Hardop denken in gespeelde deemoed

In elk geval aan het Collège de France spreekt de hoogleraar in zijn inaugurale rede alleen zijn 'chers collègues' toe....

KEES FENS

Het is het begin van de in 1551 aan het nog heel jonge Collège gehouden inaugurale rede van Pierre de la Ramée, bij de aanvaarding van de leeropdracht in de retorica en de filosofie. De 'eerbiedwaardige traditie' van die presentatie wordt door Hadot gehandhaafd. Tot die traditie zullen ook behoren de uitingen van nederigheid en onwaardigheid, door de jonge hoogleraar uitgesproken in zulk retorisch Frans dat ik eerst even aan een persiflage dacht. In even verheven taal herdenkt de hoogleraar zijn voorganger, die een wetenschappelijke storm veroorzaakt lijkt te hebben met een afwijkende interpretatie van een passage uit Augustinus' Belijdenissen, vanuit de evenveel rumoer verwekkende visie dat de Belijdenissen een theologisch werk is en niet een autobiografie. Dan begint de eigenlijke rede, die de titel Éloge de la philosophie antique heeft, een lofrede op de oude wijsbegeerte dus.

De rede is zestig kleine bladzijden groot. Ik heb zelden zoveel in een zo beknopte tekst behandeld gezien, in een prachtige retorische taal die je een cultuur als de Franse kunt benijden. De antieke filosofie wordt gekarakteriseerd - juist in zijn 'vreemdheid' binnen de maatschappij -, de verhouding tussen de Hellenistische wijsbegeerte en de grote leenvrouw, de Romeinse, wordt werkelijk schitterend behandeld, de verschillende stromingen - epicurisme, neoplatonisme, stoïcisme - worden in hun eigenheid gepresenteerd en dat vooral in hun verhouding tot het dagelijks leven. Een heel bijzonder deel gaat uit van de stelling dat de filosofische geschriften gelezen moeten worden binnen de wereld - die van het onderwijs in een wijsgerige school bijvoorbeeld - waarin zij functioneerde, maar niet minder als een van oorsprong oraal genre (van het onderwijs en de aard daarvan mede het gevolg).

Ik weet niet of de hooggeleerde collega's heel veel nieuws hebben gehoord, maar dat nog veel onderzoek op een begin wacht, zal hun duidelijk zijn geworden. De wetenschap vergeet nooit te zeggen dat eigenlijk het meeste nog moet worden gedaan, er is nooit iets af, gelukkig. Wat hun sterk moet hebben getroffen is de bezielde, enthousiaste toon zelfs van de oratie, waarvan de orale oorsprong in de tekst hoorbaar is. Hier sprak een minnaar bijna, met een heel brede eruditie, over het denken van bijna duizend jaar. Als vertrouweling. Een superieure docent ook - ik zou best college bij hem willen volgen; die zijn aan het Collège de France trouwens voor iedereen gratis toegankelijk. Er wordt daar alleen onderzoek gedaan en college gegeven. Examens worden niet afgenomen. En dat laatste is het hoogst bereikbare; de aandachtige toehoorder wordt vanzelf geëxamineerd!

Maar het allermooiste aan de toespraak moeten de collega's in stilte hebben toegejuicht. Onder de tekst van de rede wordt een ander beeld zichtbaar. Ontdekt men dat, dan wordt de toespraak uiterst fascinerend. In de karakteristieken van de Hellenistische en de Romeinse wijsbegeerte worden steeds meer de trekken van het vroege christendom zichtbaar en daarmee het beeld van een grote continuïteit. En de Middeleeuwen liggen niet ver van dat oude christendom af. In het vroegere krijgt het latere gestalte, in gelijke vragen en in sommige opzichten gelijke levenshoudingen. De grote westerse tradities krijgen gestalte.

Ten overvloede wellicht: de onderliggende laag wordt in het exposé alleen te vermoeden gegeven, verwijzingen blijven uit. Er wordt kennelijk op de goede verstaander gerekend, die een dubbele toespraak te horen krijgt. Pas aan het slot, bij de behandeling van enkele thema's, wordt de spreker expliciet. Een ervan heeft als uitgangspunt Plato's definitie van de filosofie als doodsoefening in de zin van de scheiding van de ziel en het lichaam. Bij de epicuristen wordt dat het bewustzijn van de eindigheid, dat een oneindige waarde aan elk ogenblik geeft. In het perspectief van het stoïcisme is het een uitnodiging tot onmiddellijke bekering en geeft het innerlijke vrijheid.

'Houd de dood elke dag voor ogen en je zult geen lage gedachte, noch een heftig verlangen hebben.' Dat schrijft Epictetus. Na dit alles wordt - het was te verwachten - een oudchristelijke schrijver, de in de zesde eeuw levende Dorotheus van Gaza, geciteerd met een gelijksoortige tekst (die met ontelbare uit het oude christendom vermeerderd kan worden). Met de doodsmeditatie verbonden is het thema van de waarde van het ogenblik. Er volgen enkele veelzeggende citaten, met als laatste dit prachtige uit de tweede Faust van Goethe: 'Nun schaut mein Geist nicht vorwärts noch zurück./ Die Gegenwart allein ist unser Glück.'

Geleidelijk heeft de spreker het hele westerse denken tot zijn terrein gemaakt. En haast terloops is een indrukwekkende continuïteit zichtbaar geworden. Even waren we, bij de Hellenisten en Romeinen, bij de voorvaders van ons denken. Het christendom heeft het overgenomen, tot in de hoge Middeleeuwen, in de Renaissance kwam opnieuw het platonisme tot bloei. Een zo vruchtbare filosofie verdient wel een lofrede. Het mooiste is natuurlijk dat het specialisme dat de geleerde - hij is een groot kenner van Marcus Aurelius, van het werk van Ambrosius van Milaan ook - geacht wordt te beoefenen, zijn specialistisch karakter verliest en algemene, ik zou haast zeggen, actuele geldigheid krijgt. (Ook dit echter wordt duidelijk: hoe goed moet je het verleden kennen om het heden te kunnen verstaan?)

Maar dit is het allermooiste. In zijn nederigheidsbetuiging aan het begin prijst en dankt Hadot zijn collega's voor het bewijs van geestesvrijheid waarmee zij hem tot 'de grote instelling' hebben toegelaten, 'want (. . .) ik had weinig kwaliteiten die normaal gesproken de gelegenheid bieden zich te laten opmerken, en de discipline die ik vertegenwoordigde behoorde niet tot wat op dit moment in de mode is'.

Een deemoedige schijn van ouderwetsheid, die door de toespraak zelf wordt weerlegd. Het zal zijn medegeleerden niet zijn ontgaan. De toespraak, eerder als academisch geschrift gepubliceerd, is nu als een fraai klein boekje uitgegeven bij Éditions Allia in Parijs.

Meer over