Heilige en Engelse grond

De Eerste Wereldoorlog onttakelde de poëzie en maakte van verzenmaker Siegfried Sassoon een dichter. Nog altijd behoren Sassoons oorlogsgedichten tot zijn beste....

IN ZIJN herinneringen met de meesterlijke titel Goodbye to All That beschreef Robert Graves hun eerste ontmoeting. Het is 1915 en de plaats van handeling is het front in Frankrijk. Graves komt de mess van de C-compagnie binnen en ziet een exemplaar van The Essays of Lionel Johnson liggen. Het eerste literaire boek dat hij in Frankrijk ontdekt. Voorin stond de naam van de eigenaar: Siegfried Sassoon. Hij kijkt rond wie die 'zonderling' kan zijn. Het was niet moeilijk, 'ik raakte met hem in gesprek en een paar minuten later gingen we naar Béthune - we waren vrij tot donker - en spraken over poëzie.'

Twee dichters - Sassoon was 29, Graves nog maar 20 - hadden elkaar gevonden.

Dat was op 28 november. Sassoon schreef in zijn dagboek: 'Wandelde voor de thee naar Béthune met Robert Graves, een jonge dichter, kapitein in het derde bataljon en heel erg impopulair. Een boeiend creatuur, prikkelbaar en zelfbewust, wars van conventies.' Sassoon had al negen bundels gepubliceerd (het merendeel als privé-druk), Graves nog niets. Maar de dagboekaantekening laat de verhoudingen zien: Graves (die ook trekken had van een geniale grootspreker) wordt superieur geacht. Sassoon was timide van aard, maar verdroeg superioriteit moeilijk. De omgang met Graves werd al gauw na de oorlog tamelijk lastig.

Hoe anders was Sassoons eerste ontmoeting met de dichter die de grootste war poet zou worden: Wilfred Owen. Beiden waren in 1917 met een oorlogstrauma opgenomen in een psychiatrisch herstellingsoord in Engeland. Op een avond werd er bescheiden geklopt op de deur van Sassoons kamer. 'Kort van stuk, donker haar, schuw aarzelend bleef (een jonge officier) even staan voor hij langzaam door de kamer naar het raam liep, waar ik op mijn bed mijn golfclubs zat schoon te maken. De eerste indruk was gunstig, want hij had enkele exemplaren van The Old Huntsman onder zijn arm. Hij was gekomen, zei hij, in de hoop dat ik zo vriendelijk zou willen zijn ze voor hem en een paar vrienden te signeren.'

The Old Huntsman and Other Poems was net verschenen. Daarin stonden Sassoons oorlogsgedichten, die van een kaal en somber realisme zijn. 'De oorlog maakte Sassoon van verzenmaker tot dichter', is er gezegd. De poëzie en het contact veranderde Owens eigen poëzie grondig. In het laatste jaar van zijn leven - hij zou een week voor de wapenstilstrand sneuvelen - schreef hij zijn genadeloze gedichten over de oorlog, tegen de oorlog dus (die dan nog altijd in Engeland werd gezien in de geest van die andere dichter, de oorlogslieveling van het Verenigd Koninkrijk: de mythe Rupert Brooke).

Zoals Engeland vanuit de negentiende eeuw de oorlog inging, was dat ook met de Engelse poëzie het geval. Graves, Sassoon en Owen zijn er de voorbeelden van, de hele zogenaamde Georgian Poetry trouwens. De oorlog onttakelde de poëzie, nog altijd zijn Sassoons oorlogsgedichten zijn beste. Hoewel hij na de oorlog hechte betrekkingen onderhield met de Sitwells, de nadrukkelijke modernisten, zal Sassoon vreemd blijven staan tegenover het meeste van de naoorlogse poëzie. Aan Eliots The Waste Land kon hij, naar eigen zeggen, geen kop of staart ontdekken. Wat hij zelf later in vele bundels schrijft, sluit eerder aan bij zijn vroegere poëzie dan bij zijn oorlogsgedichten.

De oorlog heeft hem zwaar gekwetst, over het verlies van enkele goede vrienden is hij nooit heengekomen, maar de wapenstilstand is nog niet daar of hij zet zijn vooroorlogse drukke sociale leven voort. De aantekeningen uit het eerste van de drie gepubliceerde dagboeken - dat de jaren 1915-1918 bestrijkt - laten het zien. Hij ontmoet weer iedereen aan de lunch, aan het diner, of op een feest - de jaren twintig beginnen in november 1918.

Sassoon kwam uit de upperclass, zijn vader was joods, zijn moeder kwam uit een kunstenaarsfamilie. Al vroeg heeft hij een gevoeligheid voor kunst. Dat woord gebruik ik met opzet, niet alleen omdat die gevoeligheid vaak een rationeel inzicht buitensluit, maar ook omdat zijn oeuvre uit een gevoelig omgaan met zichzelf lijkt voortgekomen. Hij heeft nagenoeg altijd over zichzelf geschreven, in zijn gedichten en in zijn proza. Hij is altijd met zichzelf bezig gebleven. Hij had twee broers, maar hij was een enig kind, een moederskind bovendien. Zijn scholen zijn niet schitterend, Cambridge verlaat hij zonder titel. Hij dicht. En zijn leven staat in het wit tussen de strofen. Dat is het even conventioneel als Engelse leven van de betere klassen: paardrijden, jagen, golfen en boven alles cricket spelen. En natuurlijk met kunst en kunstenaars omgaan.

Hij was homoseksueel en heeft nogal wat tedere en van zijn kant beschermende relaties gehad. Op zijn 47ste trouwde hij - hij bleek biseksueel - met een veel jongere vrouw, kocht een indrukwekkend landhuis, gebouwd in 1700, en kreeg twee jaar later een zoon. Hij leidde het leven van de tijd waarvan hij het voorbijgaan steeds meer zal gaan betreuren. Het huwelijk duurt niet lang, het begint uiteen te vallen bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, die zijn pessimisme bevestigt. Na 1945 gebeurt er eigenlijk niet zoveel meer in zijn leven, hij dicht, schrijft en cricket door, woont meestal alleen in het grote huis.

Tien jaar voor zijn dood in 1967, wordt hij rooms-katholiek. Hij wordt gedoopt in de benedictijner abdij van Downside. Hij speelde natuurlijk in het cricketteam van het klooster. En zo werden heilige en Engelse grond een eenheid. Als dichter kon hij de schitterende zin van de oude Max Beerbohm naspreken: 'Ik ben wat de schrijvers van in memoriams noemen 'een interessante schakel met het verleden'.'

Sassoon heeft van 1915 tot 1956 een dagboek bijgehouden. De eerste tien jaren daarvan zijn in de jaren tachtig in drie banden gepubliceerd door Rupert Hart Davis, die grootse dienaar van de literatuur (hij gaf onder meer ook de brieven van Oscar Wilde uit). Heel indrukwekkend zijn de dagboekaantekeningen uit de oorlogsjaren, de andere zijn zeer informatief over zijn dagelijks leven, zijn vele relaties, het ontstaan van zijn poëzie (die soms poëtische dagboekbladen lijken).

Het kan haast niet toevallig zijn dat het deel over Sassoons leven tussen 1886 en 1915 het boeiendste stuk is uit de biografie Siegfried Sassoon van John Stuart Roberts. Hij heeft van die jaren heel veel zelf moeten uitzoeken, al kon hij ook steunen op Sassoons autobiografische geschriften (alle werk van Sassoon gaat over Sassoon). Met de dagboeken kreeg de biograaf - hij mocht ook de ongepubliceerde dagboeken raadplegen - een ongelooflijke hoeveelheid feitelijk materiaal aangereikt. Sassoon is in nogal wat passages van zijn dagboeken een stemmingsvolle beschrijver, van met name de natuur (de tegenstelling tussen natuur en geweld werkt schokkend in de dagboeken uit de oorlogstijd).

Wanneer men die vaak zeer fraai beschreven indrukken weglaat, houdt men alleen de feiten over. Een biograaf die dat doet, brengt zo de dagboeken terug tot een agenda. Zo ontstaat een feitelijk overvolle biografie, van dag tot dag, van week tot week, die van de hoofdfiguur niet meer dan een rode-draadtrekker door zijn eigen levensfeiten maakt. Zijn persoon dreigt vaak onzichtbaar te worden. Men krijgt een levensgeschiedenis, die, en dat maakt het boek boeiend, ook een geschiedenis van Engeland is. Maar een levensgeschiedenis is geen biografie.

De biograaf citeert wel vrij veel uit de poëzie, maar dat is toch te zeer illustratie. Hij kan uiteraard zeggen dat de relatie tussen leven en werk in dit geval zo nauw is, dat de twee bijna samenvallen, Sassoon heeft het immers alleen over zichzelf. Maar het werk krijgt toch veel te weinig een plaats in de literatuur van die tijd. Dat Sassoon in zijn jeugd ongeneeslijk is gevormd, is duidelijk. Over die jonge jaren lag de gouden glans van de ondergaande zon van de laat-Victoriaans en Edwardiaanse tijd. Ondanks het mislukte huwelijk van zijn ouders. Naar dat licht is Sassoon altijd blijven zoeken. Het lijkt erop dat hij het ten slotte in de oude rooms-katholieke kerk vond.

Sassoon vertegenwoordigt het uitgestorven, maar eens in Engeland zo bloeiende type van de schrijver als amateur, die daarmee per se iemand van stand was en al zijn standgenoten kende. Tegelijk representeert hij het autocentrische karakter van veel Engelse literatuur in die jaren (niet alleen van die jaren overigens). Dat hij huiverde voor het moderne, is begrijpelijk, want met de moderne kunst gingen ook de traditionele kunst en maatschappij aan stukken. De oorlog maakte van hem de moedige opstandeling die tegen de overheersende gevoelens in Engeland inging. Hij beschaamde zijn kringen! Voor zijn socialistische ideeën geldt hetzelfde. Maar in de jaren dertig vloeit alles weer terug naar de bron: zijn jeugd en die tijd, zijn ouderlijk huis en de omgeving die hij zelf 'de achtergrond van al mijn dromen, de plezierige en de onplezierige' noemde.

Hij heeft nooit voor zijn brood hoeven te werken. Misschien dat ook daardoor in zijn leven te veel tijd en ruimte was voor het luisteren naar zijn gevoelens, voor de beoefening - de oorlogsgedichten uitgezonderd - van de schone letteren. Hij was een geboren eenling. Ook daardoor gingen al zijn relaties uiteindelijk stuk. Hij schreef heel moeizaam, maar zijn toewijding was bijna absoluut. Misschien vertegenwoordigt hij vooral de uitstervende of uitgestorven verfijnde geesten voor wie literatuur - altijd de oudere, nooit de meest moderne - de hoogste waarde in het leven is. Of het zou cricket moeten zijn. Die sport heb ik trouwens wel eens 'het traagste gedicht uit de wereldliteratuur' horen noemen.

Meer over