Columnsylvia witteman

Het dagboek bleek ordinaire antidrugspropaganda, nota bene geschreven door een mormoon

null Beeld
Sylvia Witteman

In mijn buurt wonen nogal wat expats, dus tref ik geregeld boeken in vreemde talen in die gratis straatbibliotheekjes. Vaak zijn dat zelfhulpboeken (Los 7 hábitos de la gente altamente efectiva) of bestsellers (Die sieben Schwestern), maar van de week trof ik een tikje natgeregend exemplaar van Go Ask Alice aan. 1971. Auteur: ‘Anonymous’.

Wat was dat ook alweer? Ik sloeg het open en bij de eerste zin wist ik het. ‘September 16. Yesterday I remember thinking I was the happiest person in the whole earth, in the whole galaxy, in all of Gods creation. Could that only have been yesterday or was it endless light years ago?’

Maar natuurlijk! Dit boek had ik, en velen met mij, als jonge tiener gelezen. In het Nederlands heette het Het onkruid en de bloem. De bloem: een onbedorven meisje van 15. Het onkruid: drugs. Het boek: een dagboek. Helemaal echt gebeurd, geilt de uitgever in het voorwoord, deels geschreven ‘op losse vellen, papieren zakjes, etc’.

De inhoud kent u natuurlijk, en zo niet dan laat die zich eenvoudig oplepelen. Het onbedorven meisje houdt er de gewone meisjesproblemen op na (ze vindt zichzelf – met 57 kilo, ik verzin het niet – te dik, er zijn ruzietjes met vriendinnen, verliefdheid en, o jee, zijn er wel genoeg lege sinaasappelsapblikjes in huis om haar haar mee te krullen?

Dan doet iemand lsd in haar cola op een feestje en hopla, daar druipen de lichtgevende kleuren al uit het plafond. Dat smaakt naar meer. Al gauw komt er ook hasj aan te pas, de indertijd alomtegenwoordige ‘Bennies’ en ‘Dexies’, de stonede ontmaagding, er wordt van huis weggelopen, rondgeneukt, gedeald, aan lager wal geraakt, en ha, daar is ook de obligate heroïnespuit.

Daarna de tranenrijke hereniging met de begripvolle ouders, het gebeterde leven, de nieuwe, frisse verloofde, het aaien van een klein poesje, Happiness geheten: ‘It was better than a drug trip, a thousand times, a million times, a trillion times.’

En dan, als al dat fondant je de oren uitkomt, goddank, de terugval. En dan krabbelt ze wéér op, en dan valt ze wéér terug, en dan volgen de psychoses, met overal ingebeelde wormen en maden. En zelfverminking. En het gekkenhuis. Nou, was dat het nou waard, dat plafond met die druipende kleuren? Nee, hè?

Ik was zelf ook 15 en vond het boek bespottelijk. Mijn vrienden en ik lazen elkaar, jointje in de hand, proestend van het lachen voor. ‘Ik voel me ellendig. Had ik maar een shot heroïne.’ ‘Ik ben ongesteld maar ik heb geen geld voor tampons. O, had ik maar een peppil.’

Hilarisch is ook de razende snelheid waarmee het arme meisje ten onder gaat. Tien dagen na de eerste joint zet ze al een naald in haar arm. En dan die omschrijvingen van het stoned zijn! ‘I closed my eyes and the music absorbed me physically. I could smell it and touch it and feel it. Never had anything been so beautiful.’

Wat wij toen al met grote zekerheid vermoedden bleek later waar: Het onkruid en de bloem is helemaal geen echt dagboek. Het is ordinaire antidrugspropaganda, geschreven door de jeugdhulpverleenster Beatrice Sparks, nota bene een mormoon. Die mogen niet eens kóffie van hun geloof.

Intussen, Haarlem 1980, ging het blowen ons gaandeweg vervelen, dus hielden we er maar weer eens mee op. Eén meisje uit onze coterie raakte trouwens wel degelijk aan de heroïne. Ik zou haar best eens willen vragen of haar ervaringen ook maar enigszins leken op die van dat nepdagboek. Maar dat kan niet, want ze is al 35 jaar dood.

Meer over