Griekser dan Grieks

In nog geen dertien jaar veroverde de barbaar Alexander uit Macedonië een reusachtig imperium voor de Grieken, van de Indus tot de Nijl....

BETEKENDE ALEXANDER de Grote de vervulling van de Griekse Oudheid, of maakte hij er een eind aan?

Eeuwige vraag.

Om te beginnen was hij, vanuit het perspectief van bijvoorbeeld Athene, geen Griek maar een Macedoniër: lid van een nogal ongeciviliseerde boerenstam, bijna een barbaar. En bedreigend voorzover zijn vader, Philippus, zich in de vierde eeuw voor Christus had ontwikkeld tot een agressieve soldatenkoning met een geducht leger.

Tegen die vader hield Demosthenes (al dan niet met kiezelsteentjes in z'n mond) z'n beroemde filippica's, om de lakse Atheners te waarschuwen voor een verschijnsel dat in het woordenboek van de stadstaat eigenlijk nog niet erg voorkwam: het imperialisme. Dat hadden ze honderd jaar eerder aan den lijve ervaren door de invasie van echte barbaren, maar die waren toen godzijdank verslagen. Demosthenes kon er in zijn opruiende toespraken doeltreffend aan refereren: waren de Macedoniërs niet bezig zich te ontpoppen als de Perzen van het Noorden?

Van iemand als Philippus, die tenslotte op hetzelfde vasteland maar een paar dagreizen af woonde van Arcadië, Attica, Epirus en de berg Olympus, verwacht de psychologie onder zulke omstandigheden dat hij alles zou doen om voor Griekser dan Grieks te worden aangezien. En aan die verwachting voldeed hij.

Hij nodigde beroemde kunstenaars uit Athene uit, liet zieners bewijzen dat zijn dynastie was ingericht door Zeus, benoemde niemand minder dan Aristoteles tot leermeester van zijn zoon, en dwong met militaire argumenten - want als het niet goedschiks ging, dan maar kwaadschiks - de Griekse steden (op Sparta na) in een 'Korintische Bond' die een revanche-veldtocht tegen Perzië zou ondernemen.

Zo vocht hij zichzelf omhoog tot een salonfähige Griek. Maar nog vóór hij aan de verzilvering van die status toe was, werd hij in z'n paleis vermoord. Volgens sommige bronnen door toedoen van zijn eerste vrouw, en misschien wel met medeweten van z'n oudste zoon. Volgens andere (en dat kwam voor de filhellenistische beeldvorming natuurlijk beter uit) door de Perzen.

Hoe dat zij, de 20-jarige Alexander - grootgebracht met Homeros, met de grote tragediedichters, met Aristoteles, maar ook met veldslagen tegen de Griekse broedersteden - trad onmiddellijk in zijn voetspoor. Dat merkten de Thebanen, die na Philippus' dood in opstand kwamen in de veronderstelling dat ze nu alsnog de Macedonische hegemonie konden breken. De jonge koning rustte een strafexpeditie uit, maakte de stad met de grond gelijk en voerde de bevolking - voorzover niet gesneuveld in het geweld - in krijgsgevangenschap. In Athene legde zelfs Demosthenes het hoofd in de schoot. Langzaam maar zeker zouden de onderling altijd verdeelde Grieken zich verenigen onder de Macedonische Griek der Grieken: Alexander. En de veldtocht door Azië werd het bindmiddel bij uitnemendheid.

Begin? Einde?

In de ene versie van Alexanders onachterhaalbare biografie staat de grote bruggenbouwer centraal, de wegbereider van het hellenisme dat de oude beschaving van de Griekse stadstaat als het ware ontsloot voor de rest van de wereld, de man die een 'oecumene' stichtte van de Indus tot de Nijl, en die dat reusachtige imperium waarover hij als koning, 'sjah', farao en bijna god heerste, misschien nog tot ver in westelijk Europa en Afrika had kunnen uitbreiden, als hij niet al op z'n drieëndertigste was gestorven.

Dat laatste heeft z'n nagedachtenis natuurlijk geen windeieren gelegd. Bij z'n leven was hij - gevreesd of bewierookt - al een legende. Na z'n vroege dood zou onherroepelijk de mythologie bezit van hem nemen. En vanzelfsprekend bestreek de mythevorming alle toen bestaande culturen: Alexander als zoon van de Egyptische god Ammon, als nazaat van Zeus, als minnaar van Semiramis, als gelijke van de Amazonen of als overwinnaar van de machtige Indiase koning Poros - bijna duizend jaar na dato zal hij als 'de tweehoornige' nog in de islamitische overlevering en zelfs de Koran opduiken.

Held, wonderdoener, veroveraar, beschaver, halfgod: het verhaal van zijn bovenmenselijke lotgevallen is neergelegd in de anonieme Alexanderroman die ergens tussen de tweede eeuw vóór en de tweede eeuw na Christus moet zijn ontstaan (en telkens moet zijn aangevuld en aangepast naar de gelegenheid van nieuwe tijden en nieuwe denkbeelden), en waarvan gezegd wordt dat hij tot ver na de Europese Middeleeuwen haast even populair was als de Bijbel.

De roman - nu voor het eerst in het Nederlands vertaald - laat zich lezen als een sprookjesboek, maar ook (en allicht, bij een hoofdfiguur die in z'n korte leven bijna permanent op stap is geweest) als een reisboek, dus een avonturenverhaal, of de reportage van een tocht naar een ongekende wereld, tot aan de grens van waar die wereld - ook naar de heilige overtuiging van de pre-Copernicaanse lezer - ophield.

Er zijn allerlei herkenbaarbeden in de oude teksten. Soms lijken ze op de logboekverslagen waarmee Portugese, Engelse en Hollandse zeevaarders in de zestiende eeuw van hun reizen terugkeerden en waarin het ook wemelde van verbazingwekkende ontmoetingen met draken, gedrochten, onwaarschijnlijke beesten en half-dierlijke mensen; Alexanders Macedoniërs zagen in India voor het eerst van hun leven olifanten, om maar 's een in Griekenland ongebruikelijk creatuur te noemen.

Een andere keer dringt zich de associatie op met de Karel-romans: de Frankische volksverhalen over en rondom Karel de Grote - ook een vorst, ook een exporteur van eigen (christelijke) waarden, ook een tegenstander van 'barbaren' die toen weliswaar geen Perzen meer heetten, maar Turken, maar ze kwamen nog wel uit het oosten.

Het motief van de goedertieren keizer, die zich (niet zelden incognito of in bewuste vermomming) onder zijn volk begeeft en er eenvoudige genoegens mee deelt - dat reikt in feite tot aan sagen en legenden die in Vlaanderen tot op de dag van vandaag als waar over Karel V circuleren, en dan zijn we al bijna twee millennia van Alexander verwijderd; er lijkt al die tijd betrekkelijk weinig veranderd in de kleine wereld tussen de Indische Oceaan en de Noordzee.

Allicht zijn in de latere, Europese bewerkingen van de Alexanderroman christelijke thema's binnengesmokkeld: van Alexander als proto-heiland hoeft niemand raar op te kijken. Maar ook een joodse geschiedschrijver als Flavius Josephus, die zich in de eerste eeuw van onze jaartelling zo 'wettisch' en schriftgeleerd aan z'n bronnen hield - dat wil zeggen aan de boeken van het Oude Verbond - heeft een graantje meegepikt van de Alexanderverering en beschrijft in het elfde boek van De oude geschiedenis van de Joden een visite van de grote Macedoniër aan Jeruzalem die vrijwel zeker nooit heeft plaatsgevonden, en laat Alexander - geheel conform het beeld van de 'oecumenische' monarch - zich bewonderend onderhouden met de hogepriesters in de tempel.

En in z'n laatste werk, een polemiek Tegen de Grieken (met de mooie vertaling is z'n hele overgeleverde oeuvre nu in het Nederlands beschikbaar) roept hij Alexander nog een paar keer aan als een model-Griek waaraan de meeste andere Grieken in hun verwatenheid nog een voorbeeld mogen nemen.

Alexander: voor elk wat wils, zou je bijna zeggen.

Maar misschien is het tijd even stil te staan bij een tweede interpretatie van het heldenleven.

Die laat de zegeningen van de oecumene onverlet, maar voegt er de vraag aan toe in hoeverre Alexander in de zee van veroveringen het eigene van de Grieken (of de Macedoniërs) misschien heeft laten verdrinken.

Dat was in feite het thema van Iskander, de laatste grote antieke roman van onze eigen Couperus. Zijn Alexander (in Arabische landen bekend als Iskander) gaat behalve aan de klassieke hybris te gronde aan een vergaande 'oriëntalisering'; tot aan wat een geschokte Nederlandse recensent omschreef als 'de verhouding met den mooien eunuch-danser, die den held inwijdt in de meest perverse zonden van Babylon'.

Letterlijk, maar ook overdrachtelijk zou Alexander steeds verder van huis zijn geraakt. Tot toenemende frustratie van zijn trouwe Grieks-Macedonische manschappen die hem dertien jaar lang bijna blind waren gevolgd, benoemde hij ook in het leger Aziaten op sleutelposities, en trouwde hij ten slotte zelfs de dochter van een niet-Griekse koning. En dat terwijl Aristoteles hem (althans volgens Plutarchus) had voorgehouden: gedraag je tegenover je eigen volk als een leider, en tegenover barbaren als een meester. Over allerlei doodsoorzaken is in de loop der eeuwen gespeculeerd - alcoholvergiftiging, venerische ziekte, uitputting, laat gevolg van een eerder op het slagveld opgelopen fatale verwonding, tot en met tropische koortsen maar altijd is de mogelijkheid opengehouden dat hij door jaloerse Griekse vertrouwelingen domweg kan zijn vermoord.

Veroveraars die zich in hun veroveringen verliezen en er hun identiteit aan kwijt raken: vaker vertoond in de geschiedenis. Maar binnen dertien jaar? En door toedoen van één man die als een bliksemschicht even de aarde trof?

Dat zou het adembenemende zijn - als het waar is.

Maar wat waar is aan het leven van Alexander de Grote, weten we amper, ondanks het feit dat hij een hele stoet van kronikeurs, onderzoekers en Homeriaanse heldenbeschrijvers op zijn reizen meenam om alles vast te leggen wat hem overkwam. Maar vrijwel niets van al die verslaggeving is bewaard.

Vandaar de kans die in de loop der eeuwen aan de verbeelding is gegund - vandaar ook de betrekkelijk ondergeschikte plaats die een derde lezing van het leven in de historiografie inneemt: de versie volgens welke Alexander een even wrede als gewetenloze opportunist zou zijn geweest, die niet zozeer heil bracht in het Azië tot aan de Indus, maar er een spoor van vernieling en bloed doorheen trok. De Gordiaanse knoop doorhakken, alles goed en wel - maar waarom moesten de paleizen van Darius worden geplunderd en waarom liet hij Persepolis platbranden?

In de Alexanderroman worden de gruwelijkheden overwegend verzwegen of vergoelijkt - daar is Alexander de heerser die zo nu en dan nou eenmaal moet 'optreden', maar zich daarna tegenover de verslagen tegenstander altijd van z'n meest genereuze kant laat zien. Maar ook in de doorwrochte biografie van Robin Lane Fox (uit 1973, nu als vierde Nederlandse druk vanwege het Boekenweekthema opnieuw in de winkel) blijft de balans tussen de imperialistische en de 'culturele' missies van Alexander toch nog altijd redelijk gunstig voor zijn reputatie.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog is in de Alexander-literatuur nog wel eens de vergelijking met Hitler gemaakt: de Oostenrijkse Duitser zoals Alexander een Macedonische Griek was. Maar daar wil Fox niet meer aan: 'Zulke vergelijkingen zijn in de mode geweest, maar uit niets is gebleken dat ze gegrond zijn.'

Ook na lezing van zijn boek blijf je intussen achter met de vraag hoe Grieks Alexander was, of hoe Griekser dan Grieks. Opgenomen in ieders hemel, in ieders tempel, in ieders herinnering. Dan ligt het misschien toch in de rede om aan te nemen dat de Griekse Oudheid bij hem aan haar eind kwam.

Meer over