Columnsylvia witteman

Het Bommel-verhaal ‘De bovenbazen’ is verrassend actueel. Of zeg gerust visionair

null Beeld
Sylvia Witteman

Alsof de tijdgeest zelf het boek van achteren een schopje had gegeven viel Marten Toonders Geld speelt geen rol opeens uit mijn boekenkast. Ach ja, Heer Bommel, een van mijn lievelingspersonages, al is hij strikt genomen geen persoon maar een beer. Een beer zonder broek; hij heeft genoeg aan die geruite jas, waarmee hij al heel wat gekleder is dan de spiernaakte Tom Poes. Ze hebben trouwens allebei geen lul, dus valt er ook niets te verbergen. Markies de Canteclaer draagt trouwens wél een broek. Dan zal hij ook wel een lul hebben, zou je denken, alleen: hij is een haan, en hanen hebben geen lul.

Waarom vinden we Heer Bommel zo sympathiek? Eigenlijk is hij helemaal niet aardig. Hij laat Tom Poes altijd met zware dingen sjouwen en alle problemen oplossen, want zelf heeft hij zogenaamd ‘een teer gestel’. (Beren hebben geen ‘teer gestel’. Beren zijn béren.) Hij is nogal een patjepeejer. Dat ‘voorvaderlijk slot’ van hem, bijvoorbeeld, heeft hij zelf laten bouwen en die zogenaamd ‘eenvoudige doch voedzame maaltijden’ van hem behelzen altijd allerlei uitgelezen wijnen, overdadige taarten en gebraden kapoenen enzo.

Toch houdt iedereen van hem; waarschijnlijk omdat hij altijd helemaal ‘zichzelf’ is, een benijdenswaardige karaktertrek waar de meeste mensen alleen maar van kunnen dromen. Zoals Updikes ‘Rabbit’ Angstrom, in al zijn dommige egocentrisme ook een soort Heer Bommel, maar dan uit de Amerikaanse middenklasse, zei: ‘If you have the guts to be yourself, other people’ll pay your price.’

Hij heeft dan net zijn hoogzwangere vrouw verlaten en is bij een gelegenheidprostituee ingetrokken, die hij achtereenvolgens ook zwanger maakt en daarna laat barsten. Zoiets zou Heer Bommel trouwens nooit doen. Die heeft sowieso geen libido, al is hij wel altijd tot blozens verliefd op zijn buurvrouw, juffrouw Doddel (die verbazend veel op Tom Poes lijkt, als je dat kapje even van heur hoofdje wegdenkt. Hm…).

Ik herlas Geld speelt geen rol. Het is een fijne bundel, met ‘De bovenbazen’ als hoogtepunt. Ook het woord ‘bovenbazen’ is door Toonder bedacht, realiseerde ik me, net als ‘minkukel’, ‘grootgrutter’ en de uitdrukking ‘kommer en kwel’.

Het verhaal is uit 1963 maar verrassend actueel, met thema’s als het klimaat, overconsumptie en rijken die steeds rijker worden ten koste van armen. Als Heer Bommel een nieuw merk benzine weigert te tanken met een ‘hoog octaangehalte en felle verbranding’, vinden de passerende ‘bovenbazen’ dat verdacht. ‘Onmaatschappelijk. Er moet versleten en verbrand worden. Verteerd en weggegooid. Anders wordt er niet verdiend, begrijp je?’

Die ‘bovenbazen’, de negen rijkste ondernemers van Rommeldam, wonen geïsoleerd van de buitenwereld en zwaar beveiligd in ‘de gouden bergen’. Ze houden zich stipt aan hun eigen voorschriften (‘Geef nooit geld weg. Werk slijtage in de hand, want dat bevordert de productie. Roei de natuur uit, want de natuur is onze grootste vijand. Die vernieuwt zichzelf, voel je wel?’) en ze verdrijven de verveling door telkens weer hun bezittingen onderling te ruilen.

‘Zo kan men hier twee van het groepje in gemaakte joligheid aantreffen; Amos W. Steinhacker (die de olie en vijfnegende van de ritssluitingen bezit) en Nahum Grind van de motoren. ‘Ik weet wat’, sprak de laatste. ‘Als jij me nu een kwart van de petroleum geeft krijg jij alle fietsen.’ De ander haalde echter de schouders op. ‘Waarom?’ vroeg hij vermoeid. Ik vind er niks aan (…) we hebben hier met zijn negenen alles al, en hoe we ook ruilen, er komt niets meer bij.’

Maar dan dreigt er opeens een tiende bovenbaas bij te komen. En dat is Heer Bommel. Verder verklap ik niks. Noemde ik ‘De bovenbazen’ verrassend actueel? Nou, zeg maar gerust visionair.

Meer over