boekrecensieTwee weken weg

Heimelijk opzien tegen de vakantie, in een subtiel en melancholiek meesterwerk ★★★★★

Vergeten roman van R.C. Sheriff uit 1931 blijkt het ideale zomerboek voor 2021.

De Engelse schrijver RC Sherriff (1896-1975). Beeld Getty Images
De Engelse schrijver RC Sherriff (1896-1975).Beeld Getty Images

In april vorig jaar, tijdens de eerste coronagolf, vroeg het dagblad The Guardian een twintigtal schrijvers om een boek te noemen dat volgens hen ‘uplifting’ was en een kans bood om aan de deprimerende werkelijkheid te ontsnappen. Kazuo Ishiguro noemde in zijn bijdrage The Fortnight in September van R.C. Sherriff, een boek dat bij verschijnen in 1931 een groot succes was, maar inmiddels in vergetelheid was geraakt. De tip werd opgepikt door Ishiguro’s Nederlandse uitgever en thans kunnen we constateren dat we daarmee een literaire parel rijker zijn, die serieus aanspraak maakt op de titel ‘hét zomerboek van 2021’: Twee weken weg.

Die twee weken verwijzen naar de jaarlijkse vakanties die het gezin Stevens, woonachtig in de Londense voorstad Dulwich, doorbrengt in de badplaats Bognor Regis. Steevast nemen zij op de eerste zaterdag van september het lokale boemeltje richting Clapham Junction, om daar over te stappen op de ‘hoofdlijn’, die hen naar Bognor zal brengen.

Het gezin Stevens bestaat uit vijf leden en Sherriff laat ons in de huid van ieder van hen kruipen. Het resultaat is een prachtig portret van een vijftal ‘kleine luyden’, elk met hun dromen, onzekerheden, illusies, frustraties, momenten van triomf en momenten van ontluistering.

Het valt gemakkelijk in te zien waarom Ishiguro zich tot dit boek aangetrokken voelde. Net als de Nobelprijswinnaar betoont Sherriff zich in Twee weken weg een meester in het schetsen van menselijke zelfbegoocheling. Ook bij Sherriff laten de personages zelden het achterste van hun tong zien, bedekken ze graag zoveel mogelijk zaken met de mantel der liefde, slagen ze er knap in de feiten te ontkennen of te verbloemen. Ik weet niet wanneer Ishiguro dit boek voor het eerst las, maar je zou bijna geloven dat het geen toeval is dat hij zijn butler in De rest van de dag dezelfde naam gaf als het gezin in Twee weken weg.

Dat gezin bestaat uit vader, moeder, Mary (19), Dick (17) en Ernie (10). Vanaf het eerste hoofdstuk creëert Sherriff een sfeer van blijmoedige melancholie. We maken kennis met mevrouw Stevens, wier wereldje al twintig huwelijksjaren lang ophoudt bij de spoordijk die Dulwich scheidt van Herne Hill, Camberwell en ‘de lichtjes van Londen’. Het is de dag voor de jaarlijkse trip naar Bognor, dus maakt ze een ‘speciale maaltijd’ (gekookt rundvlees), want de vooravond van de vakantie heerst er altijd een Kerstavondachtige sfeer in huize Stevens.

Maar eigenlijk ziet ze op tegen de vakantie. Diep in haar hart is ze bang voor de zee, vooral als hij kalm is. Ze verbergt haar angsten voor de andere gezinsleden en probeert gelukkig te worden van hun plezier. En dan de reis! Vooral de overstap op het drukke station Clapham Junction is verschrikkelijk: het geratel van de karretjes van de kruiers, de verkeerde perrons, het gegil van treinen.

Het perspectief verschuift naar meneer Stevens als hij het gezin zijn ‘marsorders’ uitdeelt. In de loop der jaren heeft hij een uitvoerige lijst aangelegd met werkzaamheden voorafgaand aan de vakantie, zoals het tuingereedschap invetten, de kanarie naar de buurvrouw brengen, alle winkeliers afzeggen, de gaskraan dichtdraaien, het zilver verbergen en de overburen vragen om Poes eten te geven. Waarbij de Stevensen het een heerlijk veilige gedachte vinden dat de overbuurman een gepensioneerde politieagent is.

We lezen over de verlegen Mary, Dick die doodongelukkig is in de baan die zijn vader voor hem heeft geregeld, Ernie in zijn onschuldige fantasiewereld.

In Bognor logeert het gezin al twintig jaar in een elke vakantie sjofeler wordend pension – gedreven door een ziekige maar goedbedoelende weduwe – dat ‘Zeezicht’ heet, ‘omdat je vanuit het wc-raampje de top van een lantaarnpaal op de boulevard kunt zien’.

Twee weken weg is een prachtige schets van de Engelse badcultuur in zijn gloriedagen. De tijd dat bijna niemand nog naar het buitenland op vakantie ging, dat de spel- en gokautomaten op de pier exotische attracties waren, dat mensen zich insmeerden met olijfolie om hun huid niet te laten uitdrogen in de zon, dat een strandhuisje met een eigen veranda een staaltje jaloersmakende luxe was en dat het optreden van een militaire band in de open lucht een van de hoogtepunten van je vakantie vormde.

Maar stiekem gaat deze roman niet echt – of in elk geval niet alleen – over een strandvakantie. Twee weken weg is een prachtig subtiel boek over niet-ingeloste beloften, verdampte illusies, teloorgang. Over een gezin dat waarschijnlijk voor het allerlaatst gezamenlijk op vakantie gaat, een pension dat net als zijn pensionhoudster op zijn laatste benen loopt, carrières en relaties die niet zijn geworden wat je ervan had gehoopt.

Het knappe is dat Sherriff deze grote thema’s gestalte geeft via schijnbaar luchthartig opgeschreven alledaagse gebeurtenissen. Zijn schrijfstijl ademt innemendheid, zachtaardigheid, welwillendheid. Twee weken weg is ondanks een voortdurend aanwezige sfeer van melancholie op een ingetogen manier uiterst humoristisch, en daarmee opbeurend en troostrijk. We mogen Kazuo Ishiguro dankbaar zijn.

null Beeld Atlas Contact
Beeld Atlas Contact

R.C. Sherriff: Twee weken weg. Uit het Engels vertaald door Inge Kok. Atlas Contact; 352 pagina’s; € 22,99.

Meer over