Grijze luchten, diepe zuchten

Een taalvernieuwer was hij niet, zijn rijm verrast zelden en de vorm is de eenvoud zelve. Waarin schuilt dan toch de magie van J.C....

Er bestaat een foto van J.C. Bloem uit de zomer van 1893; de latere dichter was toen zes jaar oud. De kleine jongen, opgezadeld met de herennaam Jacques, is een dagje aan het strand. Niets wijst erop dat hij het daar leuk vindt. Hij wenst niet te lachen voor de fotograaf. Zijn ouwelijke hoofdje, iets te groot, drukt niets uit. In zijn schoot ligt een schepje. Hij lijkt niet te weten wat hij ermee aan moet.

In de loop van zijn leven zou hij steeds zo op foto’s staan. Een massief, benig hoofd, nauwelijks tot enige mimiek bereid, de mond soms een streep, soms half open. Tussen zwierige literaire vrienden als de gecoiffeerde Roland Holst en de jongensachtige Slauerhoff zit hij er afwezig bij, de schoenpunten naar elkaar gericht, als een vriendelijke sukkel. Geen verschijning waarbij woorden als ‘esprit’, ‘brille’ of ‘passie’ te binnen schieten. Verwoestend verdriet of vurig smachten lijkt ook niet aan de orde. Een leeg persoon.

Natuurlijk, wie naar foto’s kijkt projecteert vooroordelen. ‘Leeg’ is het woord dat naast ‘verlangen’ en ‘hart’ het meest in Bloems poëzie voorkomt. ‘Altijd November, altijd regen,/ Altijd dit lege hart, altijd.’ Daarover dichtte hij, met weinig variatie. Over een bestaan op een dorre vlakte waar af en toe hunkering opflakkert. Waarnaar, dat wist hij zelf ook niet precies. Naar wat had kúnnen zijn, misschien. Een paradijs dat ontglipte voordat het binnen handbereik kwam.

Zijn poëzie is ook merkwaardig leeg. Zij is vooral een heleboel dingen níet. Niet lyrisch, bijvoorbeeld. De dichter is niet overrompeld door de veelheid en volheid van alles; zijn gemoed stroomt niet over van aandoeningen. Hij wordt amper beroerd door de natuur, door schoonheid of stadsgewoel. Filosofisch of moralistisch is zijn werk evenmin. Deernis met ploeterende arbeiders of zorg om het lot der mensheid is afwezig. Zelfs de liefde komt nauwelijks ter sprake, uitgezonderd die voor zijn zoon Wim, ‘de enige dien ik/ naast mij begeer’, en voor ‘het ouderhuis’, dat hij eigenlijk nooit had willen verlaten.

Lente en herfst

Lente en herfst
Zijn dichterlijk instrumentarium was klein. Bloem putte altijd uit hetzelfde vocabulaire, waarin zon en einder, lente en herfst, slapen en waken almaar opduiken. Verbluffende beeldspraak gebruikte hij nooit. De structuur van zijn gedichten is eentonig: strofen tellen vier regels, die meestal één zin vormen. Ook het metrum is straf: telkens de aloude, vijfvoetige jambe. Er is altijd rijm, en zelden verrassend. ‘Sterven’ rijmt gewoon op ‘derven’, ‘zwak’ op ‘brak’ en onder ‘grijze luchten’ klinken ‘diepe zuchten’.

Lente en herfst
Bloem had niet de minste behoefte een taalvernieuwer te zijn. Een 10-jarige, vond hij, moest zijn werk kunnen begrijpen. ‘Een gedicht is beter, naarmate men de woorden ervan minder merkt.’

Lente en herfst
De omvang van zijn oeuvre is ook al niet indrukwekkend. Bloem werd 79 jaar oud en begon al in zijn puberteit met dichten. Toch perste hij er in al die jaren, druppelsgewijs, niet meer dan 160 gedichten uit. Hij had last van ‘een ongelooflijk taedium van verzen, in de eerste plaats van mijn eigen’. Aan het eind van zijn leven maakt hij somber de rekening op: ‘Is dit genoeg; een stuk of wat gedichten,/ Voor de rechtvaardiging van een bestaan?’

Lente en herfst
Toch wordt zijn werk, ruim veertig jaar na zijn dood, nog altijd gretig gelezen. Hij is de meest geciteerde Nederlandse dichter van de vorige eeuw. Zijn werk bleek beter bestand tegen de tijd dan van zijn indertijd beroemdere tijdgenoot Roland Holst of van de hemelbestormer Gorter. Beter zelfs dan dat van Slauerhoff, de eeuwige puberdichter.

Lente en herfst
Bloem komt vanzelf langs, in schooledities en bloemlezingen, in agenda’s en scheurkalenders, op gedenkstenen en plaquettes. Mensen die nooit poëzie lezen, kennen toch regels als ‘Domweg gelukkig in de Dapperstraat’, ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen’, en het altijd bruikbare grafschrift ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’.

Lente en herfst
Dichters en poëzieliefhebbers van allerlei slag houden evenzeer van zijn werk. Zijn simpele poëzie verveelt niet. Ondanks zijn traditioneel dichterlijke aanpak is zijn werk niet verouderd en ondanks de voorspelbare woordkeus nooit banaal. Bij Bloem klinken, net als bij kinderen, clichés toch fris. Zijn geneuzel over geluk dat nooit weerom komt en de dood die onafwendbaar naakt, blijft ontroeren. De toon klinkt bij elke herlezing loepzuiver. Hoe is dat mogelijk? Wat is het geheim van J.C. Bloem?

Lente en herfst
Misschien moet je het antwoord op zulke vragen niet zoeken in een biografie. Het gaat de biograaf om het leven dat dit raadsel voortbracht. Bloems leven was er een waarin, behalve dat handjevol verzen, weinig van de grond kwam. Zijn dagen sleepten zich voort met geklaag, uitstel, afstel, en vooral enorme hoeveelheden drank. Alleen daarom al is het dapper dat Bart Slijper er de moed toe kon opbrengen. Hij is de eerste echte biograaf van Bloem; diens ex-vrouw Clara Eggink en vriend A.L. Sötemann schreven eerder een schets van zijn leven. Over de gedichten van Bloem is vaak geschreven, en vooral door dezelfde Sötemann briljant.

Magie

Magie
Toch moet het idee om een biografie over J.C. Bloem te schrijven iets te maken hebben gehad met de magie van zijn poëzie. Slijper zegt daar weinig over. Hij doet dat bovendien jammer genoeg niet in een inleiding – we stappen plompverloren in hoofdstuk 1 het leven binnen – maar in een nawoord, als je het gekwelde bestaan al achter de kiezen hebt.

Magie
‘Wat iemand meemaakt’, schrijft Slijper, ‘kan op allerlei manieren doorwerken in zijn gedichten, zo subtiel of ingewikkeld dat het verband soms niet is te ontrafelen, niet door de dichter en net zo min door de biograaf’. Hij waagt zich dus liever niet te zeer aan het verband tussen leven en werk. Slijper is blij dat hij zich met ándere zaken kan bezighouden: ‘Bloems behoefte aan vriendschap, of bijvoorbeeld de soms lachwekkende consequenties van zijn drankzucht en zijn onwil om zich te schikken, zorgen in dit boek voor heel andere tonen.’ Met andere woorden: als een leven maar veelkantig en amusant genoeg is, kun je er een biografie over schrijven.

Magie
Slijper noemt twee courante visies op het genre. Enerzijds heb je de ‘steile’ opvatting dat de biografie louter een hulpmiddel is om het werk te benaderen; daartegenover staat het rekkelijke uitgangspunt – aangehangen door iemand als Richard Holmes (de veelvuldig onderscheiden biograaf van Shelley, Coleridge en andere grote dichters) – dat het leven een belangwekkend verhaal moet opleveren, waarmee de lezer zich kan identificeren, ongeacht het belang van de hoofdpersoon. Slijper, van huis uit neerlandicus – eerder schreef hij over het werk van Hendrik de Vries en bezorgde hij Bloems correspondentie met Marsman en Verwey – kiest heel on-neerlandistiekerig voor het tweede.

Magie
Daar is veel voor te zeggen, maar Slijper beargumenteert zijn keus niet. In zijn nawoord blijft de vraag ongemakkelijk in de lucht hangen: waarom dan de dichter Bloem en niet een evenzeer charmante, drankzuchtige en halfgare oom?

Magie
Maar dat is dan ook het voornaamste en eigenlijk enige punt van kritiek, want Van alle dingen los is een uitstekende biografie. Slijper heeft een prettige stijl. Hij voert de lezer als een aangename gids losjes langs zijn talloze bronnen – dichtersvrienden wisselden enorm veel brieven uit – zonder dat je het idee krijgt een knip- en plakwerkje te lezen. Hij is bewonderenswaardig compleet, eigenlijk een beetje in tegenspraak met zijn ‘vrije’ opvatting: zelfs de notulen van de gemeenteraad van het dorp Oudshoorn, waar Bloems vader burgemeester was, en de archieven van alle werkgevers bij wie Bloem onbenullige baantjes had, heeft hij bekeken.

Magie
Literaire discussies geeft Slijper uitvoerig en goed gedocumenteerd weer. Zoals het oeverloze vorm-of-vent-debat, met aan de ene kant Ter Braak en Du Perron, die de persoonlijkheid van de dichter, de ‘vent’, voorop stelden, en aan de andere kant de ‘vormaanbidders’ als D.A.M. Binnendijk, voor wie een gedicht is ‘als een van de aanleiding en den schrijver losgeraakt gewas, een natuurlijk organisme, een bloem’. Bloem, in dit soort kwesties op zijn best – het ging hier echt om z’n vak – zegt als enige iets verstandigs: ‘Een kunstenaar hoeft geen goed mensch te zijn’. Vorm en inhoud, legt hij uit, zijn bij een goed gedicht niet te scheiden; de ‘inhoud’ van een gedicht bestaat slechts in die ene, bijzondere vorm.

Magie
Slijper komt het jongetje van zes op de foto nader dan de dichter. Ook de aartsluie jurist, de onbenaderbare echtgenoot, de wanhopige vrijgezel en de wrakke grijsaard die zich koestert in de zorgzaamheid van zijn ex-vrouw zijn strong characters. De dichter beschrijft hij mooi van de buitenkant, vooral via de herinnering van Clara Eggink. De zoon Wim, die kort voor Bloems dood met zijn gezin vluchtte naar Australië, doodziek van de overbezorgdheid van zijn vader, komt helaas nauwelijks aan het woord.

Diep in de olie

Diep in de olie
Eigenlijk, schrijft Eggink, viel met deze twintig jaar oudere man niet te leven. Iedere avond was hij diep in de olie en ‘maakte dan alleen maar vriendelijke geluidjes’. Hij ‘leefde in een ander gebied, het gebied waar de grote verzen uit voortkomen’. Als hij murmelend en steunend door de kamer ijsbeerde, wist zij dat er een nieuw gedicht op uitbreken stond.

Diep in de olie
In gezelschap van vrienden leefde Bloem op. Dan was de monomane treurwilg, altijd bekommerd om het eigen leed, ineens een sprankelend causeur. Hij schonk gezellig bij en maakte snedige grappen. Maar omdat ze ver weg woonden van de meeste vrienden, waren dit zeldzame momenten.

Diep in de olie
Bloem werkte als griffier in Lemmer, Zutphen en Breukelen. Volgens Eggink hield hij toezicht op in beslag genomen vishengels; volgens zijn biograaf stelde het iets meer voor. Hij vond het er hoe dan ook verschrikkelijk. Zijn rechtenstudie was al een ramp; werk was nog erger. Elk baantje beschouwde hij als onverdiende gevangenschap. Vroeg opstaan, brood mee in een pakje, niet naar buiten mogen – wat een vernedering. Zelfs op de nachtredactie van de Nieuwe Rotterdamsche Courant hield hij het niet lang uit. Hij arriveerde er steevast te laat, altijd dronken en voerde weinig uit.

Diep in de olie
Het alternatief, leven van recensies en vertalingen, was evenmin haalbaar. Mooi beschrijft Slijper hoe Bloem de deadline voor een vertaling allercharmantst met een jaar weet te overschrijden. Hij geeft de indruk dat hij lekker opschiet en ontvangt een voorschot. Dan is het lange tijd stil. In vriendelijke briefjes legt Bloem uit waarom: familieomstandigheden, nieuwe baan. Intussen haken lezers die op het boek hebben ingetekend af. Dreiging met een deurwaarder helpt niets. Het is niet alleen luiheid, denkt Slijper: ‘Bloem [heeft] een niet eenvoudig te overwinnen weerstand tegen alles wat hij moet doen.’

Aartsconservatief

Aartsconservatief
Slijper zet in ruim 300 pagina’s overtuigend een man neer die de dichter Bloem geweest kan zijn. Een innig geliefde zoon van ouders die weinig van hem eisten, zodat hij nooit volwassen werd. Een doodgoeie, maar verwende dromer, die niet voor zichzelf kon zorgen. Een pruilende, gevallen aristocraat; eigenlijk bleef hij zijn hele leven terugverlangen naar de solide 19de eeuw, toen notabelen nog vrijgestelden waren, iedereen tevreden was in zijn eigen stand en kunstenaars werden vereerd en onderhouden.

Aartsconservatief
Bloem was aartsconservatief. Dat hij de opkomst van de democratie vreesde, was voor intellectuelen in de jaren dertig niet bijzonder. Maar Bloem was verbazingwekkend onnozel. Veel te lang dacht hij dat het fascisme een verfrissende oplossing bood om de door ‘den Joodschen zwendelaar’ ondergraven economieën uit het slop te helpen.

Aartsconservatief
In de jaren dertig schreef hij voor antidemocratische blaadjes als Nederland en De Waag. Juichend recenseert hij een propagandafilm over Hitlers bezoek aan Italië. Hij scheldt ongenuanceerd op de ‘Volkerenstrontbond’. In 1933 meldt hij zich aan bij de NSB. ‘Ik ben sinds enkele dagen nazi’, schrijft hij aan Jan Greshoff. Maar wanneer hij partijleider Mussert ontmoet en deze een burgerman blijkt die nooit een boek leest, is de liefde snel over. Op 10 mei 1940, als hij vanuit zijn huis in Kijkduin de Duitsers ziet landen aan de kust, wordt Bloem op slag fel anti-Duits.

Aartsconservatief
Dat Bloem een tijdlang een fascistische meeloper was, is aan zijn poëzie niet af te lezen. Alle andere trekken die Slijper zorgvuldig uitwerkt, zijn wél in zijn poëzie terug te vinden.

Aartsconservatief
Slijpers biografie is er inderdaad een geworden waaraan lezers zich kunnen spiegelen: zijn Bloem is een soort Elckerlyc. Een man met vele zwakten en obsessies, die gebukt ging onder zijn eigen onvermogen en tegenzin in alles. Zulke kanten hebben we allemaal; Bloem had ze alleen een graadje uitgesprokener. Ongetwijfeld was hij ook vriendelijker en meegaander dan de meesten.

Aartsconservatief
Hij week maar in één opzicht af: hij gaf zijn geweeklaag vorm in gedichten die iedereen kan begrijpen en die iedereen zich daarom toe-eigent, maar die bijna niemand zo kan schrijven.

Meer over