Hemelros boven het Lijkenveld

Ulaanbaatar kent een 'ger-wijk', met honderden nomadententen. Rondom de hoofdstad glooien heuvels als vrouwenborsten. Vele kloosters werden verwoest in de Stalin-tijd, maar de historische gebouwen en musea van Mongolië herbergen onvermoede schatten....

door Karin Veraart

EEN WIJS man, een groot nationalist, een visionair. Of: een levensgenieter, een zuiplap en een rokkenjager die aan het eind van zijn leven blind werd als gevolg van een vergevorderde geslachtsziekte? Het ligt eraan welke bronnen je raadpleegt. De laatste koning van Mongolië, de achtste Levende Boeddha (Bogdo Gegen), was in ieder geval een kleurrijke figuur wiens levensloop tot de verbeelding spreekt; ook al omdat hij nog in deze eeuw leefde en zijn curieuze winterpaleis ten zuiden van de Mongoolse hoofdstad de herinnering tastbaar houdt.

Het vorstelijk onderkomen is een wit vervallen gebouw in westerse stijl dat merkwaardig afsteekt bij de rest van het ommuurde complex: zes tempels rond een binnenplaats, waar op een maandagnamiddag behalve een groepje Westerse bezoekers niemand te bekennen is. Kunsthistoricus en Azië-kenner Jan Fontein wijst op de gekkigheden en de schatten die hij hier aantrof toen hij zo'n twee jaar geleden begon met de voorbereidingen voor de Mongolië-tentoonstelling in de Nieuwe Kerk.

Sinds de dood van de Bogdo Gegen in 1924 is het paleis niet meer bewoond. De vloeren kraken en de lucht is muf, maar de inhoud is intact; zelfs de opgezette dieren, een hobby van de vorst. Volgens overlevering liet hij een witte olifant uit Rusland overkomen, een tocht van zeker drie maanden naar Ulaanbaatar. En toen een giraffe te lang bleek voor de beoogde kamer, liet hij een stuk uit de hals halen. Daar staat het beest nu nog, de kop tegen het plafond geperst.

De komende dagen zal een aantal van de kunstobjecten worden ingepakt voor vervoer naar Amsterdam. De beesten blijven thuis, maar het jasje van zijde en goudlamé, een geschenk van de Chinese keizer aan de achtste Bogdo Gegen, zal in Nederland worden geëxposeerd: niet alleen om zijn schoonheid, ook om zijn betekenis. Een dergelijk kostbaar hes onderstreepte weliswaar de status van de ontvanger, maar gaf tegelijkertijd haarscherp aan dat de Mongoolse drager deel uitmaakte van de Chinese keizerlijke lijfgarde - en Mongolië (tot 1911) dus van China.

De gastcurator vond hier meer van zijn gading, zoals een ceremoniële hoofdtooi (shanag) en een wat luguber aandoende krans van 43 schedeltjes uit been. Beide voorwerpen werden met verve gedragen tijdens het rituele tsam-feest, dat een belangrijke plaats inneemt in de Tibetaans-lamaïstische geloofsbeleving zoals die vanaf de zestiende eeuw ook in Mongolië opgang deed.

Duivelsdansen noemden ontdekkingsreizigers het jaarlijks tempelfeest, en wie de foto's ziet die Fontein en zijn medewerkers uit archieven opdiepten - alle voorzien van het bijschrift 'voor 1937', het jaar dat het communistisch regime korte metten maakte met het tsam-feest - komt die omschrijving uiterst adequaat voor. De belangrijkste actoren in dit excorcistisch ritueel dragen namen als Heersers van het lijkenveld, grote God van de Dood en Opperste Hellerechter. Hun angstaanjagende maskers onderstrepen hun demonische rol. Voor een groot publiek verdreven zij op het zogenoemde Lijkenveld (het festivalterrein) de boze geesten, in hun belangrijke taak bijgestaan door potsenmakers en muzikanten met hun speciale hoofdtooien en rijkbewerkte kostuums. Aan de hand van tekeningen en fotomateriaal maakte Fontein een gedetailleerde reconstructie van de boeddhistische en sjamanistische rituelen waarvoor hij uitgebreid mocht putten uit de kunstkamers en kelders van Mongoolse (en Russische) musea.

De maskers die hij vond, zijn een lust voor het oog: griezelig en fascinerend in hun schoonheid. Voor de monniken zijn het sacrale voorwerpen, hetgeen deels hun goede staat verklaart; bovendien zijn ze, ondanks hun oervoorkomen, niet zo oud. Vermoedelijk pas rond 1811 deed de tsam zijn intrede in Urga, het huidige Ulaanbaatar.

Komend uit de duistere koele wereld van geesten en tempels is het even knipperen tegen het felle licht van de stoffige, drukke hoofdstad. Het is net zomer, maar over een maand of drie zal de eerste sneeuw weer vallen. De wegen zijn breed, de pleinen enorm - belegd met inmiddels gescheurd asfalt en zonder een speciaal middelpunt, waardoor wandelaars een vreemd verloren indruk maken. Sommige stukken grond zijn afgebakend in eerste aanzet tot een perkje, maar bloemen of planten groeien er niet, alleen zo hier en daar een lariks. Een enkel roze of zachtgeel gesausd neo-classistisch bouwwerk licht op in het grijs, maar schijnbaar willekeurig neergeplante stalinistische kolossen beheersen het totaalbeeld. De eerste indruk van de Rode Held, zoals de vertaling van Ulaanbaatar luidt, is er een van overrompelende lelijkheid.

Het Nationaal Museum van Mongoolse Geschiedenis heette in de Sovjet-tijd het Museum van de Revolutie - en zo ziet het er nog steeds uit. Even verderop staat het Museum van de Schone Kunsten. Hier, en in twee nabijgelegen kloostercomplexen, brachten Jan Fontein, John Vrieze (hoofd tentoonstellingen) en Nieuwe-Kerkdirecteur Ernst Veen de meeste tijd door in hun zoektocht naar de mooiste schatten. De Mongoolse autoriteiten heetten hen hartelijk welkom, ze kregen de vrije hand en er werden plannen gesmeed voor een feestelijke opening in de Nederlandse hoofdstad, in bijzijn de Mongoolse president zelf.

Een rondgang door het halflege Museum van Schone Kunsten is een vervreemdende ervaring. In de kelder staan ingenieuze verhuiskisten met in hun binnenste afgepaste ruimten waar de kunstvoorwerpen precies tussen passen: eenmaal ingepakt kunnen ze geen millimeter meer verschuiven. Overal liggen maskers in het rond, een beetje verloren. Er hangt een nerveuze sfeer, de tijd dringt. Jawel, het gaat goed, roept Jan Fontein, maar in plaats van de beoogde stukken dragen museummedewerkers steevast en traag de verkeerde dingen aan. Naar de achterliggende reden blijft het gissen.

Bovendien heeft Een herfstdag in Mongolië van de schilder Sharav in Fonteins afwezigheid een andere lijst gekregen waardoor het niet meer in zijn speciale kist past. Uit Nederland moet in allerijl een nieuw bemeten exemplaar worden overgevlogen. Het humeur van Ernst Veen daalt. Hem gewordt ook nog eens dat de president vermoedelijk afziet van zijn bezoek aan Nederland en koningin Beatrix. 'Het is misschien niet mijn allermoeizaamste tentoonstelling geweest' zal hij later zeggen. 'Maar het komt wel in de buurt.'

Intussen doet de Mongoolse curator haar best de Nederlanders te winnen voor een rondleiding door haar uitgeklede kunsthuis, genoemd naar de legendarische kunstenaar en staatsman Zanabazar (1635-1723). Zanabazar was edel van geboorte, een directe nakomeling van Djengis Khan. Daar kwam bij dat hij een wonderkindje was met een bijzonder interesse in architectuur, kunst en: religie. Als jeugdige pelgrim in Tibet werd hij door de Vijfde Dalai Lama erkend als de reïncarnatie van een beroemd Tibetaans geleerde wiens geestelijke afstamming tot de tijd van Boeddha zelf zou teruggaan. Zo kwamen wereldlijk aanzien en geestelijk leiderschap samen in een en dezelfde figuur en was diegene ook nog eens begenadigd beeldhouwer.

Politiek wapenfeit van de eerste Levende Boeddha (eerder genoemde rokkenjager was dus zijn achtste reïncarnatie) was dat hij Mongolië onder Chinese heerschappij bracht, een situatie die tot 1911 duurde en waarmee niet iedereen even gelukkig was.

Maar van zijn kunstzinnige nalatenschap kun je niet anders dan onder de indruk zijn. Zijn verfijnde beelden met hun ronde kopjes - hij zou ze gemaakt hebben naar zijn evenbeeld - zijn exemplarisch voor de nieuwe, Mongoolse stijl van Boeddhistische beeldhouwkunst waarvan hij de grondlegger was. Hoewel er in de Stalin-tijd veel verloren is gegaan - meer dan zevenhonderd kloosters werden vernietigd - is er in de stad toch nog een aantal echte Zanabazars te vinden; onder meer in het tempelcomplex Gandan, dat zijn religieuze functie terug kreeg.

Rond het middaguur riekt het bepaald kwalijk in het Gandan klooster. Tussen de geprevelde gebeden door nuttigen monniken hun lunch, iets yoghurtachtigs met grote klonten, en hompen brood. De bedompte tempels zijn volgepakt met kleden, lappen, boeddhabeeldjes in alle vormen, maten en materialen en een bijzonder soort sculpturen van geitenvet in pasteltint. Schuifeldend met de klok mee bewegen opgedofte bezoekers zich langs de wanden van de tempel, steels gadegeslagen door de kleine lama's.

Het is een feestdag in de hoofdstad: de dag van Moeder en Kind. Begin juni staat überhaupt in het teken van festiviteiten: het bezoek van de Koreaanse president is een aanleiding en kort daarvoor is de (recentelijk vastgestelde) geboortedag van Djengis Khan gevierd. De befaamde hordeleider staat dezer dagen opnieuw in het middelpunt van de belangstelling; in de media wordt door de voorzitter van de Djengis Khan Academie zelfs melding gemaakt van zijn nakende wedergeboorte. Millennium Man Chinggis Ready To Return, kopt de UB Post.

Kleine meisjes in synthetisch-witte jurken en strikken haasten zich aan de hand van hun moeder naar wat wel de allerleukste plek van de stad moet zijn om de feestdag door te brengen: een schrale vlakte nabij het Chojin Lama Tempel Museum met aan het eind een soort pretpark. De opgewekte familietaferelen kunnen de armoede in Ulaanbaatar (een miljoen van de in totaal 2,4 miljoen inwoners leeft in de hoofdstad) niet verhullen; na het vertrek van de Russen is de economie volledig ingestort.

Aan de randen van de stad ontvouwt zich een voor het onvoorbereid westers oog een verrassend fenomeen: de ger-wijk. Honderden van de traditionele ronde nomadententen zij aan zij, vaak deels aan het oog onttrokken door gammele schuttingen die een erfje met toiletgebouw markeren. Ze maken een groezelige indruk, een beetje misplaatst haast. De ronde bolletjes horen voor je idee in de weidse steppe in formaties van twee, hoogstens drie voor te komen. Een misverstand, want de hoofdstad heette ooit Stad van Vilt, naar het materiaal waarmee de ger is afgedekt. Voordat de nomaden kozen voor de huidige locatie en de Russen begonnen met bouwen, was wat nu Ulaanbaatar heet wel zo'n dertig keer verplaatst.

Töv heet de provincie waarin de hoofdstad ligt, een ruig, schijnbaar oneindig glooiend steppengebied. In Het land van de toornige wind vergelijkt de Mongoolse auteur Galsan Tschinag de steppenberg met een vrouwenborst, fraai gewelfd met op de top een minibergje. Deze 'tepel' bestaat uit kleine stenen (en soms een ontluisterende hoop troep), een ode aan de berg van de steppenbewoners. Volgens sjamaanse traditie gooit de voorbijganger drie stenen op de obo, loopt er driemaal omheen en doet dan een wens. Oude gebruiken en tradities leven nog sterk onder de Mongoolse nomaden; het sjamanendom liet zich nooit geheel uitroeien, niet door de sovjets en niet door het boeddhisme - in de lamaïstische rituelen zijn veel natuurgodsdienstige elementen opgenomen. Overal stuit je op dit soort bultjes, ook als er in de wijde omtrek geen mens te bekennen is.

Töv is leeg en groot en, als je bent uitgekeken op de wilde marmotten, een beetje eentonig. Maar op de vlakte landt een oranje helikopter waarop met grote zwarte letters 'Hemelros' staat. Gedecoreerd piloot Sugar zal hem berijden, richting Gobi-woestijn met een tussenstop in Kharkhorin, het vroegere Kara Korum, de plaats waar Djengis Khan in de dertiende eeuw de hoofdstad van het Mongoolse rijk stichtte. Driehonderd jaar later werd op de ruïnes van de oude nederzetting het Erdene Zuu klooster gebouwd, het eerste boeddhistisch centrum in Mongolië. Het is een groot complex, omgeven door een muur met 108 stupa's, indrukwekkend in zijn omvang maar ook in zijn verlatenheid. Veel is verloren gegaan en vervallen maar er ís een echte Zanabazar en een groot en afschrikwekkend beeld van de Mahakala: de Beschermer van de Leer, die met de opkomst van het boeddhisme de sjamaanse beschermer van de tent (oggon) uit de ger verdreef.

Piloot Sugar heeft in Kharkhorin een puppie opgepikt. Voor zijn dochterje, zegt hij. Tijdens de vlucht richting de Gobi houdt hij het beestje op zijn schoot. Bij de nomaden geldt de hond als het laatste familielid; hij eet mee, al krijgt hij niet de beste stukken schaap. Onder het Hemelros trekt een fascinerend gebied langs: ruig, droog met dan ineens bergen en een waterval en grasland dat abrupt overgaat in woestijn. En hier en daar een ger, of een een groepje gers. Ergens in de uitgestrektheid van de Zuid-Gobi (de dunstbevolkte provincie van het land) woont U. Puntsag, een voormalig vrachtwagenchauffeur. De familie Puntsag is rijk: tachtig kamelen hebben ze en honderden schapen. Zijn vrouw is bij familie, wijst hij, en met een beetje goede wil ontwaar je in de groene verte (de begroeiing lijkt, ook in smaak, op een soort bieslook) nog een ger. Puntsags dochter deelt kommen kamelenmelk rond. Haar bezoek zit wat ongemakkelijk en zonder inachtneming van de ger-regels (alles en iedereen is hier een speciale plaats toegedacht) in een kringetje in de tent. De gastheer is er niet minder vrolijk om. Even later stuurt hij zijn dochter op een kameel de steppe in om de kudde te gaan halen - een prachtplaatje.

Tijdens de urenlange terugvlucht naar Ulaanbatar over niks, nog eens niks en een ger, doemt ineens het beeld op van Een Herfstdag in Mongolië, waarop de schilder Sharav in vogelvluchtperspectief een ludiek beeld geeft van het steppenleven. Bij aankomst in Ulaanbaatar blijkt dat door douanestrubbelingen de expositie in de Nieuwe Kerk maar op het nippertje is veiliggesteld. De emballeurs hebben flink de balen van Mongolië. Maar de steppenreiziger komt die avond vreemd genoeg ook de hoofdstad lieflijk voor.

De dansende demonen van Mongolië, 26 juni t/m 17 oktober in De Nieuwe Kerk op de Dam in Amsterdam (dagelijks 10 tot 18 uur, do. tot 22 uur). Catalogus fl. 25, gebonden fl. 39,90. Tot en met 2 juli is op de Dam een originele Mongoolse tent ook van binnen te bekijken. Morgen om 15.00 uur houdt de Mongoolse schrijver Galsan Tschinag een lezing n.a.v. zijn nieuwste boek Het land van de toornige wind.

Meer over