Groot gevoel voor trend en entertainment

Grote kans dat de revolte in de popmuziek die we punk zijn gaan noemen, zich zonder hem toch wel had gemanifesteerd....

Eigenlijk hield hij helemaal niet van popmuziek. Ja, de rock ’n’ roll uit de jaren vijftig, die had wel wat, daar zat een zeker gevaar in en bovendien was Elvis natuurlijk enorm sexy. Maar de muziek uit de jaren zestig, die zogenaamde hoogtijdagen in de popgeschiedenis. Ze gingen volledig voorbij aan de vorige week donderdag overleden Malcolm McLaren (1946).

The Beatles? Hij zag ze een keer spelen in een café en vond het maar slappe imitatie van Motown soul uit Detroit. Jimi Hendrix? Daar had hij nooit van gehoord totdat hij begin jaren zeventig bevriend raakte met popjournalist Nick Kent. Deze sleurde hem mee naar een documentaire over de al overleden meestergitarist, en toen pas begreep McLaren dat hij misschien toch iets had gemist.

Maar juist in de jaren 1964-1970 toen de Britse rock ’n’ roll met de Beatles, Rolling Stones, The Who en The Kinks wereldwijd furore maakte en precies in de hoogtijdagen van Bob Dylan, de Amerikaanse hippie-beweging en flower power, richtte McLaren al zijn aandacht op filosofie en vooral kunstgeschiedenis.

In een interview in 1982 zou hij bekennen jarenlang niet naar popmuziek te hebben geluisterd. ‘Ik ging naar de kunstacademie en gaf me volledig over aan tekenen, schilderen en politiek.’ Wanneer hij begin jaren zeventig uiteindelijk toch verneemt van de dan populaire artiesten als Rod Stewart en Gary Glitter is hij zwaar teleurgesteld.

Wel is hij tijdens zijn leerjaren op diverse instituten in gaan zien dat muziek en kleren het verschil kunnen maken. Voor jongeren opgroeiend in het grauwe, troosteloze Londen van de jaren zeventig, zoekend naar een eigen identiteit, zijn muziek en kleding de belangrijkste middelen om te laten zien waar ze voor staan. Maar, zo stelde McLaren in november vorig jaar nog in zijn laatste interview – waarvan een deel is gepubliceerd in het Britse popweekblad NME van deze week– : ‘Popcultuur was iets dat van ons was maar door de corporate world was afgepakt. Alles wat je op straat zag, was smerigheid, drugsverslaafden, slachtoffers, en de wereld was echt heel, heel donker toen. Daar moesten we uit ontsnappen door met nieuwe intenties een statement te maken.’

De winkel op King’s Road (eerst Let It Rock geheten, later SEX, in 1971 begonnen met zijn toenmalige partner mode-ontwerpster Vivienne Westwood) sloeg, aldus McLaren, een brug tussen kunstacademie en de echte wereld. ‘Toen kwam er een nieuwe generatie om de hoek, op zoek naar identiteit.’

Aanvankelijk verkocht het paar in hun shop vooral kleding van teddy boys uit de jaren vijftig. Ook de muziek – McLaren had een paar duizend platen uit de fifties verzameld, die hij er te koop aanbood – was oud, want McLaren wilde niets van de toen actuele glamrock in zijn winkel laten klinken.

Let It Rock kreeg al snel aanloop van popsterren als David Bowie, Rod Stewart en Marc Bolan. Toen hij enige tijd later merkte dat veel van de door hem geëtaleerde kleding in het modebeeld opdook, zag McLaren dat als erkenning: hij had talent als trendsetter.

Genoeg van nostalgie, doopte hij in 1974 de winkel om tot SEX en ging in plaats van kleding uit de jaren vijftig lingerie en kinky kledingstukken verkopen, ontworpen door zijn echtgenote. De popcultuur is dan gaandeweg aan het veranderen. Artiesten als David Bowie en Bryan Ferry worden ster en daardoor onbereikbaar voor hun fans van weleer. Daartegenover staat de complexe symfonische rock die in de vroege jaren zeventig met bands als Yes en Emerson Lake & Palmer succesvol wordt. Daar willen McLaren en ook zijn bezoekers allemaal niks mee van doen hebben. Maar in de pubs buiten het centrum zoeken jonge muzikanten naar een alternatief. Naar rock ’n’ roll die direct klinkt, vanuit de onderbuik komt en opwindend is. Bands als Dr. Feelgood beginnen naam te maken met een muziekstijl die later pubrock is gaan heten, en inmiddels wordt beschouwd als de grote voorloper van punk.

Wat als McLaren op een dag geen bezoek had gekregen van een stel extravagant ogende Amerikanen die een bandje vormen, de New York Dolls? Wat als hij niet zo geobsedeerd was geraakt door deze jongens dat hij ze in New York ging opzoeken en hun manager werd? Wat als McLaren, nadat zijn New York Dolls avontuur in een debacle was geëindigd niet naar Londen was teruggekeerd met het idee zelf een stel jongens bij elkaar te roepen om met hen de gezapige popcultuur te ontregelen?

Grote kans dat de revolte in de popmuziek die we sinds 1976 punk zijn gaan noemen, zich toch wel had gemanifesteerd, al is het wellicht in minder extreme vorm . Het broeide al, de onvrede van de jeugd beperkte zich niet tot de Londense King’s Road. Maar dat McLaren de grote katalysator van de punk was, staat buiten kijf.

De geschiedenis van de Sex Pistols is de afgelopen week overal weer breed uitgemeten. McLaren kon zijn op de kunstopleidingen verzamelde bagage goed gebruiken. Bovendien had hij in medestudent Jamie Reid precies de juiste ontwerper naast zich die bijvoorbeeld de ontregelende filosofie van de door McLaren bewonderde situationisten goed kon verbeelden.

Maar waar McLaren zich op verkeek was allereerst de onkneedbaarheid van de even intelligente als eigenwijze voorman van de Sex Pistols, Johnny Rotten (geboren Lydon). Minstens zo belangrijk in de uiteindelijke zeer vroegtijdige ondergang van de Sex Pistols, is het filmproject The Great Rock and Roll Swindle. Deze tot afgrijzen van Rotten met geld van de band gefinancierde film werd door McLaren geïnitieerd maar niet afgemaakt. Regisseur Julian Temple zei in een reactie op McLarens overlijden ‘je kunt hem beschuldigen van mismanagement, maar hij was vooral geïnteresseerd in ideeën.’

Talent voor muziek had hij niet, zakelijk was hij evenmin goed onderlegd maar McLaren zou ook na het uiteenvallen van zijn geesteskindje de popwereld nog een paar keer opschudden. En steeds is het idee geniaal maar schort het uiteindelijk aan de uitwerking.

Zo is er de band Bow Wow Wow die hij in 1980 opricht. McLaren was gefascineerd geraakt door Afrikaanse percussie en vertelt hierover aan Adam Ant, voorman van de in 1979 in een creatieve impasse verkerende Adam & The Ants. Ant neemt McLarens ideeën serieuzer dan McLaren zelf. Hij zal met een sterk door Afrikaanse percussie gedragen sound in 1980 een grote ster worden, terwijl McLaren met een nota bene van Adam Ant afgetroggelde band veel minder succes heeft.

De voormalige Ants van Adam worden door McLaren gekoppeld aan de nog geen 14-jarige Annabella Lwin, die geen enkele muzikale kwaliteiten heeft. Dat was ook precies de bedoeling van McLaren die weer op zoek ging naar taboes en andere zwaktes in de popmuziek.

Het was tijd voor een nieuwe rel: eerst brengt hij met Bow Wow Wow een single uit waarin het gebruik van muziekcassettes wordt aangeprezen, iets wat op dat moment wordt beschouwd als het grootste gevaar voor de platenindustrie (‘hometaping is killing music’). En als dit C30 C60 C90 Go! geen grote hit wordt, gooit ie het over een andere boeg. Hij laat de minderjarige zangeres naakt poseren voor een platenhoes in een voorstelling die gebaseerd is op Manets schilderij uit 1863 Dejeuner Sur L’Herbe, hetgeen een schandaal veroorzaakte.

De hoes wordt in het Verenigd Koninkrijk (niet in Nederland) verboden, maar met Bow Wow Wow zal het nooit echt wat worden.

McLaren blijkt niet alleen goed op de hoogte van de oude kunstgeschiedenis, ook de jongste ontwikkelingen interesseren hem. Zo blijkt hij in 1983 al een groot liefhebber van de graffiti-kunst van de New Yorkse Keith Haring, een paar jaar voordat deze internationaal echt furore zal maken.

Haring is medeontwerper van de hoes van McLarens solo-album Duck Rock en levert een voorstelling voor de binnenhoes. Ook in andere opzichten is dit album zijn tijd ver vooruit en is het van alle muzikale exercities van McLaren naast zijn werk met de Sex Pistols zijn belangrijkste bijdrage aan de popgeschiedenis.

De plaat laat zich ook nu nog beluisteren als een doldwaze muzikale reis door Afrika, Zuid-Amerika, de Appalachen en New York. Een paar jaar voordat Paul Simon met zijn Graceland de Zuid-Afrikaanse pop wereldwijd bekend zou maken, komt McLaren op Duck Rock al met het opzwepende Soweto dat met producer Trevor Horn ter plaatse is opgenomen, met lokale muzikanten.

Maar McLaren maakt zich ook de dan nauwelijks in de westerse pop te horen merengue uit de Dominicaanse Republiek eigen, bewerkt een stukje authentieke country uit de Appalachen, en laat Europa voor het eerst echt kennisnemen van de scratch- technieken zoals die in de hiphop gebruikt worden.

Het nummer Buffalo Gals wordt een grote hit en is het eerste voorbeeld van de integratie van hiphop-elementen met mainstream-popmuziek.

Duck Rock is een collage aan muziekstijlen, door de New Yorkse rapcrew World Famous Supreme Team subliem aan elkaar gesmeed. Wat de rol van McLaren zelf precies was, behalve dat hij de ideeën aanleverde en een paar keer als (vlakke) zanger te horen is, is nooit helemaal duidelijk geworden. Zeker is dat Trevor Horn, die op dat moment een toonaangevende producer was in de popmuziek, een belangrijke bijdrage aan het welslagen van Duck Rock heeft geleverd.

Horn kon, zo heeft hij wel eens verteld, indertijd kiezen tussen een productieklus voor Spandau Ballet of voor McLaren, maar hoewel hij punk verafschuwde, was hij zo gefascineerd door McLarens persoonlijkheid en diens grenzeloze muzikale fantasie, dat de keuze snel gemaakt was.

Als Duck Rock vandaag de dag zou verschijnen dan zal de impact minstens zo groot zijn als indertijd. Zo’n lappendeken die van geestige momenten verschiet in opzwepende dans, is nog altijd zeldzaam. Alleen hierom verdient McLaren een plaats tussen de allergroten in het poppantheon. Maar het maakte hem ook wat overmoedig. Nadien verschenen er met wisselend succes vooral kitscherige kruisbestuivingen tussen bijvoorbeeld opera en disco (Madam Butterfly, 1984), en presenteerde hij in 1989 het ooit in de New Yorkse zwarte homoscene ontwikkelde vogue dancing voordat Madonna ermee aan de haal ging.

Daarna kwam McLaren steeds minder in het nieuws totdat hij zich tien jaar geleden ineens kandidaat leek te stellen voor het Londense burgermeesterschap. Zijn enthousiasme was van korte duur. Veel meer programmapunten dan het schenken van alcohol in openbare bibliotheken leek hij niet te hebben.

In zijn laatste interview stelt hij nog dat hij er met de Sex Pistols op uit was de ‘complete culturele industrie te vernietigen.’ ‘Het was een gevecht dat we uiteindelijk zouden verliezen. We were going to fail but fail magnificently... So that no-one would ever forget it.’

De Beatles, zo zei hij ooit, hebben een generatie van schapen voortgebracht. ‘De Sex Pistols een generatie van denkers.’

Alleen om dit soort uitspraken zal de popwereld hem missen, of zoals John Lydon, na decennia op zijn gewezen manager te hebben afgegeven, stelde: ‘Voor mij was Malc vooral entertaining en ik hoop dat jullie dat beseffen. I will miss him and so should you.’

Meer over