Goud en koper in de boekenwereld

Altijd op zoek naar een boek

Fens Kees

Een geschreven portret van een boekenverzamelaar, de Amerikaan George Abrams (1920-2001), sluit de verzameling van negentien studies af die de boekwetenschapper Frans A. Janssen bijeenbracht in Goud en koper in de boekenwereld. Abrahams was ook typograaf en letterontwerper. Hij verenigt dus enkele stadia van de geschiedenis van het gedrukte boek in zijn persoon. Dat moet mede zijn aantrekkelijkheid voor Janssen hebben bepaald; diens aandachtsveld begint met het manuscript en sluit af met de lotgevallen van het boek, en dat zijn ook de lotgevallen van de lezers en de verzamelaars.

Abrams heeft recht op de laatste plaats (zoals hij recht heeft op Janssens lichte koketterie), want in een essay in het boek laat Janssen puntsgewijs het belang van de particuliere verzamelaar voor de boekwetenschap zien. Hij kan reeksen uitgaven bijeenbrengen waartoe de officiële bibliotheek niet in staat is (en ook niet de zeer geduldige kennis heeft). Een verzamelaar kan alle drukken, met alle, al zijn het maar kleine, varianten, verzamelen en zo de tekstgeschiedenis van Hermans' werk vergroten, schrijft Janssen. (Hij kan het weten, want hij is zelf die verzamelaar.)

Over de aard van de verzamelaar en het verzamelen is veel geschreven. In het stuk over Abrams staat, denk ik, iets wezenlijks: hij heeft er tot zijn dood over getreurd een bepaald boek niet te hebben kunnen bemachtigen (de twee exemplaren op de veiling werden beide door een Italiaanse antiquair gekocht). Er werd hem niets gegund. Voor mij had Janssens boek drie maal afgesloten mogen worden: er moeten meer dergelijke portretten van verzamelaars te schrijven zijn. (Hij heeft veel groten gekend, zoals hij nederig schrijft.)

De vierde studie in het boek heeft als titel 'Het goud van de Gutenbergbijbel'. Ze begint zo: 'Het oudste gedrukte boek, in 1454-1455 in Mainz geproduceerd door Johannes Gutenberg, was een uitgave van de Latijnse vertaling van de bijbel.' Dat is binnen het boek een overbodige zin: in voorgaande pagina's zijn Gutenberg, Mainz en bijbel al enkele keren genoemd. Bovendien: wie Janssens boek leest, mag met Gutenberg bekend zijn. Wat er op de zin over de vertaling van Hiëronymus volgt, mag ook wel zeer oud nieuws genoemd worden. Maar wat daarop volgt, levert het mijns inziens het beste, want meest lerenswaardige en ook best geschreven deel van het boek op. Janssen doet verslag van het gebruik, de receptie van Gutenbergs bijbel: wat is er met het boek gebeurd nadat het gemaakt en verkocht is, hoe zijn de 48 exemplaren (van de circa 180 die er zijn gedrukt) op hun huidige plaats terechtgekomen? Uit de verzamelgeschiedenis citeer ik graag deze passage:

'In 1847 verhuisde het eerste exemplaar van de Gutenbergbijbel van Europa naar Amerika; het was gekocht door de miljonair James Lenox en bevindt zich nu in de New York Public Library. Een later voorbeeld van een miljonair-verzamelaar is de spoorwegmagnaat Henry Huntington, die in 1911 zijn begeerte naar de B42 (het getal is het aantal regels van de kolommen waarin de bijbel is gezet, er zijn ook varianten, F.) vervuld zag toen hij op de veiling van de bibliotheek van een andere Amerikaanse verzamelaar, de drukpersenfabrikant Robert Hoe, voor de toen enorme prijs van 50.000 dollar een exemplaar kon bemachtigen. De kranten verklaarden hem voor gek omdat hij zoveel geld voor een boek over had, en het Amerikaanse bijbelgenootschap feliciteerde hem weliswaar met deze aankoop maar niet zonder erop te wijzen dat Gods Woord bij hen voor 90 dollarcent te koop was.'

Het exemplaar was eens gestolen uit de Universiteitsbibliotheek van Mainz en is nu, zoals, op twee na, alle 48 exemplaren, veilig ondergebracht in een officiële bibliotheek. (De Amerikaanse geschiedenis van de Gutenbergbijbel heeft parallellen met de in de 19de eeuw door miljonairs gedane grote kunstaankopen; de schilderijen zijn nu nagenoeg allemaal in musea.) Het citaat heeft een algemene geldigheid voor het boek, waarin alle stukken met gr

ote kennis van zaken, met veel precisie en detaillering - soms iets te veel - zijn geschreven.

Een mirakel van precisie, in de beschrijving en in de inhoud van het stuk, is 'Goud zoeken: het Nederlandse drukkershandboek'. Het is het verhaal van een moedeloos makende zoektocht, die tot niets lijkt te leiden, maar ten slotte een in handschrift bewaard gebleven drukkershandboek oplevert. Dat wordt het onderwerp van Janssens proefschrift. Dat zoeken altijd boeiender is dan het vinden, wordt hier opnieuw bewezen. In dat nooit te ontmoedigen zoeken is de boekwetenschapper verwant aan de bibliofiel en de verzamelaar. (Misschien zijn het meestal drie naturen in één persoon.)

De eerst opgenomen studie heet 'Verleden en toekomst van het gedrukte boek'. De vergelijking van ontwikkelingen in de huidige tijd met het verdwijnen na 1450 van het handschrift door het gedrukte boek is nogal eens gemaakt. Ze wordt hier overtuigend afgewezen: handschrift en gedrukt boek verschillen niet naar de vorm; er is geen sprake van een nieuwe revolutionaire vorm van lezen en schrijven. Volgt een prachtige uiteenzetting over de codex (de huidige boekvorm, die de papyrusrol opvolgde). Het staat er niet, maar het laat zich vermoeden: de vorm van de codex heeft onze wijze van denken bepaald (en houdt die in stand). De tweede studie, een van de mooiste uit het boek, 'De rechthoek in de typografie', sluit schitterend op de eerste aan.

Ik heb maar enkele stukken genoemd. Of ze licht of zwaar zijn, kwalitatief doen ze weinig voor elkaar onder. Alleen heeft ook Janssen mij niet van de grootheid van Bodoni, de man en de letter, kunnen overtuigen.

Meer over