Harmoniumslappe zondagochtenden

Op zijn 83ste werkt Willem Brakman toe naar een afronding van zijn oeuvre. Een bron in zijn directe omgeving liet onlangs weten dat de schrijver zich ten doel stelt dit jaar nog één novelle te voltooien, waarna het doek valt....

Als dat betrouwbare gerucht bewaarheid wordt, dan is Moenens luchtige sprongen, Brakmans 53ste boek, zijn voorlaatste. De opmaat tot de finale; een besef dat de lezer, bij alle dankbaarheid voor een groot schrijverschap, ook weemoedig stemt.

In de boeken uit de laatste jaren kiest Brakman voor ‘het uitmonden in een oorsprong’, de miniatuur, een mengeling van eigenaardige invallen en onnavolgbare associaties, herinneringen en kleine verhalen, bijeengehouden door zijn barokke stijl. De prozaïst die de uitweiding nooit schuwde, geeft de dichter in zijn binnenste voorrang. Brakmans wereld is bekend, de taal en de herinnering gaan een monsterverbond aan dat tot grillige sprookjes leidt, die de jeugdjaren in Scheveningen en Den Haag omvormen tot een onuitputtelijk reservoir.

Onvrede, wantrouwen, geheime gedachten en suspecte handelingen, alles wat we liever niet zien maar waaraan we tegelijkertijd onderworpen zijn – uit die droesem boetseert deze koppige eenling al 44 jaar zijn tegendraadse verhalen. De normaliteit, het godsvertrouwen, het geloof in de vooruitgang, kom er bij Brakman niet mee aan. Hij blijft bloemrijk zweren bij de vertekening, de duivel (die ‘schaduw van het Godsvertrouwen’) en het onvermoeibaar uitbenen van oerervaringen. Een ‘beroepseenzame’ noemt hij zich in Moenens luchtige sprongen, die weet heeft van de fascinatie voor de keerzijde van die ‘zacht zeurende harmoniumslappe zondagochtenden’.

Van vermoeidheid is bij de schepper van deze wonderlijke roman in elk geval geen sprake. Ogenschijnlijk zonder beleid laat Brakman zijn Moenen (genoemd naar de pre-mefistofelische figuur uit het zestiende-eeuwse mirakelspel Mariken van Nieumeghen) buitelen van het heden naar zijn verleden, struikelend over oude engerds met slijmslierten uit de mond – ‘een taaie substantie, licht verend, wat ik zo intens volgde alsof het achter een vergrootglas gebeurde’ – een stervende overbuurvrouw, personages die we kennen uit eerder werk van de duivelskunstenaar uit Boekelo (de vreeswekkende zuster Dillinger, dokter Van Heel) en zelfs psychiater Carp uit Oegstgeest, dezelfde die Jan Wolkers in 1946 afkeurde voor de dienstplicht.

Moenen houdt de schrik erin, door tussen de bedrijven door zijn gemeente te geselen met een preek die er niet om liegt (‘Verlaat de kelder, de binnenplaats, zoek een goed heenkomen. Er wordt met scherp geschoten’), en die hij satanisch afsluit met de allerminst geruststellende woorden ‘Wees niet bang’.

Prachtig zijn de mini-verhaaltjes die Brakman opneemt, en waarin hij een personage in een paar rake streken neerzet. Zo krijgen we dit keer een portret van de zorgeloze oom Wout, die niet om bezittingen maalde, laat staan een eega: ‘Eén keer had een vrouw een ring aan zijn vinger gestoken en gezegd "oom Wout, nu zijn wij verloofd". Oom Wout had daar niets op tegen, ze kon ook met een ander slapen, dreigen met weggaan of blijven, hij onderdrukte niemand en zo werd tante Geert de bleke, diep gegriefde en immer in de keuken huilende tante. Sentimentaliteit is de achterkant van sadisme. Wat er ook met haar aan de hand was: migraine, de nieren, de gezwollen voeten ’s avonds, het maakte hem treurig noch blij.’

Zo luchtig als de sprongen van de duivel heten, ze blijken ook noodzaak om aan de kille vroomheid en alomtegenwoordige fantasieloosheid te ontsnappen. Dat is eens te meer af te leiden uit het slotgedeelte, waarin Brakman alle divagatiën samenpakt, door middel van een zwaarmoedig getoonzette dialoog tussen Moenen en niemand minder dan de Heiland zelve, hier een afgebladderd exemplaar met roodgrauwe boerenkop en couperose op de wangen. Met afgrijzen hoort de Grote Bemiddelaar aan hoe de duivel erover denkt: ‘De hel was nu opgenomen in de normaliteit van het heden, weliswaar nog gluipend, sluipend, loerend en fluisterend, maar ook met luchtige sprongen en een fonkelend oog.’

Ogottogottogod, hoort hij de doodzieke man naast zich steunen, maar ‘ik kon mijn opgewekte stemming niet van mij afschudden’. Voor Moenen is er altoos emplooi.

Spreek Brakman er niet van, hij doet het liever zelf – en hopelijk vaker dan nog slechts ene keer.

Willem Brakman: Moenens luchtige sprongen. Querido; 134 pagina’s; ¿ 15,95. ISBN 90 214 5303 7

Meer over