Groot gebaar en noeste vlijt

D EZE ZOMER WERD de Amsterdamse historicus Blom benoemd tot directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, en hij zat er nog niet of hij liet zich door het kabinet Srebrenica op z'n bord schuiven....

JAN BLOKKER

Zou hij nog tijd overhouden voor 'een zekere band' met de universiteit, wat het plan was, en zou er, meer speciaal, nog iets terechtkomen van het 'verzuilingsproject' dat hij als hoogleraar van de vakgroep Nederlandse Geschiedenis had ontwikkeld, en waarover 'afrondende publicaties' in het vooruitzicht waren gesteld?

Ik raakte extra benieuwd na (her)lezing van een opstel over 'Aspecten van de geschiedenis van de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep 1926-1968', waarmee hij een zojuist verschenen verzamelbundel heeft geopend. Dat artikel dateert van 1986, toen de omroep z'n zestigste verjaardag vierde, en een aantal auteurs bijdragen leverde voor een soort liber amicorum onder de titel Een vrij zinnige houding.

Bloms aandeel aan dat vriendenboek was verreweg het gedetailleerdst: een stevige monografie over het twintigste-eeuwse vrijzinnig protestantisme in het algemeen, en de 'vrije geluiden' op radio en televisie in het bijzonder. Maar met de omzichtigheid die hem typeert, gaf de auteur al meteen in z'n eerste paragraaf aan dat je het toch eigenlijk géén monografie kon noemen. 'Het navolgende', schreef hij, 'heeft niet de pretentie een evenwichtige historische schets van de VPRO van de oprichting in 1926 tot en met de bezegeling van de essentiële koerswijziging in 1968 te geven.'

Nog typerender lijkt me intussen het feit dat uitgerekend het aspect van ver- en ontzuiling in het essay vrijwel onaangeroerd bleef. Bloms analyse leidde hem tot de conclusie dat zich in het 'revolutie'jaar '68 wel degelijk een breuk had voltrokken en dat er toen iets radicalers is gebeurd dan alleen maar het verlies van de puntjes tussen de letters V.P.R.O.: 'De oude vrijzinnigheid', luidde zijn slotsom, 'was een diep religieus geladen geesteshouding, de nieuwe 'vrijzinnigheid' was eerder een synoniem voor libertijns of libertair, nonconformistisch eventueel.'

Daar kan op zichzelf over getwist worden (ik herinner me dat Bloms collega Zijderveld in hetzelfde vriendenboek naar een 'continuïteitstheorie' neigde), maar los daarvan: opmerkelijk was vooral dat Blom ook in 1986 de ontwikkelingen uit de jaren zestig niet zag - of niet wilde zien - in het perspectief van een proces dat juist bij de van huis uit zo ondoctrinaire vrijzinnigen tot een vorm van haast spontane zelf-ontzuiling kon leiden.

Was hij daar dan blind voor?

Vast niet.

Het is veeleer zo dat Blom zich altijd blijft ophouden binnen de zelfbepaalde grenzen van wat hij onderzoekt, en daar geen millimeter van afwijkt. Je kunt 'm geen durfal noemen, voorzover hij 'verbeelding' heeft, zal hij die nooit aan de macht dulden, hij is een tamelijk saaie wetenschapper, met een tamelijk saaie pen. Maar daar staat veel consciëntie en grote degelijkheid tegenover, zoals blijkt uit de twee ook weer heel angstvallig geschreven, maar zeer gedocumenteerde geschiedschrijversportretten in de bundel: over L. de Jong en Ger Harmsen.

De bundel heet Burgerlijk en beheerst, een titel, lezen we in het Woord Vooraf, 'die veel hoofdbrekens kostte'. Ook dat weer typerend. 'Burgerlijk en beheerst', geeft de auteur als het ware zuchtend toe, 'leek niettemin een aardige titel, die bovendien een impliciet verbindend element aanduidt.'

Dat laatste geldt zeker ook voor de titel Mens tussen hemel en aarde, waaronder postuum een aantal nagelaten opstellen werd verzameld van de vorig jaar overleden Jan Willem Schulte Nordholt.

Er is onmiskenbare overeenkomst tussen de twee historici - al was het maar vanwege hun 'Hollandse' belangstelling voor de theologie en alles wat zich, in de woorden van Schulte Nordholt, afspeelt 'op het snijvlak van godsdienst, cultuur en samenleving.'

Het grote verschil is waarschijnlijk dat de oudere van de twee (Schulte Nordholt was van 1920, Blom is van 1953) ook mentaal een stuk dichter bij Huizinga stond, en in ieder geval diens verlangen deelde om zo nu en dan de vleugels wijd uit te slaan, en het beperkte onderzoeksterrein te verlaten ter wille van brede culturele verkenningen. Maar Schulte Nordholt was behalve historicus (en Amerikanist) tenslotte ook dichter.

Je merkt het aan de uiteenlopende thema's in zijn bundel: van herinneringen aan Miskotte, via wijze bespiegelingen over de Columbus-herdenking van 1992, tot aan losjes verspreide gedachten over Europa. Hij was een gelovig man, maar het tegendeel van een dogmaticus, en als historicus ook het tegendeel van een 'specialist', al was hij dan meer dan gemiddeld vertrouwd met de geschiedenis van de Verenigde Staten.

Het verschil tussen hem en Blom is toch vooral het verschil tussen het grote gebaar en de noeste vlijt. Schulte Nordholt durfde nog in 1985 een 'integrale' geschiedschrijving van Amerika aan (Triomf en tragiek van de vrijheid), en voegde daar kort voor zijn dood nog een gewaagde 'heliotropische' verkenning aan toe (De mythe van het Westen), waarin hij Amerika bij wijze van spreken herontdekte als 'het laatste wereldrijk'. Ik weet wel zeker dat Blom aan zulke ondernemingen nooit z'n vingers zou branden - zoals ik trouwens ook zeker weet dat Schulte Nordholt nooit een onderzoek naar de belevenissen van Dutchbat zou hebben geambieerd. Hij zou het ook niet gekund hebben. Wat Blom betreft mogen Kok, Van Mierlo en Voorhoeve goede hoop koesteren.

J. C. H. Blom: Burgerlijk en beheerst - Over Nederland in de twintigste eeuw.

Balans; 272 pagina's; ¿ 45,-.

ISBN 90 50 18 343 3.

Jan Willem Schulte Nordholt: Mens tussen hemel en aarde - Opstellen op het snijvlak van godsdienst, cultuur en samenleving.

Meinema; 176 pagina's; ¿ 35,-.

ISBN 90 211 3650 3.

Meer over