HERINNERINGEN

IN ENKELE columns onder de titel Ik herinner mij, heeft J.L. Heldring in NRC Handelsblad een aantal persoonlijke herinneringen uit zijn jonge jaren opgeschreven....

Als de kleine Jerome met een kindermeisje een wandeling langs het strand van Domburg maakt, zeurt hij dat hij zo moe is. Het kindermeisje antwoordt, dat hij dan maar pa moet worden. Dat begreep hij niet 'want thuis zeiden we niet pa en moe'.

Belangrijker dan het wandelen, met of zonder kindermeisje, is echter hoe er destijds binnen de Nederlandse elite werd gedacht. Daar wordt een mens ook nu nog treurig van. Er werd voornamelijk niet gedacht.

Heldring werd, zoals hij vaak opmerkt, in het jaar van de Russische Revolutie aan de Amsterdamse Herengracht geboren. Zijn vader was reder, zijn vroeg-gestorven moeder een Française. Hij bezocht het gymnasium, reisde veel, studeerde in Leiden en Parijs en schrijft - de tachtig inmiddels ruim gepasseerd - met ijzeren discipline nog steeds zijn columns.

Heldring is er niet op uit de zaken met terugwerkende kracht te verfraaien. Ook antisemitische opmerkingen van zijn vader worden vermeld, evenals de contacten met Hitler-Duitsland en Italië.

Hij memoreert dat hij in een Duits hotel een foto zag hangen met allerlei nazi-kopstukken die kennelijk in hetzelfde hotel gedineerd hadden. Sommige gezichten waren onzichtbaar gemaakt. Dat waren mensen die een jaar tevoren bij de zogenaamde coup van Röhm waren afgemaakt. Het bezoek moet dus in 1935 geweest zijn.

Ongeveer een jaar vóó de Duitse overval kwam een studentenhockeyteam uit Duitsland op bezoek in Leiden, waar hij studeerde. 'Na de wedstrijd volgden borrel en diner op de sociëteit Minerva. Rond een andere tafel in de zaal zat een gezelschap dat zich voor die gelegenheid met feestneuzen had gesierd. Om de vijf of tien minuten ging een hunner op de tafel staan, toegejuicht door de anderen, die Sieg Heil!, Sieg Heil! riepen. De Duitsers keken besmuikt. Leiden, althans het Leids Studenten Corps, was volstrekt apolitiek. Wat in Duitsland gebeurde was ver weg en werd gek gevonden.'

Nog zo'n herinnering.

'De Duitsers waren Polen binnengevallen. Op het mededelingenbord in de gang van de sociëteit had iemand de voorpagina van een Duitse krant geprikt, waarop in koeienletters stond: Lodz Gefallen. Ook dat was als grap bedoeld, namelijk een toespeling op de vooral door adel bevolkte jaarclub uit het Utrechtse Studenten Corps die Lots heette. . .'

Heldring bestempelt dit als 'onverantwoordelijke zorgeloosheid', maar voegt eraan toe dat na de Duitse inval vele leden van het LSC in het verzet gingen. Dat laatste is waar en moet zeker vermeld worden.

Toch blijft de vooroorlogse instelling van grote delen van de Nederlandse elite verbijsterend. Zij legde de basis voor de verregaande Nederlandse medewerking aan de jodenvervolging en de Duitse oorlogsproductie.

Daar komt bij dat die 'onverantwoordelijke zorgeloosheid', elders niet heerste. Hoewel veertien jaar jonger dan Heldring kan ik op dat punt uit eigen herinnering spreken. Bij mij thuis werden Hitlers veroveringen in de jaren dertig met toenemende zorg gevolgd.

Mijn jeugd stond in het teken van de Spaanse kinderen die tijdens de burgeroorlog links en rechts bij kennissen moesten worden ondergebracht. Ik weet ook nog waar ik speelde toen, april 1939, het bericht kwam dat Mussolini Albanië was binnengevallen: op de hei aan de Hilversumse Kamerlingh Onnesweg.

Mijn ouders zagen dat de neutraliteit ons niet zou redden. Mijn vader was koopvaardij-officier en zou de hele oorlog voor de geallieerden vracht vervoeren; zoals benzine in lekkende jerricans voor het Italiaanse front.

Maar voor hij begin 1940 naar zee vertrok, werd er voor mijn moeder een stevige rugzak met draagstel gekocht. Oorlog betekende vluchten en dan was een rugzak veel waard; vooral met een kind van bijna negen.

In een aparte column stelt Heldring dat er in de Nederlandse elite begrip voor Hitler bestond. 'De mentaliteit van de ministers en generaals in het vooroorlogse Den Haag was niet opvallend verschillend van die welke er in het LSC heerste.'

Heldring herinnert zich hoe zijn vader in Duitsland tegen een kelner zei: Eine jute jebratene Janse ist eine jute Jabe Jottes. Dat bleek Berlijns te zijn. Ik heb ook zo'n 'Berlijnse' herinnering, maar die was minder onschuldig.

In 1942 of '43 zaten mijn moeder en ik in het Brabantse Oisterwijk met twee van onze joodse onderduikers in een restaurant waar op de deur het plakaat 'Voor joden verboden' hing. Binnen stapten enkele Wehrmacht-officieren. Een van hen keerde zich, terwijl hij koppelriem met pistoolholster aan de kapstok hing, in onze richting en vroeg: Sind Sie jut? Wij verstijfden, maar ook dat was Berlijns. Hij had niet gevraagd of wij joden waren, maar of het ons goed ging.

Herinneringen verschillen.

Meer over