Groot, sterk en stoer in de megahal

Noord..

* * *

Beeld Hal Werk

* * * *

Amsterdam ‘Iedereen zegt dat het rustiger is met de overlast. De kutjochies zijn opgegroeid.’ De bewoner uit de Van der Pekbuurt in Amsterdam-Noord heeft het in de tekening van Jan Rothuizen nog maar nauwelijks gezegd, of de video ernaast schetst een ander beeld. Mijn inbreker en ik heet de film van de Nederlandse kunstenaar Kaweh Modiri, die net als Rothuizen op uitnodiging van Mediamatic vijf maanden doorbracht in Amsterdam-Noord. Na de diefstal van zijn computer volgt Modiri zijn inbreker Ome Omar – ook zo’n jochie annex rapper – op tal van manieren, waarbij op verrassende en pijnlijke wijze duidelijk wordt hoezeer kleine criminaliteit samenhangt met moeilijk te verwezenlijken ambities.

Mediamatic heeft een team van 22 kunstenaars – afkomstig uit het Midden-Oosten en Nederland – aan het werk gezet om in een tentoonstelling en een reisgids het leven van Amsterdam-Noord in al zijn diversiteit in beeld te brengen. Het vele groen, de kleurrijke bevolking, de moskeeën, de eetbare slakken in de tuinen, de döner-kebabwinkels – ze komen op genuanceerde en onbezorgde wijze voorbij, met af en toe een topwerk, zoals de video van Modiri. Het toont de wijk, die worstelt met een volks imago, als een doodgewoon stukje Nederland, een welkom beeld in tijden van polarisatie. Alleen de Arabische invalshoek is wat al te modieus. Als het om de blik van de buitenstaander gaat, had die voor hetzelfde geld Surinaams kunnen zijn.

Bonte reeks beelden
De voormalige scheepsbouwwijk Amsterdam-Noord is na vele pogingen eindelijk bezig aan een transformatie en dat schept ruimte voor kunst en cultuur. In Noord zelf is in de Kromhouthal tijdelijk een indrukwekkende beeldententoonstelling neergestreken. De initiatiefnemers – twee jonge beeldhouwers, een jonge kunsthistoricus en een oudere beeldhouwer – hebben een bonte reeks ruimtelijke beelden samengebracht. Daarbij hebben de makers, anders dan het Mediamatic-project elders in de stad, geen maatschappelijke pretentie. Ze volgen slechts hun eigen belangstelling. Groot, sterk en stoer staan de beelden bovenop elkaar in de gigantische, lege hal.

Doordat de beelden zo dicht bij elkaar staan, en zich niet onmiddellijk tonen, valt de bezoeker van de ene ontdekking in de andere. Daarbij wakkert het ontbreken van een theoretisch en sturend thema de gretigheid van het kijken aan.

Onbekommerd staan de stromingen en invalshoeken naast elkaar, losjes gerangschikt op kleur of vorm. De zitsculptuur van wit piepschuim, door David Bade met scholieren gemaakt voor een schoolplein in Den Haag, is een even fragiele als vrolijke ode aan de jongerencultuur. De enorme tractor van Paul Segers, met space gifmachine en bestuurder met fles aan de mond, levert humoristisch commentaar op de verwarring van de agrarische sector. En het beeld van Oscar Peters is weliswaar voorzien van een angstaanjagende kettingzaag, maar is ook een adembenemende, minimalistische constructie.

De tentoonstelling beperkt zich nu eens niet tot het allernieuwste werk, maar laat ook zelden uit depot of atelier komende klassiekers zien, zoals de beroemde gestapelde bierkratten – een vroeg werk van Joep van Lieshout – en het parkeerkleed van John Körmeling.

Dwarsverbanden
Niet alleen doet de tentoonstelling zo recht aan de diversiteit van de Nederlandse beeldhouwkunst, maar ook ontstaan tal van dwarsverbanden. Dan blijkt hoezeer het bronzen Rendez-vous voor tafel en stoel (1964/65) van Wessel Couzijn in zijn organische, wellustige vormen verwant is met de enorme papieren beesten van Maartje Korstanje (z.t., 2009) of hoezeer het met veel geratel wapperende doek van Zoro Feigl (z.t., 2010) voortborduurt op de rond tafels gedrapeerde, wapperende lakens van Marinus Boezem uit 1968. Voortdurend wakkeren de nieuwe werken de oude werken tot leven, en andersom.

Op aanstekelijke wijze laat de expositie zien dat kunst niet in een vacuüm ontstaat, maar wortelt in traditie. Hij laat ook zien dat het mes aan twee kanten snijdt: Amsterdam-Noord zet zichzelf op de kaart, de kunst grijpt de ruimte om nieuwe tentoonstellingsformules te beproeven.

Marina de Vries

Meer over