Groei documentaire festival toont gelijkenis met succes Rotterdam

Woensdagmiddag 11.40 uur, Calypso Amsterdam. Vertoond wordt een nieuwe documentaire van de Duitse regisseur Werner Herzog over de Italiaanse componist Don Carlo Gesualdo, Tod für fünf Stimmen....

Van onze verslaggever Peter van Bueren

Zoals die om 14.00 uur, Grenzeloze liefde, een documentaire van Puck de Leeuw over drie vrouwen die merken hoe moeilijk het is zich aan te passen aan de Japanse cultuur. En zoals The Typewriter, The Rifle and the Movie Camera, om 20.00 uur in Alfa al is uitverkocht. Zoals er de hele week tijdens het negende International Documentary Filmfestival Amsterdam zo vaak meer belangstelling was dan plaats in de zaal.

Wanneer vanavond de cijfers geteld zijn, zal blijken dat bij het totaal aantal bezoekers van 38 duizend vorig jaar minstens een kwart moet worden opgeteld, en de 45 duizend ruim overschrijdt. De recette zal meer dan 40 procent hoger uitvallen dan vorig jaar.

Tien jaar geleden boekte het toen enige filmfestival in Nederland, dat van Rotterdam, voor het eerst een bezoekersaantal dat boven de honderdduizend uitkwam. Een jaar daarvoor trok het nog zestigduizend bezoekers, wat ook al een record was. De directeur, Huub Bals, klaagde, zoals altijd. Met zijn budget van 1,6 miljoen zou hij het niet meer redden. En zijn staf moest groter en professioneler worden.

Het succes van Rotterdam zat er al enkele jaren aan te komen. Na een start met vijfduizend mensen groeide het festival in ruim tien jaar tot een filmfeest waarvoor de toenmalige ruimte, het Lantaren/Venster-complex, te klein bleek. Door een verhuizing naar de Kruiskade, met Luxor, Lumière en Thalia, kwam ermeer ruimte. Maar in plaats van dat het festivalpubliek eindelijk eens de benen kon strekken, waren ook die meerdere zalen binnen de kortste keren vol. De uitbreiding van het aantal vertoningspunten trok alleen maar nieuw publiek. Waar door het jaar heen de cultuur, inclusief film, geconcentreerd is in Amsterdam, gaat iedereen die van film houdt inmiddels één keer per jaar naar Rotterdam.

In 1988 namen een paar idealisten rond documentairemaker Jan Vrijman het initiatief om in Amsterdam ook een filmfestival te organiseren. Een beetje lacherig werden zij gadegeslagen, want op dat festival zouden alleen maar documentaires draaien. Nu heeft Nederland wel een naam op dat gebied, maar het was heel lang geleden dat films van Haanstra en Van der Horst, laat staan die van Vrijman zelf of van Ivens, gewoon in de bioscoop werden vertoond. Wie zou er nu een hele week documentaires, bovendien vaak in een vreemde taal, willen zien?

Onder de bezielende leiding van directrice Ally Derks, een jonge vrouw die net als de Rotterdamse directeur Bals uit Utrecht kwam, werd het een gezellig, ietwat kneuterig feestje, dat eerste IDFA. Er kwamen tweeduizend mensen. De tweede keer kwamen er al 16 duizend bezoekers, in 1989 waren het er 25 duizend en nu drie keer zoveel. Ongemerkt groeide het onderonsje van documentairemakers en zielsverwanten uit tot een echt festival.

Dit jaar, vlak voor het tweede lustrum, lijkt er een situatie te zijn ontstaan zoals destijds in Lantaren/

Venster in Rotterdam. Het IDFA is binnen tien jaar een middelgroot Europees filmfestival geworden, met alleen maar documentaires! Dat is uniek.

Het festivalvirus heeft zich definitief ook in Amsterdam genesteld. Het festivalbestuur zal zich erop moeten voorbereiden dat het volgend jaar alleen maar meer zal worden. De Balie en de huidige theaters zullen te klein zijn, zoals ooit Lantaren/Venster in Rotterdam, de organisatie zal (nog) professioneler moeten worden, de Rotterdamse ontwikkeling is voorbeeld en les tegelijk.

Inhoudelijk was het festival van een hoge kwaliteit. Niet alleen door de competitie, maar ook door de bijprogramma's, waarin oude archieffilms evengoed een plaats kregen als het werk van aankomende filmers, producties uit arme landen naast een overzicht van de situatie in het Hoge Noorden.

Te veel films? Elk groot festival heeft te veel films om door één individu allemaal gezien te worden en lardeert het hoofdprogramma met specialiteiten, als een extra en een mogelijkheid keuzes te maken. In al zijn variëteiten bood dit IDFA een uitstekend overzicht van de documentaire als fenomeen in zijn vele vormen.

Het lijkt een raadsel hoe grote bioscoopzalen geheel gevuld worden door mensen die niet naar een spannende of leuke speelfilm gaan kijken, maar naar een documentaire over IJsland of Israël en daar net zoveel plezier aan beleven. De ontwikkeling van dit festival toont aan dat de documentaire toekomst heeft. De bioscopen worden steeds meer volgestopt met producties van eenzelfde aard. Steeds minder ruimte is er voor kleinere, persoonlijke, niet door Hollywood geformuleerde standaardfilms. Regisseurs hebben op het documentaire terrein meer kans zich te ontplooien.

En het publiek dat van film houdt, weet dit te waarderen. Zeker wanneer de documentaire zich blijft ontwikkelen zoals de laatste jaren: van nuttige, schoolse informatiefilms (die nog steeds gemaakt worden) naar persoonlijke verhalen die aan de werkelijkheid zijn ontleend.

Wie van film houdt, wil op de eerste plaats een goede film zien, een uiting van creativiteit, ongeacht fictie of documentaire. En een goede documentaire is ook een goede film.

De beste films op dit festival waren die van filmers die van een gegeven uit de werkelijkheid een boeiend, filmisch knap geconstrueerd, persoonlijk verhaal maakten, zoals de Finse Pirjo Honskala, wier Atman in de competitie draaide en vanzelfsprekend genomineerd werd voor de Joris Ivens Award.

Van Honskala waren in het programma Nordic Countries nog drie oudere films geselecteerd, zodat je in één klap tijdens dit IDFA een leuk retrospectief kon volgen van een van de intelligentste en creatiefste filmers van dit moment. Dat juist op deze Finse de schijnwerper was gericht, bewijst dat het IDFA in de loop der jaren ook gegroeid is in inzicht.

Bijna alle documentaires worden gemaakt met steun van de televisie. Omdat bioscopen in de meeste landen zelden of nooit een documentaire vertonen, is de televise ook de plek bij uitstek waar documentaires een kans krijgen.

Tussen de gewone reportages, als verlengstuk van actualiteitenrubrieken, en de speelfilms, die mikken op een groot publiek, kan de creatieve documentaire een gat vullen waar niet alleen documentairemakers profijt van kunnen trekken maar ook de televisie. En natuurlijk de televsiekijkers.

Meer over