Boeken

Griet Op de Beeck: ‘Als je schrijft, moet er echt iets op het spel staan’

Eigenlijk wilde ze haar trilogie over misbruik afronden, maar voor het eerst in haar leven werd de Vlaamse auteur Griet Op de Beeck ‘helemaal triest van de schrijverij’, en daar kwam corona ook nog overheen. Dus schreef ze een luchtig kinderboek – nou ja, luchtig? En kinderboek?

Hans Bouman
Griet op De Beeck: ‘Mijn diepste overtuiging is dat kinderen alles voelen en weten, ook de dingen die we denken te kunnen verstoppen.’ Beeld Rebecca Fertinel
Griet op De Beeck: ‘Mijn diepste overtuiging is dat kinderen alles voelen en weten, ook de dingen die we denken te kunnen verstoppen.’Beeld Rebecca Fertinel

Haar nieuwe roman, Jij mag alles zijn, oogt als een jeugd- of kinderboek, maar die term vindt Griet Op de Beeck te beperkend. ‘Het boek is inmiddels door meerdere mensen gelezen’, zegt ze, ‘en ik merk dat lezers die bereid zijn in het hoofd van een 9-jarige te gaan wonen niet het gevoel hebben dat ze een kinderboek lezen. Het gaat ook niet over draken, prinsessen en kastelen, maar over de lastige morsigheid van het leven. Ik denk dat volwassenen en kinderen daar elk op een andere manier naar zullen kijken. Ik hoor van volwassen lezers dat ze het niet droog hielden toen ze het manuscript lazen.’

De hoofdpersoon van Jij mag alles zijn is Lexi. Zij is enig kind, maar dat is niet altijd zo geweest. Lexi maakt zich zorgen over haar moeder, die altijd lusteloos en verdrietig is, veel in bed ligt, weinig eet. Op een gegeven moment is moeders toestand zo ellendig dat zij naar ‘een soort ziekenhuis’ moet, om daar weer beter te worden. Omdat vader de hele dag naar zijn werk is, gaat Lexi zolang bij vaders halfzus wonen, tante Arizona, een vrouw die Lexi nauwelijks kent.

Ook met tante Arizona blijkt niet alles koek en ei, en Lexi maakt het tot haar taak zowel haar tante als haar moeder weer gelukkig te maken. Dat is goedbedoeld, zelfs heldhaftig. Maar misschien niet altijd even goed voor Lexi zelf.

Waarom wilde u dit boek schrijven?

‘Eigenlijk was ik dapper begonnen aan deel drie van mijn trilogie over misbruik. Daarmee raakte ik helemaal in de knoei. Ik had het totaal gehad met de zwaarte van de beschreven problematiek. Voor het eerst in mijn leven werd ik helemaal triest van de schrijverij. En toen kwam ook nog de coronapandemie en zat ik moederziel alleen voor mijn computer. Het lukte mij niet om de donkerte van mijn trilogie én de coronacrisis door te prikken.

‘Tegelijk is het zo dat mijn leven, als ik niet schrijf, altijd nog een stukje ingewikkelder is. Dus begon ik te zoeken naar iets anders en een paar weken later ontstond het plan voor iets dat al heel lang in mijn achterhoofd sluimerde, namelijk een boek schrijven dat ook geschikt is voor een jonger publiek. Dat stelt natuurlijk andere eisen. Zo’n boek moet wat plotgedrevener zijn dan mijn boeken doorgaans zijn. Het schrijven van Jij mag alles zijn is voor mij een verlichtende activiteit geweest in donkere dagen.’

Toch houdt Jij mag alles zijn zich niet bezig met lichte, luchtige kinderonderwerpen, maar met heel volwassen thema’s als geweld binnen relaties en ouder-kindconflicten.

‘Voor mij gaat het boek bovenal over parentificatie: het fenomeen waarbij een kind veel te vroeg de rol van volwassene op zich neemt. Hoe dat werkt en hoe schadelijk dat kan zijn. Maar de dingen die u noemt, komen ook aan bod. Ik denk dat we geneigd zijn kinderen niet altijd au sérieux te nemen. Maar mijn diepste overtuiging is dat kinderen alles voelen en weten, ook de dingen die we denken voor hen te kunnen verstoppen.’

Was het een uitdaging om u te verplaatsen in de taal- en denkwereld van kinderen?

‘Niet echt. Ik heb zelf als kind geen stem gehad en het zoeken naar een stem van een kind dat dat wél mocht hebben, voelde heel natuurlijk aan. Mijn boek gaat over het feit dat je, ook als kind, ‘je eigen mens’ mag zijn. Je hoeft niet te zijn wie anderen willen dat je bent en je hoeft als kind ook nooit voor je ouders te zorgen. Als er dan een paar van die zinnetjes in de hoofden van mijn jonge lezers blijven hangen, beschouw ik mijn boek al als geslaagd. Ik denk dat het ook zo kan werken voor volwassenen. Als volwassenen problemen hebben, is de oorzaak vaak te vinden in hun jongere jaren en de patronen die daar door omstandigheden zijn ontstaan.’

null Beeld Rebecca Fertinel
Beeld Rebecca Fertinel

Hoezeer is die boodschap ook aan uzelf besteed?

‘Ik heb lang niet gedacht dat ik alles kon zijn. Om eerlijk te zijn: ik denk het nog steeds niet. Rationeel vind ik dat ik alles moet kunnen laten zien, alle kwetsbaarheid, lelijkheid, angsten, kwaadheid. Maar in de praktijk ben ik bijvoorbeeld nog altijd niet in staat om kwaad te zijn op mensen.’

Weet u nog wat de eerste zin was die u opschreef?

‘Ja, dat was wat nu nog steeds de eerste zin van het boek is: ‘Het was niet altijd zo. Vroeger werd er gelachen en gepraat en feestgevierd. Dat denkt Lexi niet alleen, dat wéét ze, want er bestaan foto’s van.’ Als ik geen eerste zin heb, kan ik niet beginnen. Ook al heb ik een heel helder beeld van wie mijn personages zijn en wat ze in grote lijnen gaan meemaken, zolang ik geen eerste zin heb, zit ik vast.’

Als die eerste zin eenmaal staat, werkt u dan naar een soort einddoel toe? John Irving weet als hij begint te schrijven altijd al de slotzin van zijn boek en schrijft daar vervolgens naartoe.

‘Ik moet grosso modo weten waar het naartoe gaat, wat de belangrijkste ontwikkelingen zijn, hoe de spanningsboog verloopt en wat in die ontwikkeling de belangrijkste stoorzenders zijn. Maar ik ben niet een van de schrijvers die grote vellen papier met schema’s ophangen in hun werkkamer en pas kunnen beginnen als ze alles hebben gepland. Voor mij zou het schrijven dan voelen als een invuloefening. De leukste momenten zijn die waar je gedachten je ergens brengen waar je niet had verwacht uit te komen en ineens denkt: ja, dit klopt!’

Was het feit dat u zelf geen kinderen heeft lastig bij het schrijven van dit boek?

‘Ik word in de praktijk vaak eerder gehinderd dan geholpen door de werkelijkheid. Als ik een 9-jarig meisje in mijn omgeving kende, zou het in mijn boek waarschijnlijk een jongen van 12 worden. Een werkelijk bestaand kind als inspiratiebron zou me in de weg zitten. Maar ik ben al mijn hele leven een gretig observator, van volwassenen en ook van kinderen. Veel van die observaties zullen bewust en onbewust in het boek terecht zijn gekomen.’

Over welke zin of passage bent u het meest tevreden?

‘Jij mag alles zijn. Dat is een zinnetje waar voor mij alles in zit en dat in het boek een helende, troostende kracht kan hebben, als Lexi in staat is hem tot de hare te maken. Het is geen geestige of spectaculaire zin, geen vondst, maar wel een zin die in al zijn beperktheid best veel zegt. Dit boek is trouwens het eerste dat echt is geworden wat ik graag wilde dat het was. Dat gevoel heb ik nog nooit gehad.’

Was dit van meet af aan de titel?

‘Nee, ik heb nooit een titel als ik begin te schrijven. Pas helemaal aan het slot, als die woorden in het boek vallen, kwam de gedachte op dat dit misschien een geschikte titel was.’

Zoals veel kinderen betrekt Lexi alles wat misgaat op zichzelf. Ze geeft zichzelf de schuld van het verdriet van de volwassenen in haar leven en voelt de verantwoordelijkheid daar iets aan te doen.

‘Ik vind dat een van de grote tragedies van de menselijke psychologie. Een kind dat niet de liefde, bescherming, aandacht en waardering krijgt dat het verdient, zal nooit zeggen: ik heb een slechte pappa of mamma. Ze leggen de schuld altijd keihard bij zichzelf. Dat levert wonden op waar je een leven lang mee moet vechten.’

Griet op De Beeck: ‘Ik heb lang niet gedacht dat ik alles kon zijn. Om eerlijk te zijn: ik denk het nog steeds niet.’ Beeld Rebecca Fertinel
Griet op De Beeck: ‘Ik heb lang niet gedacht dat ik alles kon zijn. Om eerlijk te zijn: ik denk het nog steeds niet.’Beeld Rebecca Fertinel

Hoelang heeft u over dit boek gedaan?

‘Zo’n beetje de hele corona-ellende lang, dus ongeveer anderhalf jaar. De eerste versie nam ongeveer een halfjaar in beslag.’

Heeft uw redacteur veel veranderd?

‘Nee, maar ik had bij dit boek wel behoefte aan een redacteur die veel ervaring had met kinderboeken. Zij had een aantal goede verbeterpunten, en ook één waar ik het niet mee eens was. Ik verraad niet wat, maar tegen het eind neemt Lexi een nogal radicale beslissing en de redacteur meende dat het te heftig zou zijn voor jonge lezers. Ik heb toen contact opgenomen met enkele kinderpsychologen die het gelukkig met mij eens waren. Dat is er dus in gebleven.

‘De andere verbeterpunten hadden betrekking op de snelheid waarmee ik ontwikkelingen op elkaar liet volgen. Kinderen, zo overtuigde de redacteur me, hebben de behoefte om iets meer op sleeptouw te worden genomen dan ik deed. Zo heb ik bijvoorbeeld de gebeurtenissen uit één hoofdstuk uitgesmeerd over drie. Ook hebben kinderen vaker behoefte aan woordherhaling.’

Wordt er weleens gediscussieerd over de mate waarin typisch Vlaams-Nederlandse woorden en formuleringen al dan niet kunnen blijven staan? In Jij mag alles zijn lezen we ‘microgolf’, ‘om ter snelst’, ‘om ter best’, ‘vuurwerkstokjes’, ‘voor het goed van’. Allemaal niet-Noord-Nederlands, maar tegelijk stuk voor stuk begrijpelijk.

‘Ja, ik heb het qua taal in dit boek ook iets anders aangepakt dan in mijn andere boeken, omdat het taalverschil voor jonge lezers nog wat groter is. Ik heb nu voor het eerst dialogen met ‘je’ en ‘jij’ geschreven in plaats van met ‘u’ en ‘gij’, hoewel wij in Vlaanderen niet zo met elkaar praten. In zijn algemeenheid kijkt er altijd een Nederlandse redacteur naar mijn teksten en wijst mij op de typisch Vlaamse woorden. Het is dan aan mij om de beslissing te nemen. Zolang Nederlanders maar begrijpen wat er staat, laat ik het onveranderd. Ik denk dat het belangrijk is zo radicaal mogelijk trouw aan jezelf en je taal te blijven.’

Hoe zou u uw eigen stijl omschrijven?

‘Ik ben pas gedebuteerd toen ik achter in de 30 was en heb daardoor alle bewijsdrang kunnen laten varen. Ik ben niet iemand die zeven bijzinnen en dertien adjectieven gebruikt om te laten zien: kijk eens hoe goed ik kan schrijven. Bij Jeroen Brouwers lees ik vaak met verblufte verwondering – en bewondering – wat een schitterende zinnen hij schrijft. Mijn eigen stijl is directer, omdat ik probeer heel dicht bij mijn lezer te geraken.’

Heeft u voorbeelden als schrijver?

‘Je moet je juist hoeden voor voorbeelden. Want dan ga je dat imiteren en niets is zo erg als, bijvoorbeeld, een half-gelukte Jonathan Franzen te zijn. Ik heb zeer veel geleerd van zijn manier van kijken naar schrijven. Hij vertelde me dat hij The Corrections met het schaamrood op de wangen heeft geschreven, dat hij voor dat boek voor het eerst naar de akeligste plekken in zijn eigen hoofd is gegaan. Er moet als je schrijft echt iets op het spel staan. Ik denk dat lezers het ruiken wanneer een schrijver verder is gegaan dan hij eigenlijk had gewild. Dat is wat ik ook in mijn boeken nastreef, al zou ik Franzen nooit mijn voorbeeld durven noemen.’

Hoe schrijft u?

‘Op de laptop, maar niet volgens een vast werkritme. Dat is juist het lekkere van schrijver zijn: de radicale vrijheid om niet te moeten inklokken om negen uur. En dat is een vrijheid die ik woest uitbuit.’

Neemt u tussen de boeken een periode ‘vrijaf’?

‘Tot voor kort zat er bij mij altijd maar een heel korte periode tussen afronden van het ene boek en het beginnen aan het volgende. Voor het eerst kijk ik nu – ik zeg het maar eerlijk – met grote angst naar hoe het verder moet. Verdergaan met het slotdeel van mijn trilogie breng ik momenteel niet op. Dat anderhalve coronajaar heeft veel met mij gedaan. Ik stel mijzelf voortdurend heel wezenlijke, pijnlijke vragen: waarom schrijf ik? Wat is de zin van nog een boek schrijven? Van nog twaalf boeken schrijven?

‘Tot dusver was ik steeds dolblij met mijn schrijverschap, maar nu beklemt mij vooral de eenzaamheid ervan. Ik moet proberen mijzelf weer bij elkaar te vegen en te komen tot een punt dat ik mijzelf weer wat leuker vind, waardoor ik misschien ook weer in staat zal zijn een boek te schrijven dat mensen willen lezen en waar ze misschien iets aan hebben. Dat geloof is op dit moment danig aangetast.’

Griet op De Beeck: ‘Dat anderhalve coronajaar heeft veel met mij gedaan. Ik stel mijzelf voortdurend heel wezenlijke, pijnlijke vragen: waarom schrijf ik? Wat is de zin van nog een boek schrijven?’ Beeld Rebecca Fertinel
Griet op De Beeck: ‘Dat anderhalve coronajaar heeft veel met mij gedaan. Ik stel mijzelf voortdurend heel wezenlijke, pijnlijke vragen: waarom schrijf ik? Wat is de zin van nog een boek schrijven?’Beeld Rebecca Fertinel

Hoe belangrijk zijn recensies voor u?

‘Lastige vraag. Je klinkt al snel als de slechte verliezer, maar er is een vreemde discrepantie tussen de recensent die een aantal uren aan je boek besteedt en de schrijver die er een of meer jaren mee bezig is. En dat sterrensysteem vind ik door zijn gebrek aan nuance al helemaal verschrikkelijk. Een boek is voor mij zoiets persoonlijks, zoiets belangrijks, dat ik mezelf moet beschermen tegen recensies. Ik lees ze daarom niet. Zelfs toen mijn debuut in de Volkskrant vijf sterren kreeg – waar mijn redacteur me speciaal over opbelde – heb ik dat stuk niet gelezen. Je moet weten wat je hart aankan.’

Wat is de ergste kritiek die u kunt krijgen?

‘Dat ik geen echte schrijver ben.’

Griet Op de Beeck: Jij mag alles zijn. Prometheus; 208 pagina’s; € 15.

null Beeld Prometheus
Beeld Prometheus

Wie is Griet Op de Beeck?

Griet Op de Beeck werd op 22 augustus 1973 geboren in Turnhout. Ze studeerde Germaanse filologie aan de Universiteit Antwerpen, was werkzaam als dramaturg en vervolgens als journalist voor onder meer Humo en De Morgen. In 2013 verscheen haar debuutroman Vele hemels boven de zevende, genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en bekroond met de Bronzen Uil Publieksprijs. Haar tweede roman, Kom hier dat ik u kus (2014), werd uitgeroepen tot boek van de maand in De Wereld Draait Door en genomineerd voor de NS Publieksprijs. Dat laatste gold eveneens voor haar derde roman, Gij nu (2016). In 2017 verscheen het eerste deel van een geplande trilogie over misbruik, Het beste wat we hebben. Een interview in De Wereld Draait Door, waarin Op de Beeck vertelde tussen haar 5de en 9de door haar vader seksueel te zijn misbruikt, deed veel stof opwaaien, vooral omdat het hier ging over met behulp van een therapeut achterhaalde ‘hervonden herinneringen’. Op de Beeck schreef het Boekenweekgeschenk van 2018, Gezien de feiten, en publiceerde een jaar later deel twee van haar trilogie: Let op mijn woorden.

Meer over