Goya heeft de neus van Meester Rembrandt

'Verdomd, wat is híj goed', kon Picasso nog weleens misnoegd uitroepen. Al die voorgangers - El Greco, Velázquez, Goya, Poussin, Delacroix, Manet, Matisse, of zijn alter ego Rembrandt - hoe in godsnaam kon en moest dat beter?...

Van onze verslaggever Eric van den Berg

Vooral Rembrandt, zijn artistieke 'vader'. Iedereen wil een Rembrandt zijn, wist Picasso, en wat hij óók wist: niemand werd het uiteindelijk. Zijn eerste vrouw Olga herinnerde hem er regelmatig aan; ze stuurde hem kaartjes met afbeeldingen van Rembrandt. Tekst op de achterzijde: 'Als je zo was als hij, zou je een groot kunstenaar zijn.' Het is nooit meer wat geworden tussen die twee.

Pablo Picasso (1881-1973) verkeerde in eeuwige rivaliteit met kunstenaars die hem tot aan zijn dood zouden beïnvloeden. Kunstgeschiedenis wás geen geschiedenis, vond hij. De meesterwerken van toen horen in het hier en nu, zíjn in het hier en nu.

Rembrandt was altijd aanwezig, stond in zijn geheugen gegrift, was op zijn netvlies gebrand. En is weer terug te vinden op vele schilderijen en prenten van de Spaanse meester. Ruim drie eeuwen nadat Rembrandt De Nachtwacht had geschilderd (1642), doken de verbaasde gelaatsuitdrukking van kapitein Frans Banningh Cocq en de speer van luitenant Willem van Ruytenburgh op bij Picasso (Pierrot en Harlekijn, 1969). En zien we in 1968 een Hendrikje Stoffels uit bed stappen (Interieur met vrouw die uit een bed komt en andere figuren).

Kijk en vergelijk, lijkt het devies van de tentoonstelling Rembrandt, Goya & Picasso - Het grafisch geheugen in Het Rembrandthuis in Amsterdam. De drie grote prentkunstenaars, die samen vier eeuwen overspanden, naast elkaar: Picasso naast Rembrandt, en Goya naast Rembrandt. Want ook Francisco de Goya (1746-1828) vond inspiratie in zijn werk: 'Ik heb geen andere Meesters dan De Natuur, Velázquez, en Rembrandt.'

Veertien keer 'Zoek de overeenkomsten' bij Picasso, 23 keer bij Goya - puzzels op niveau.

In dat geval, die van Goya zijn moeilijker. Goya 'gebruikte' Rembrandt op een abstracte manier: geen personen die bij hem terugkeren, geen verhaaltjes opnieuw verteld. Rembrandt was een van zijn drie Meesters vanwege de schildertechniek. En hij was de verhalenverteller die Goya ook wilde zijn.

Goya bewonderde de manier waarop Rembrandt figuren groepeerde en sfeer creëerde met licht en donker. Hij bestudeerde de vreemde hoofddeksels, alsook hoe de Hollandse meester houding gaf aan zijn modellen.

Hij gebruikte het, zo is in vergelijking te zien. Hang Goya's zelfportretten uit 1790 en 1795 naast zelfportretten van Rembrandt (omstreeks 1630), en de overeenkomsten zijn onontkoombaar: lange vloeiende lijnen, stippeltjes voor de schaduw, en zelfs de neuzen lijken op elkaar. Soms lijken Goya en Rembrandt één en dezelfde man.

En we zien de Vrouw met de pijl, een naakt uit 1661, terug in twee naakten van Goya uit de laatste jaren van de achttiende eeuw. Compleet andere werken (in inkt), vergelijkbare contouren, zelfde schaduwval, ook van achteren geportretteerd.

Maar het kan abstracter. Op Jozefs mantel aan Jacob getoond (1633) zijn de handen van de figuren ietwat groot uitgevallen; op Capricho 49 (1799) hebben monsterlijke kabouters handen groter dan hun hoofden. Dat is geen link die je zomaar cadeau krijgt.

Bij Picasso hoeft niemand ver te zoeken naar Rembrandt - directe citaten, parafrase, parodie, hetzelfde clair-obscur. Een faun buigt zich over een slapende vrouw (1936) zoals Jupiter zich over Antiope boog (1659); Rembrandts Bathseba (1654) krijgt drie eeuwen later wat trekjes van Picasso's vrouw Jacqueline, en Picasso heeft Jozef en de vrouw van Potifar (1634) gewoon op zijn manier nog even overgedaan. Met dezelfde titel.

Rembrandt zat in zijn hoofd, met name in de jaren dertig, midden jaren zestig, en tijdens zijn laatste levensjaren. Zíjn leven was ook Picasso's leven: Rembrandt had Hendrikje Stoffels, Picasso had Marie-Thérèse (ook jong). Toen Picasso in 1934 een keer een ets als mislukt beschouwde en maar wat begon te krabbelen, verschenen daar ongemerkt de contouren van Rembrandt van Rijn.

Dit was, net als bij Goya, het visuele geheugen in actie.

Picasso had in de twintigste eeuw weliswaar mogelijkheden genoeg het werk van Rembrandt te bestuderen (hij heeft ooit De Nachtwacht in zijn atelier op ware grootte geprojecteerd), veelal werkte hij zonder ook maar één Rembrandt in de buurt. Hij had alles al opgeslagen. Picasso keek niet zomaar naar een schilderij of ets, zijn oog was een loep. 'Ik schilder niet wat ik zie', zei hij, 'ik schilder wat ik weet.'

Goya, hofschilder met alziend oog, had minder keus. Rembrandt zijn meester? Hoe? Zeventiende-eeuws werk uit Holland was, mede door de Tachtigjarige Oorlog, in Spanje schaars. Er was welgeteld één schilderij in Madrid tijdens Goya's leven (Artemisia, 1634). En Francisco was niet zo'n reiziger.

Goya moest het hebben van de beschikbare prenten. Zelf bezat hij er een tiental, gekregen van een vriend/verzamelaar, andere kan hij hebben gezien in de Biblioteca Nacional, of in de beroemde 'bloemlezing' van Pierre-François Basan, waarin 85 prenten van Rembrandt zijn afgedrukt.

Maar de meeste etsen en tekeningen waarover Goya kon beschikken, kwamen uit de collectie van Eugenio Izquierdo de Ribero y Lezuan, Rembrandt-verzamelaar in Parijs, regeringsbureaucraat, diplomaat, politicus, en - wat het Spaanse koningshuis iets te laat doorhad - geheim agent. Had gecollaboreerd met Napoleon zelf, die in 1808 Spanje binnenviel.

Izquierdo exit, al zijn bezittingen in Spanje werden geconfisqueerd, inclusief 135 prenten van Rembrandt. Die werden bezorgd bij het Real Gabineta de Historia Natural, dat in Madrid een verdieping deelde met de Real Academia de Bellas Artes de San Fernando. Waar Goya lid van verdienste was.

Zo bracht een spion Goya en Rembrandt nader tot elkaar.

Meer over