Heilig vuur

Met het overlijden van Joop van Tijn en W.L. Brugsma zijn weer twee journalisten van de oude stempel verdwenen. Tijden veranderen....

DE WOENSDAG na de dood van Joop van Tijn vergaderde de redactie van Vrij Nederland en stelde Gerard van Westerloo bedroefd vast dat er warempel niemand meer over was. Niemand van de generatie Van Tijn, van de redacteuren die 'de krant' hadden vrijgemaakt en losgewrikt uit die verzuilde jaren vijftig.

En toen ging ook W.L. Brugsma dood. Dinsdagmiddag werd hij begraven op Den en Rust. In de aula verhaalde Hans van Mierlo (ooit Algemeen Handelsblad, nu politicus) hoe 'Boebi' hem schrijvend aan zijn column voor de Haagse Post dikwijls belde, en hij, Van Mierlo, dan drie kwartier praatte, en hoe Brugsma afsloot met: 'En nu eens kijken wat mijn tikmachine ervan vindt.'

Van Mierlo: 'En wat je er als lezer ook van vond, het was altijd mooi opgeschreven, het was nooit gelogen en vaak waar.'

Op dat kerkhof in Bilthoven was het niet ongezellig. Maar de collega's, zelf ook ouder en grijzer, stelden verontrust vast dat ondertussen een hele bent was gaan hemelen.

'En weet wel', grimaste Marcel van Dam, 'ge kent uur noch dag.'

In Het Capitool formuleerde Brugsma een vraag meer dan eens als een elegant referaat waarop zijn gast welwillend diende te knikken. Van Tijn was geen onovertroffen stilist. Dat hij in Open en bloot het volk 'neuken' leerde, de kijkers althans dat impertinente werkwoord leerde hanteren, kan hem evenmin eeuwig worden nagedragen.

Het waren feilbare helden, maar helden waren het. Hele jaargangen journalisten-hbo's hebben het werk van Van Tijn en Brugsma - en dat van Ischa Meijer, Haye Thomas, Jaap van Meekren - geconsumeerd als ware het een beknopte introductie tot de bijbel. Hun gezag was vanzelfsprekend, hun dictie doeltreffend, hun wereldbeeld alomvattend.

'Elke generatie krijgt, als is het een natuurverschijnsel, de journalisten die ze verdient', reageert Henk Hofland (NRC Handelsblad). Dat het type opinion leader oude stempel verdwenen is, betreurt Hofland niet. 'Je kunt ook betreuren dat het regent.'

Onvervangbaar zijn ze evenmin, relativeert Wout Woltz, oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad. 'Als hun opvolgers nu nog niet staan te dringen, komen ze binnenkort.' Wat niet wegneemt dat de grote, in nevelen van alcohol gewrochte verhalen van die 'grands seigneurs' hebben plaatsgemaakt voor iets anders, voor een academisch gevormde journalist die 's ochtends zijn Ka parkeert op de carpool, niet 'de krant' maar 'het kantoor' binnentreedt, geen 'stukkie' schrijft maar een 'artikel', en tegen zessen de buitenwijk achter zich laat, omdat zijn vrouw naar Afrikaanse dans, zijn kind naar hobo-les, en hij naar het squashcentrum moet.

Kranten zijn dikker geworden, en journalisten talrijker. Zo'n vijftienduizend zijn er nu in Nederland. Samen schrijven ze korter over meer. Geen twintig items elke week in het opinieweekblad, maar honderd. Geen zes weken voor een 'verblijfsreportage' bij de nachtverpleger van het gekkenhuis, maar drie dagen. Geen achtduizend woorden voor een cover story, maar hooguit de helft.

Ze hebben een 'leven naast de krant' en drinken minder, of drinken in stilte. Hing de parlementaire pers ooit als een zwerm dolende zielen tot sluitingstijd tegen politici aan in de krochten van Nieuwspoort, nu gaat minister Zalm tegen zevenen naar vrouw en kinderen en blijft, gruwt Jan Kuitenbrouwer (HP/De Tijd, Het Parool), het voor tonnen postmodern verbouwde Haagse perscentrum uitsluitend overeind dankzij een jaarlijks fund raising diner.

In 1968 begon Aly Knol (nu GPD) bij Het Vrije Volk. 'Ik wilde boerin worden, maar dan moest je met een boer trouwen', grijnst ze. Het werden politieberichten in Friesland. Nog ergens een brommer onderuit gegaan? 'Na anderhalf jaar mocht je naar de gemeenteraad.' Nu rolt niemand meer op zijn achttiende in het vak, en hoopt iedere bijna-afgestudeerde journalist correspondent in Amerika te worden. Terwijl waarlijk geen suffer bestaan denkbaar is, zegt Van Westerloo. 'Hard nieuws op Texel halen is moeilijker. Maar ze willen duider worden. Geen zoeker of vinder.'

'Van Tijn en Brugsma waren goed ná de oorlog', zegt Frènk van der Linden (Nieuwe Revu, NRC). 'Pur sang journalisten, maar ook predikers. Nu is er een generatie die zich van god noch links gebod iets aantrekt, en veel opener naar de samenleving kijkt. Al zie ik het idealisme vervluchtigen, en zijn er studenten die gapend kennis nemen van wat het vak vermag - en nooit eens likkebaardend met een alinea van Lieve Joris aankomen.'

Er is iets veranderd in de journalistiek, en de vraag is of dat erg is. 'Het is minder een way of life geworden', sombert Kuitenbrouwer. Het heilig vuur lijkt verwaaid. Woltz (die doceerde op de Erasmus Universiteit): 'Veel studenten verwachten een baan met gezette tijden. Maar als ze drie maanden stage hebben gelopen bij een krant, zijn ze erdoor gegrepen. En komen terecht in een rat race.'

Waar vroeger twee of drie heren naar een belangrijke gebeurtenis keken en vanuit vooral moreel gezag noteerden wat zij ervan vonden, verdringen zich nu tachtig bijtertjes rond Kluivert. Van Westerloo: 'Elkaar vliegen afvangen. Kleine primeurs. Keus hebben ze niet, want ze zijn met te veel.'

De journalistiek is harder geworden, maar ook professioneler en niet zelden beter. Jongere verslaggevers lijken een minder cynische kijk op de macht te hebben, minder argwanend en rebels te zijn dan Van Tijn cum suis. Maar er zijn ook geen revoluties meer waarvoor je op de barricaden gaat - of het moet het lawaai van Schiphol zijn. 'VN is van radicaal links verworden tot de cultuurbode van vergrijzend intellectueel Nederland', zegt Kuitenbrouwer, chroniqueur van postmoderne tijden. Van Westerloo: 'Lezers kiezen per onderwerp hun opvatting en het blad dat ze erbij lezen, en switchen van Elsevier naar VN naar de Volkskrant.'

Volgens de nieuwe hoofdredacteur van De Groene is de journalistiek evenzeer het product van een politiek die verambtelijkt is, die minder luistert naar de buitenwacht ('Van Mierlo vroeg zich altijd af wat Joop van iets zou vinden'), en meer naar image-makers: hoe-kom-ik-over? Het gaat minder ergens over, het neigt naar entertainment, naar nieuws dat verdampt waar je bij staat.

Na de dood van Diana Spencer neemt Kuitenbrouwer waar hoe 'ook de kwaliteitspers ineens woest te keer gaat'. 'Dat hele stelsel van journalistieke omzichtigheid is het raam uitgegaan. De tabloids lopen voorop, maar ze trekken een kar waarop ook de Frankfurter Allgemeine zal staan.'

Uiteraard krijgt de televisie de schuld, het medium waaraan Van Tijn en Brugsma als boegbeelden van een net ontzuild vaderland en dito media veel van hun roem dankten. Hilversum kampt nu tegen de commerciële concurrentie en moet - zegt Fons de Poel (Netwerk) 'niet eens met treurnis' - nu eenmaal 'spanningsbogen' hanteren om kijkers te binden. Sex, crime and violence worden teruggedrongen, zegt hij, 'maar onze beginselen blijven broos'.

Omdat hij zich niet wil laten 'marginaliseren', moet De Poel 'werken in een zekere mix' van 'journalistiek vlees' en pakweg Krabbé-over-Diana. Want de omloopsnelheid van nieuws wordt even rap hoger als de halfwaardetijd van journalistieke roem korter wordt: ook in Hilversum beklijven niet bijster veel bekende gezichten.

De baronnen van weleer zijn aan het doodgaan. Omroepen programmeren elk hun verwisselbare ideale schoonzoon. Theo van Gogh is de dorpszot. De verzuiling is voorbij.

Henk Blanken

Meer over