Stad & schrijverW.F. Hermans

Groningen trekt zich weinig meer aan van W.F. Hermans, die er zo’n twintig jaar woonde

Sommige steden zijn onlosmakelijk verbonden met het werk van grote Nederlandse schrijvers. In hoeverre leeft de geest van die schrijvers daar na hun dood voort? Onno Blom gaat deze zomer op zoek en neemt fotograaf Renate Beense mee. Vandaag: het Groningen van W.F. Hermans.

De voormalige voordeur van W.F. Hermans in de Spilsluizen 17a in Groningen. Beeld Renate Beense
De voormalige voordeur van W.F. Hermans in de Spilsluizen 17a in Groningen.Beeld Renate Beense

Als je stiekem het portiek binnensluipt en een blik werpt door het glaasje van de rechterdeur, die van 17a, deins je achteruit. Je kijkt recht in de lens van een camera. Koningin Eenoog! Wordt hier, in de geest van de schrijver, de bedrieger bedrogen?

In de buitenmuur van het pand is een plastic plaatje geschroefd: ‘Voormalig woonhuis van schrijver W.F. Hermans. Hier schreef hij zijn meesterwerken De donkere kamer van Damokles en Nooit meer slapen.’ Op zijn fotoportret lacht de schrijver sardonisch om de slogan ‘Er gaat niets boven Groningen’.

De bovenste twee verdiepingen van het pand op de hoek van de Spilsluizen en de Ossenmarkt waren Hermans’ eerste fatsoenlijke woning. Hoge kamers voor zijn boekenkasten, een fraaie erker bood zicht op de Martinitoren en het Academiegebouw. De stad lag aan zijn voeten.

Hermans was in 1952 aan de Rijksuniversiteit Groningen aangenomen als wetenschappelijk assistent geologie. Over zijn schrijverschap verkeerde men bij zijn sollicitatie in gezegende onwetendheid. Aanvankelijk beviel de stad hem goed, maar binnen twee jaar na aankomst zei zijn echtgenote Emmy: ‘Als je nog erg lang in Groningen blijft, ga je dood.’

Toen had hij nog bijna twintig jaar te gaan.

 Uitzicht op het geologisch instituut, ‘het kasteel’, aan de Melkweg 1 in Groningen. Beeld Renate Beense
Uitzicht op het geologisch instituut, ‘het kasteel’, aan de Melkweg 1 in Groningen.Beeld Renate Beense

Inmiddels herinnert bijna niets in de stad meer aan Hermans. Geen wandelroute, geen eigen plankje in de plaatselijke boekhandel. En al helemaal geen standbeeld – van het idee zou de schrijver zich omdraaien in zijn graf.

Toch schijnt zich iets te bevinden in het voormalig Mineralogisch Geologisch Instituut aan de Melkweg, bijgenaamd ‘het kasteel’, een neogotische brok steen met spitsbogen, leien daken en ronde torentjes, waarvan ‘iedere leek kon zien dat het namaak was’.

Een vriendelijke jongedame is onmiddellijk bereid om ons de ‘W.F. Hermans-zaal’ te laten zien. Te boeken voor al uw congressen. De ruimte met spitsbogen heeft niets met de naamgever van doen – die werkte aan zijn proefschrift waar nu de keuken zit en een grote afwasmachine staat te draaien.

De keuken van het geologisch instituut in Groningen.  Beeld Renate Beense
De keuken van het geologisch instituut in Groningen.Beeld Renate Beense

Na zijn promotie in 1955 werd de jonge doctor onmiddellijk uit zijn ruime kamer gegooid en verbannen naar een zolderkamertje. Natuurlijk mogen we dat even zien. Helaas kunnen we er geen stap binnen zetten. Het staat vol opgestapelde congresstoelen.

Hermans raakte steeds verder gefrustreerd. Op het voormalige geografisch instituut aan de Kraneweg 74, waar de lector in de jaren zestig werd geacht te doceren, kwam hij zo weinig dat zijn kamer ‘de donkere kamer’ werd genoemd. Nu zit er een studentenhuis. Naast de voordeur zestien bellen. Welke je ook indrukt, niemand doet open.

De voordeur van Kraneweg 74, het voormalig geografisch instituut, dat tegenwoordig een studentenhuis is.  Beeld Renate Beense
De voordeur van Kraneweg 74, het voormalig geografisch instituut, dat tegenwoordig een studentenhuis is.Beeld Renate Beense

Na afloop van zijn spaarzame colleges aan de langharige en ‘in ongewassen lappen gehulde studenten’ racete Hermans in zijn roomwitte Morgan-sportwagen terug naar de Lindenhof, de rietgedekte villa in het nabijgelegen dorpje Haren, die hij zich in 1967 van de royalty’s op zijn succesromans had aangeschaft.

Het huis aan de Julianalaan 11 ligt er verlaten en treurig bij. Als we ons gewapend met camera en notitieblok over het tuinhek buigen, begint een zenuwachtige buurvrouw, die net haar pekinees in een geruit jasje uitlaat, foto’s van ons te maken en de buurtwacht te bellen.

De Lindenhof blijkt te koop te staan voor 1,5 miljoen euro. De makelaar vermijdt in de beschrijving van deze ‘parel met een rijke historie’ elke verwijzing naar de beroemde bewoner.

De villa Lindenhof in Haren, de voormalige woning van W.F. Hermans, staat te koop voor 1,5 miljoen euro.  Beeld Renate Beense
De villa Lindenhof in Haren, de voormalige woning van W.F. Hermans, staat te koop voor 1,5 miljoen euro.Beeld Renate Beense

In 1968 kwamen de studenten in opstand tegen Hermans’ ouderwetse en autoritaire wijze van lesgeven. De christelijke politicus Jan de Koning stelde Kamervragen aan de minister van Onderwijs. Hermans’ collega professor R. Tamsma zei tegen het Algemeen Dagblad: ‘Hermans is een nagel aan onze doodskist, we zijn hem liever kwijt dan rijk.’

Onderzoek wees uit dat van wangedrag en plichtsverzuim van Hermans geen sprake was. Wel was de situatie ‘ongewenst’. In 1973 nam hij ontslag en ging in Parijs wonen. Naar Groningen keerde hij nooit meer terug, behalve in zijn verbeelding.

In de roman Onder professoren werden zijn collega’s vakkundig belachelijk gemaakt. Over een zekere professor Tamstra wordt gezegd dat zijn bril op het laatste moment uit een brandende prullenbak leek gered, zo zwart was het montuur.

In 1994 wilde Groningen het goedmaken. Met alle egards werd Hermans uitgenodigd voor een literatuurfestival. Maar Hermans kwam niet. Hij schreef terug aan het organiserend comité: ‘U moet de (ex?)professoren Tamsma en De Koning aan de Grote Markt halfnaakt aan staken binden, langzaam halfdood martelen en ten slotte ophangen aan de Martinitoren.’

Tot aan zijn dood hield de stad Hermans bezig. Op zijn sterfbed redigeerde hij de drukproeven van zijn laatste roman, waarin het Academiegebouw wordt overwoekerd door ‘handplanten’ met ‘rijkbebladerde takken, knoestig en afgrijselijk’. Groningen vergaat tot ruisend gruis.

Niemand lijkt zich vandaag van enig gevaar bewust. Op de trappen voor het Academiegebouw koesteren de studenten zich, gehuld in ongewassen lappen, in de zon. Ze lezen geen boek, maar staren op hun iPhone. Het is of Hermans hier nooit is geweest.

Meer over