Grote thema's op grote podia

Lange tijd lieten Nederlandse regisseurs de grote zaal een beetje links liggen, maar dit seizoen lijken ze hem te hebben herontdekt....

Er werd dit seizoen in het theater meer dan gewoonlijk met angst en beven naar de vaderlandse politiek gekeken. Eerst naar de gemeenteraadsverkiezingen in maart, en pas geleden naar die voor de Tweede Kamer. Zal de gesubsidieerde kunst, en dus ook een belangrijk deel van het theater, de weerbarstige politieke ontwikkelingen kunnen weerstaan? En als er op kunst bezuinigd moet worden, zoals inmiddels vaststaat, hoeveel zal dat dan zijn en waar vallen de klappen?

Misschien juist om zijn bestaansrecht te onderstrepen waren in het gesubsidieerd theater dit jaar meer dan ooit voorstellingen te zien over sociale, maatschappelijke en politieke onderwerpen. Gelukkig geen partijpolitiek – er was dit seizoen niet één voorstelling waarin de PVV ter sprake kwam, dan wel een geblondeerde operetteprins het podium betrad – maar het theater ging wel over zaken die voortkomen uit repressie, oorlog en onderdrukking. Over wat oorlog voor gewone mensen betekent, over dode soldaten en verkrachte moeders, over prostitutie en porno.

Dat is dapper, want juist onderwerpen als de positie van vluchtelingen, integratie en uitsluiting van mensen spelen kunstvijandige, populistische politici in de kaart. Weg met die linkse hobby’s en geëngageerde elitekunst – dat is in die kringen het adagium. Maar door te kiezen voor actuele onderwerpen en niet voor de zoveelste keurige Tsjechov of mooi geënsceneerde Shakespeare, bewijst het gesubsidieerde toneel zijn bestaansrecht, ook in woelige tijden.

Opvallend is dat die onderwerpkeuze niet beperkt blijft tot kleine theatergroepen in achterafzaaltjes. Ook op de grote toneelpodia is het engagement volop vertegenwoordigd. Het zijn voornamelijk vrouwelijke theatermakers die zich het lot van de wereld aantrekken, dikwijls in persoonlijke vertellingen over klein leed dat door grote omstandigheden wordt veroorzaakt. Ola Mafaalani, die sinds anderhalf jaar het Noord Nederlands Toneel leidt, heeft zich intussen laten kennen als een regisseur met een ongebreidelde ideeënrijkdom, waarvan er soms te veel in haar voorstellingen terechtkomt. In Elf Minuten, gebaseerd op een roman van Paulo Coelho, gaat het over vrouwen die hun lichaam verkopen, en waartoe dat kan leiden. Toegankelijk en warmbloedig theater, maar met een overdaad aan invallen en showy elementen. Daardoor wordt het soms net iets te veel Blonde Greet uit Albert Mols Wat zien ik?!, en net te weinig schrijnend. Hoewel in een hartverscheurende monoloog van een heroïnehoertje wel weer alle tragiek van deze straatmadelieven duidelijk wordt gemaakt.

Veel meedogenlozer is Susanne Kennedy die bij het Nationale Toneel al een paar jaar de kans krijgt zich te ontwikkelen en onlangs Elfriede Jelineks Over dieren regisseerde. Over heel erg foute mannen, en vrouwen die dat proberen te weerstaan. Mede gebaseerd op afgeluisterde gesprekken met een escortbureau waarin het gaat over speciale wensen: maagden, anale penetratie en hoeveel het kost zonder condoom. Bij het RO Theater kiest Alize Zandwijk al een paar jaar voor onvervalst engagement en onomwonden partij voor de minderbedeelden. Dit seizoen resulteerde dat onder meer in Branden, een even authentieke alsook onevenwichtige hommage aan de echte slachtoffers van de oorlog: de verkrachte vrouwen die hun zonen verliezen. Mirjam Koen tenslotte completeerde het kwartet vrouwelijke regisseurs met het poëtische Huis van de Stilte naar de roman van Pamuk.

Allemaal regisseurs die deze grote thema’s ook willen vertellen op grote podia. Na een aantal jaren van betrekkelijke desinteresse voor de grote zaal, lijkt dit seizoen de belangstelling daarvoor weer toe te nemen. Bij Toneelgroep Oostpool, waar Erik Whien en Marcus Azzini zich een slag in de rondte regisseren, is met grote daadkracht een mix ontstaan van nieuw repertoire in de kleine zaal en klassieke toneelstukken (Van de brug af gezien) en romanbewerkingen (Orlando) in de grote zaal. Met name Erik Whien voelde zich in Van de brug af gezien met opvallend gemak thuis in de schouwburgzaal. Het hele podium werd gebruikt, er viel van alles (en gelukkig ook functioneel) uit de lucht, er was een levendige mise-en-scène, en het ging ook nog ergens over.

Azzini en Whien zijn betrekkelijk jonge makers die in Arnhem door kunnen groeien. Maar aan Susanne Kennedy en de Vlaamse Julie Van den Berghe (1981) – die dit jaar afstudeert aan de Amsterdamse Theaterschool en nu al als een groot talent geldt – wordt intussen hevig getrokken. Beide vrouwen gaan komend jaar aan de slag bij NTGent en de Münchner Kammerspiele, want dat zijn op dit moment kennelijk de plekken waar internationaal werk aan de winkel is. Voor het Nederlandse theater is het jammer dat deze talenten, nog voordat ze volledig tot wasdom zijn gekomen, al worden weggekaapt.

De hang naar internationale status en erkenning is overigens een niet meer te stuiten ontwikkeling. Op dit moment maken regisseurs als Ivo van Hove, Johan Simons, Guy Cassiers, Luk Perceval en Theu Boermans een voorstelling in het buitenland. Er zijn diverse co-producties in de maak, buitenlandse regisseurs gaan in Nederland aan de slag en Pierre Bokma debuteert in oktober in München. Het is een va-et-vient van groepen, acteurs en regisseurs, waarbij niet altijd duidelijk is wat de artistieke meerwaarde ervan is voor het Nederlandse publiek.

Intussen is het theateraanbod overweldigender dan ooit. Door allerlei fondsen, productiehuizen, structurele dan wel tijdelijk subsidies kan er overal in het land, in kleine en grote zalen, op locatie en festivals, en zelfs bij mensen thuis theater worden gemaakt. In het traditionele seizoensoverzicht van de Volkskrant-critici komt dit jaar niet één voorstelling in alle drie de lijstjes voor. En dat terwijl recensenten beroepshalve (en als het goed is uit passie) erg veel zien. Het onderstreept de enorme hoeveelheid en diversiteit aan voorstellingen. Helaas valt ook te constateren dat kwantiteit niet altijd wordt omgezet in kwaliteit. Uiteraard is er altijd wel een toplijstje samen te stellen, maar veel voorstellingen zijn ook snel weer vergeten.

Gek genoeg lijkt aan die expansie nog geen eind gekomen. Ook de vrije producenten brengen steeds meer toneelproducties uit. En er worden nog steeds nieuwe theaters gebouwd, waar al die voorstellingen straks moeten worden gespeeld – zoals het De La Mar Theater in Amsterdam dat zijn voltooiing nadert. Nu nog een publiek dat al dat moois wil gaan zien. Of anders toch maar een bescheidener productiedwang, voordat de politiek ingrijpt.

Meer over