Han. G. Hoekstra

Vieze kinderen meteen de asbak in

Aleid Truijens

Annie Schmidt bewonderde hem, zijn kindergedichten waren geliefd, en toch bleef dichter/journalist Han G. Hoekstra in de schaduw.

Net als Annie M.G. Schmidt had hij zo'n memorabele initiaal in zijn schrijversnaam, al had zij, altijd baas boven baas, er twee. Han Hoekstra, dat kan immers iedereen zijn, maar Han G., daar kon er maar eentje van zijn. Een merk.

Er zijn meer overeenkomsten. Beiden schreven ze onvergetelijke gedichten voor kinderen. Vrolijke en zelfs rebelse kinderpoëzie, helder als glas, waarbij ze niet het standpunt van de opvoeder kozen, maar dat van het kind. Dat was kort na de Tweede Wereldoorlog, toen Hoekstra (1906-1988) en Schmidt (1911-1995 hun kindergedichten begonnen te publiceren, ongebruikelijk.

Beide dichters kwamen tot bloei bij Het Parool, de voormalige ondergrondse verzetskrant die na de oorlog een kweekvijver was voor journalistiek én literair talent. Hoekstra leverde tijdens de oorlog al bijdragen en werd in 1945 redacteur/verslaggever, wat hij tot zijn pensionering in 1971 zou blijven.

Dat het een dolle boel was op de Amsterdamse redactieburelen kunnen we nalezen in de biografie over Hoekstra van Joke Linders - tevens Schmidt-kenner - en Janneke van der Veer. Na het werk werd er op sociëteit De Kring tot in de ochtend gefeest.

'Om de paar weken meldt de krant hoe het staat met de beschikbaarheid en de prijs van de jonge jenever, kennelijk een graadmeter voor de draaglijkheid van het bestaan', schrijven de auteurs. De chef documentatie, Annie Schmidt, bibliothecaresse uit Zeeland, kijkt haar ogen uit: 'Allemaal getrouwde mannen die met elkaars vrouwen gingen, feesten en afspraakjes en toestanden en zo.' Al gauw deed de domineesdochter lustig mee.

Linders en Van der Veer schetsen, op basis van uitstekende documentatie en interviews, een levendig beeld van die jaren waarin de benauwenis van de grauwe oorlogsjaren werd afgeschud en onbekommerd plezier werd gemaakt. 'Alles zoop en naaide / heel Europa was één groot matras' dichtte de piepjonge Remco Campert na de bevrijding, en één punt van het matras lag in Amsterdam. Over diens vader Jan Campert schreef Han G. Hoekstra, vriend van Campert, in 1947 een bewonderend essay.

Een debatavond van de krant wordt afgesloten met zelfgeschreven liedjes van de redacteuren en dat is zo succesvol dat er spontaan een cabaretgroep ontstaat: De Inktvis. Ze trekken door het land, hebben volle zalen en Hoekstra ontpopt zich als droogkomische, onhandige conferencier.

Zijn debuut als dichter, in 1933 met Dubbelspoor, werd verdienstelijk gevonden, net als de bundels die volgden, maar zijn debuut als kinderdichter, in 1947, maakte meer los. Eigenlijk was hij er per ongeluk mee begonnen. Omdat hij tijdens de oorlog niet kon publiceren - hij meldde zich niet bij de Kultuurkamer - schreef hij, op aanraden van zijn dochtertje, versjes voor zijn kinderen Annebet en Joost. Hij ging ermee door en zo groeide een schitterend oeuvre, waarvan in 1952 de vaak herdrukte bloemlezing Rijmpjes en versjes uit de nieuwe doos werd gemaakt.

Uitgeverij De Bezige Bij vroeg hem om, beurtelings met Annie Schmidt, vertalingen te maken van de beroemde Amerikaanse kinderserie de Gouden Boekjes. Het waren eerder bewerkingen dan vertalingen; ze staken het origineel vaak naar de kroon. Hoekstra bewerkte er 46, Schmidt 28. Bij die van Hoekstra zitten eversellers als Plofje de olifant,Konijntje Woelwater en De kladderkatjes.

Hoeksta's tragiek is dat zijn gedichten beroemder werden dan hijzelf. Zijn melodieuze gedichten lijken er, als klassieke kinderliedjes, altijd al te zijn geweest, zonder maker. Konandere, konindere,/ Hier is het mannetje Hakepin./ Zijn hier nog vuile kinderen,/ Dan moeten ze de asbak in!

Misschien was Hoekstra te vroeg met dit soort gedichtjes. Voordat Schmidt beroemd werd met haar schaap Veronica, was er Hoekstra's schaap met mensengevoelens, Het

verloren schaap. Schmidt bedacht het gezin de Stampertjes, die thuis troep mogen maken en elke dag patat eten; eerder schiep Hoekstra de chaotische, dolgelukkige Hubbeltjes bij wie altijd iets 'niet pluis' is.

Beroemd werd Schmidts jongetje dat lekker stout wou zijn, geen handjes wou geven en heel hard 'Bil!' wilde roepen. Hoekstra maakte daarvoor al een - iets weemoediger - gedicht over een keurig kind dat liever een straatkind was geweest, 'De kinderen uit de Rozenstraat'. Die 'hebben altijd vuile handen,/ ze hebben meestal een gat in hun mouw, en ongepoetste tanden.' Hoekstra laat het kind concluderen, zonder er zelf als verteller boven te hangen: 'De kinderen uit de Rozenstraat/ schijnen zich nooit te verschonen/ ze mogen alles wat ik niet mag. / 'k Wou soms wel in de Rozenstraat wonen. . .'

Beide kinderdichters hadden uitstekende illustratoren, zoals Fiep Westendorp en Wim Bijmoer, wat bijdroeg aan het succes. Allebei kregen ze ook de Constantijn Huygensprijs voor hun oeuvre - Hoekstra in 1972, Schmidt in 1987 - een erkenning in kringen van grotemensenliteratuur.

In een briefje, begin jaren zeventig, erkent Schmidt Hoekstra stilistisch als haar meerdere: 'Wanneer ik als collega iets zou willen zeggen is het de erkenning dat jij over fijnere penselen beschikt dan ik.' Toch overleefde de poëzie van Hoekstra lang zo glansrijk niet als die van Schmidt.

Misschien kwam het doordat hij zo weinig luidruchtig aan de weg timmerde, denken zijn biografen. Hij had vrienden bij alle uitgeverijen, contacten bij alle kranten - handig om aan extra opdrachten en vertalingen te komen. Maar hij stond nooit vooraan om publiciteit te krijgen. Hij voelde zich geen kunstenaar, dat dichten deed hij er maar wat bij.

'Bij een krant werken', dát was zijn jongensdroom. Je kon hem, tot op laatst, overal naar toe sturen, wisten de collega's: op buitenlandreportage, naar een film of naar een lullige brand. Altijd kwam er een bijzonder, persoonlijk verhaal uit.

Privé maakte hij er een potje van. Hij trouwde vier keer, er kwamen vier kinderen uit voort, en telkens eindigde het huwelijk in een drama. Hij eindigde als eenzame, verwaarloosde en verwarde oude man, met een hoop spijt. Hoewel hij dol was op zijn kinderen, was hij zelden bij hen. Liever verzon hij hun dromen en fantasieën opnieuw, op papier.

Het is mooi dat dit leven te boek is gesteld, zorgvuldig en compleet, in zeer leesbaar proza - zoals het onderwerp de biografen voorschreef.

Meer over