in haar burgerlijke bekrompenheid alleen maar te doen is om een hogere status als vrouw van een belangrijk dokter) de stalknecht Hippolyte aan zijn horrelvoet. Die brave stalknecht heeft eigenlijk helemaal geen last van die voet, en Charles Bovary weet amper wat hij doet: hij bladert vertwijfeld in medische boeken. ‘Omdat het een paardenvoet was moest de achillespees worden doorgesneden en later eventueel de scheenbeenspier (…) want de heelmeester durfde het risico van twee operaties tegelijk niet aan en zelfs nu verkeerde hij al in angst en beven dat hij een vitale plek zou raken die hij niet kende.’

Het gaat mis, uiteraard, en het been moet later worden afgezet door een échte chirurg, waarbij Charles mismoedig piekert dat het ‘misschien toch geen paardenvoet was maar een klompvoet’. Arme, domme Charles. En hij was zo gelukkig met zijn mooie vrouw, zijn schattige dochtertje en zijn plattelandspraktijkje.

Allemaal verpest door die nukken van Emma, die te veel liefdesromans leest en daardoor een overspannen verwachting heeft van het leven. Wat dat betreft heeft deze wereldberoemde zedenschets nog steeds een frisse boodschap. Want of het nou door flutromannetjes komt of door de filters op Instagram: magische verrukkingen zijn altijd ongrijpbaar, voor een ánder weggelegd, iemand die niet echt bestaat.

Meer over